The Project Gutenberg EBook of Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw, by M. Lievevrouw-Coopman This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw Author: M. Lievevrouw-Coopman Release Date: February 25, 2004 [EBook #11288] Language: Dutch Character set encoding: ASCII *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONS VADERLAND *** Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders ONS VADERLAND van de vroegste tijden tot de 15de eeuw door M. LIEVEVROUW-COOPMAN HOOFDONDERWIJZERES Teekeningen van E. ROELANT, kunstschilder. 1904 1.--De Hut in het Woud. Er waren eens twee kinderen, een jongen en een meisje. Zij bewoonden eene kleine hut, uit leem en riet vervaardigd. Die hut had schoorsteenpijp, noch vensters, dus konden licht en lucht er enkel langs de deur binnendringen, terwijl de rook van het haardvuur de woning verliet door eene nauwe opening, midden in het dak. Wel was de hut armoedig, maar het groote woud, dat haar omringde, was wonderschoon. Heerlijk mos bedekte den grond, hooge varens wiegelden er hare bleekgroene pluimen, terwijl forsche eiken, ver boven de hut, hunne takken broederlijk dooreen strengelden. 's Zomers zongen honderden vogeltjes in het gebladerte: vinken, meezen, winterkoninkjes, meerlen, nachtegalen vereenigden er hunne stemmen, tot een enkel koor van levenslust. "Koekoek! koekoek!" klonk het dan schaterend in de verte en de kleine hutbewoners lachten en herhaalden het spottend geroep van den zwartgevlerkten zanger. Dat vroolijk spelletje duurde dagen en dagen, "Koekoek! koekoek! waar zijt ge?" vroegen thans de kinderen, "Kom bij ons, we zullen u wormpjes zoeken en broodkruimels voor u strooien," maar de vogel kwam niet en deed, luider en luider zijn eentonigen zang door de blauwe zomerlucht weergalmen. "Willen wij hem opzoeken?" sprak de knaap tot zijn zusje.--"Ik durf niet, Atto, moeder zegt gedurig, dat wij ons van hier niet mogen verwijderen."--"Zij zal het niet weten" lachtte Atto, "zij is vader tegemoet, die heden van de jacht terugkomt." En Juna liet zich overreden. Hand aan hand, blootsvoets, half naakt, stapten de kleinen over het zachte mos, en zochten den koekoek, wiens spottend gezang, door het woud weergalmde. Maar, hoe zij ook zochten en zochten, zij vonden den spottenden zanger niet. Vermoeid en treurig rustten zij een poosje en besloten toen huiswaarts te keeren. De bloote voetjes der kleine Juna waren vurig rood en Atto had zich, vlak onder de knie aan een scherpen doorn bezeerd, doch om zijn zusje niet bang te maken, beet hij zich op de lippen en beweerde geen pijn te gevoelen. Maar, waar toch was het smalle pad, waarlangs zij gekomen waren? Atto zocht het vruchteloos onder de varens en Juna vreesde, dat zij verdwaald vaaren. Klapwiekend vloog de zwarte woudraaf uit een naburig berkenbosje en daarna werd alles stil, doodstil. Langzaam, o! zeer langzaam verstreek de tijd. Atto zocht en zocht, klom op een boom, tuurde in de verte ... hij zag enkel boomen en niets dan boomen. Eensklaps werd de lucht duister, de wind stak op, bliksemschichten flikkerden, de donder rommelde. Broer en zuster klappertandden van angst en koude, maar zij gingen verder, altijd verder. Eindelijk bereikten zij eene grot, waar zij zich vermoeid in nederzetten. En thans vernamen de arme kinderen een vervaarlijk gehuil.... "De wolven! de wolven!" kreet Juna en sloot zich heel dicht bij haren broeder aan. Atto verzamelde groote steenen en aardklompen, waarmede hij den ingang der grot versperde, want de avond viel en hij voorzag, dat zij den nacht in de eenzame schuilplaats zouden moeten doorbrengen. Toen nam hij zijn schreiend zusje op den schoot en het arme meisje, uitgeput van angst en vermoeidheid, viel weldra op zijne knieen in slaap. Atto echter waakte, hij hoorde het gehuil der wolven, en andere wilde dieren, dat akelig door het woud weerklonk.... 's Anderendaags, vroeg in den morgen, ontwaaktte Juna. Atto nam haar bij de hand en beide kinderen hervatten hun gevaarvollen tocht. * * * * * Na een half uur gaans vernamen zij het gemurmel van een beekje dat, tusschen lisch en weegbree, zijne heldere golfjes voortstuwde. "Wij zijn gered!" murmelde Atto, "laten wij langs den boord van het water voortgaan, want het leidt naar de woningen der menschen." Hoopvol nam hij zijn zusje bij de hand en zette zijnen weg voort. De tocht was lastig; soms verdween het beekje onder hooge struiken of de kinderen bezeerden zich aan bramen en doornen. Nu en dan hurkten zij neder, bogen zich over den vliet en schepten met hunne kleine handen, water, dat zij begeerig aan den mond brachten.... Arme kleinen, zij leden zoo geweldig door honger en dorst! Eindelijk bereikten zij eene plaats, waar het water veel breeder was, want een tweede beekje vereenigde er zijne golfjes met die van het eerste. Hier zwommen eendvogels, in menigte en Atto bemertke, dat zijn zusje en hij, den zoom van het woud hadden bereikt. Wilgjes ruischten aan den oever van den vliet en de kinderen betraden vol blijdschap eene malsche weide, waar verscheidene koeien graasden. "Daar komt een man," kreet eensklaps Juna met blijde verrassing. "Gangusso! vaders vriend! dezelfde, die verleden jaar onze berenhuid kocht!" lachte Atto en de man, van zijnen kant, scheen de kinderen te herkennen, want hij liet een rooden doek boven zijn hoofd zwaaien en spoedde zich naar de kleinen. Gangusso was een man van groote gestalte, met blauwe oogen en lange, blonde haarvlechten. Hij droeg lederen schoenen en korte, nauwsluitende kleederen. Hij nam de verdwaalde kinderen bij de hand, bracht ze naar zijne woning, op welker drempel zijne vrouw en een paar dienstmaagden, naar de kinderen stonden te zien. Snikkend verhaalden de kleinen hun treurig wedervaren, maar Gangusso stelde hen gerust en beloofde, hen zoo spoedig mogelijk naar hunne ouders te brengen. Een verkwikkend maal: brood, melk, gebraden zwijnevleesch werd den kinderen aangeboden, maar toen zij verzadigd waren, verklaarde Gangusso, dat de dag te ver gevorderd was om den terugtocht aan te nemen. De dienstmaagden brachten versch stroo, spreidden het op den grond en bedekten het met zachte huiden. Dit was het bed, waarop de kleinen den nacht doorbrachten. 's Anderendaags verlieten zij, onder het geleidde van Gangusso, de herbergzame woning, waar hun zulk vriendelijk onthaal te beurt viel. De bewoners der naburige hutten, die reeds van hunne komst verwittigd waren, groetten hen lachend en wenschten hun hartelijk "goede reis!" Omtrent den middag bereikten de kinderen een breed water, dat niet diep was, want de reizigers doorwaadden het zonder moeite. Nu stapten zij verder over heiden en dwars door wouden en bereikten omstreeks den avond, de ouderlijke hut. Hoe gelukkig waren de ouders van Juna en Atto, toen zij hunne kinderen wederzagen! Hoe hartelijk schonken zij hun vergiffenis en hoe vurig dankten zij hunnen vriend, den braven, dienstvaardigen Gangusso. 2.--Oud Belgie. [Illustration: Gallische landbouwer.] Welke eigenaardige hut bewoonden Atto en Juna! 'k Wed, dat men, in onze dagen, in geen enkel land der wereld, eene dergelijke meer zou aantreffen! Zulks moet mijne lezers niet verwonderen, want de twee kinderen leefden niet in onzen tijd, maar voor honderden en honderden, ja, schrikt niet ... voor 2000 jaar. De hut, die zij bewoonden, stond midden in het woud en dat woud was zoo dicht en uitgestrekt, dat men er heel licht in verdwaalde. Bezit ons vaderland heden nog wouden? Voorzeker, maar ze zijn kleiner, minder talrijk, dan vroeger. De menschen hebben ze gedeeltelijk uitgeroeid en in akkers herschapen. De vader der kleine, onvoorzichtige kinderen was een jager. In de wouden van ons land huisden vroeger beren, talrijke wolven, everzwijnen. Gevaar schrikte den man weinig af, ofschoon hij zulke goede wapens niet bezat als de jagers van onzen tijd. Schietgeweren, pistolen, waren onbekend; de tijdgenooten van Gangusso bezigden pijlen, bogen, slingers, knotsen, lansen en trachtten, heel waarschijnlijk, het wild in hinderlagen te lokken. Sommige menschen deden echter iets anders dan jagen: Gangusso fokte vee en zijne huisgenooten sliepen op stroo, hetgeen bewijst, dat de man ook graan verbouwde. Eendvogels zwommen in beken en plassen en deze vogels ... gij raadt het zelf, verschaften den menschen eieren, vleesch, dons. Waarom had Gangusso zijne woning dichtbij de samenvloeiing van twee beken gebouwd? Wel! omdat het water hem onmisbaar was en, omdat in dun bevolkte of weinig beschaafde streken, de oevers van het water, soms ook zijne uitgedroogde bedding, als wegen dienst doen. Bestonden er, voor tweeduizend jaar in ons land geene groote zand-of aardwegen? Neen, die waren er niet; vandaar dat de menschen heel weinig betrekking met elkander hadden. Koopen of verkoopen gebeurde zelden; steden of groote dorpen zoudt gij hier vruchteloos hebben gezocht. De menschen van dien tijd hadden echter een goed hart: Gangusso nam de verdwaalde kinderen in zijn huis op en schonk hun spijs en ligging. De menschen van voorheen waren zeer gastvrij en die eigenschap is bij ons, hunne nakomelingen, niet verdwenen. Op het land, en vooral in de Ardennen, waar steden en dorpen ver van elkander liggen, gebeurt het niet zelden, dat reizigers, in eenzaam staande hoeven, voor den nacht worden opgenomen. Bewoonden Gangusso, Atto en Juna misschien het Zuid-Oostelijk deel van ons land? Dat deden zij ... maar, nu mijn verhaal ten einde loopt, wil ik u vertellen van de oude bewoners van Laag-Belgie. 3.--Langs Poel en Plas. De najaarszon neigde ten Westen en wierp hare schuine stralen op een groep vrouwen en kinderen, die zich over zandheuvels en door duinpannen naar zee begaven. Vuurroode wolken hingen over den schuimenden waterplas en een paar visschersschuiten naderden het strand, waarop millioenen schelpjes, als zoovele parelen, lagen te blinken. Met blijdschap begroetten de vrouwen de naderende vaartuigen die, met hunne bemanning, weldra in eene naburige kreek binnenliepen. De schuiten waren log en stevig, voorzien van zeilen, die, uit aan elkander genaaide huiden waren vervaardigd. Waarschijnlijk hadden de visschers eene goede vangst gehad; want, toen de vrouwen, over zandbanken en door plassen zeewater de schuiten bereikten, vulden zij hare teenen manden met een rijken buit van versche tongen, schollen, roggen. De mannen laadden hunne netten en fuiken op den rug en weldra trok de heele troep landwaarts. De streek had een treurig aanzien: rechts en links lagen eindelooze moerassen, waarboven heele zwermen raven en meeuwen vlogen; hier en daar bemerkte men een schraal boschje van wilge-, essche-of elzeboompjes. De weg, waarlangs de visschers en hunne vrouwen stapten, lag hooger dan het omliggende land en was eigenlijk het bovenvlak van een dijk, door menschenhanden aangelegd. Thans bereikte de karavaan een groepje ellendige hutten, de verblijfplaatsen der visschersfamilien. Eene plotselinge regenvlaag noopte vrouwen en kinderen eene schuilplaats in de woningen te zoeken. "De wind waait uit het Zuid-Westen" sprak een der mannen. "De storm is in aantocht en dezen nacht hebben wij springvloed." Na een paar uren waaide de wind zoo hevig, dat de kloeke mannen moeite hadden zich overeind te houden. De zee donderde, de nacht daalde over het aardrijk en de regen viel bij stroomen. "Ik vrees, dat de dijk, dien wij verleden zomer aanlegden, tegen het water niet bestand zal wezen" sprak een der mannen. Een ander voegde er bij: "Ik stel voor, dezen nacht de wacht te houden, om bij het minste gevaar, onze vrouwen, onze kinderen en ons vee in veiligheid te brengen." Dit voorstel werd aangenomen; de mannen bleven bij elkander en, hoe vervaarlijk de wind ook huilde, hoe plassend de regen ook nederviel, toch gingen ze, bij beurten, den dijk op en neder. De storm intusschen hield aan; met grenzenlooze woede beukte de zee de duinen, baande zich eenen weg door het land en bereikte den dijk. Het hart der mannen klopte angstig; zou de vrucht van hunnen arbeid bestand zijn tegen den vertoorden Oceaan?... De dag brak aan, heviger nog huilde de storm, hooger en hooger stegen de golven en!... de mannen bemerkten eene breuk midden in den dijk. De vrouwen brachten kleiaarde, steenen, takkebossen aan, hijgend en zweetend arbeidden zij, onder den plassenden regen, aan het herstellen van den dijk ... vruchtelooze moeite; eene tweede, eene derde dijkbreuk ontstond; de vrouwen weenden, de kinderen huilden. "Allen naar de hutten! drijft het vee voor u uit! neemt manden en netten mede, richt u zuidwaarts!" riepen thans de mannen en met koortsige haast gehoorzaamden allen aan het bevel. In radeloozen angst vloden de ongelukkigen over heiden en moerassen en bereikten eene hooger gelegen streek, waar de hutten talrijker en akkers en weiland waren aangelegd. De arme vluchtelingen werden er liefderijk ontvangen en dagen lang geherbergd, maar, toen de mannen eindelijk naar hunne vroegere verblijfplaats terugkeerden, waren dijk en woningen weggespoeld. 4.--Bij de Menapiers. Wat moesten de arme, wreedbeproefde lieden thans aanvangen?... Klagen, weenen, helpt zoo weinig! Onze mannen waren moedig en kloek, zij vereenigden hunne krachten, arbeidden samen en, door tegenspoed wijzer geworden, legden zij een nieuwen dijk aan, die breeder en sterker was dan de eerste; ook richtten zij eene terp op en bouwden zich hutten, die, op eene verhevenheid staande, minder van overstrooming zouden te lijden hebben. Daar het moeras thans volkomen tegen het water was beschut, droogde het uit en kon men het in weiland, later in akkers herscheppen. De vrouwen naaiden zeilen, vlochten fuiken, breiden vischnetten; de mannen timmerden eene schuit en weldra dobberden onze moedige arbeiders op den Oceaan, bereikten de Britsche kusten, waar zij lood en tin haalden, alsook mergelaarde, waarmede zij hunne akkers bemestten. Deze moedige menschen waren de Menapiers die, voor 2000 jaar, in Laag-Belgie ten Westen en aan de monding der Schelde woonden. Hun lijden en strijden leert ons genoegzaam, hoe woest en bar ons land toen nog was: de kusten der zee waren diep ingesneden, de zee vormde talrijke inhammen, zelfs golven, vooral bij de monding der rivieren, wier overtollig water zich soms over het land verspreidde en plassen en modderpoelen deed ontstaan. Heel waarschijnlijk dachten de brave Menapiers er nog niet aan, kanalen te graven, die het nat opvangen, en sluizen te vervaardigen, die den loop van het water zouden regelen. Ik zeg niet zonder reden "de brave Menapiers." Hadden zij niet, op eigen kracht steunend, den strijd tegen de woedende zee volgehouden? Hunne werktuigen waren ruw en onvolkomen, machines kenden ze niet en toch, al mocht de zee hunne schuiten verzwelgen, het water hunne dijken verbrijzelen, hunne woningen vernielen, altijd weer begonnen zij hunne nimmer eindigende taak. Lezers, denkt er aan, als gij Vlaanderens lachende beemden bewondert, of u in de mooie badplaatsen aan den Belgischen zeeoever gaat vermeien. 5.--Aan den Voet van den Reuzeneik. Heerlijk en trotsch verhief zich de machtige boom in het midden der vlakte; honderden stormen had hij getrotseerd, honderden winters beleefd; 's zomers rustte het vee in zijne schaduw en honderden vogels kweelden in zijne takken. Thans, ofschoon de lente nauwelijks in aantocht was, hielden aan zijn bemosten voet, de menschen eene plechtige vergadering;--vroeg in den morgen waren zij in menigte aangekomen, langs de kronkelende paden, die men, hier en daar, in wouden en heiden aantrof. De meesten onderscheidden zich door hunne hooge gestalte, hunne lange, roodgeverfde lokken en krachtige ledematen. [Illustration: Hoofddeksel.] [Illustration: Schild.] [Illustration: Helm.] Allen schenen krijgslieden te zijn, sommigen hadden op het hoofd eenen helm, waaraan vleugels van roofvogels of hoornen van dieren waren vastgemaakt en hunne wapens: lansen, pieken, zwaarden, schitterden in het zonnelicht. Allen droegen nauwsluitende kleederen, sommigen ook bontgestreepte kolders, zonder mouwen en, als sieraad of herkenningsteeken, fraai bewerkte hals-of armbanden, terwijl nog anderen een korten pelsmantel om de schouders hadden geslagen. Die mantel bewees dat zij jagers waren, want zij hadden de klauwen van het door hen gedoode dier niet weggenomen, zelfs bemerkte men hier en daar eenen krijgsman, die zijne kap met den ruigen kop van eenen beer of van een everzwijn had versierd. De opperhoofden herkende men aan de pracht hunner wapens en telkens wanneer een nieuwe troep verscheen, begroetten de aanwezigen dien met luide welkomskreten. Plotseling verving eene eerbiedige stilte het luide gegons der menigte, de stoet der druiden of priesters naderde. Voetknechten, voorzien van lansen en schitterende pieken gingen vooraan.--Op eenigen afstand volgden de barden of gewijde zangers; zij hielden snarentuigen in de hand en hieven, bij beurten, strijdzangen aan, die de anderen in koor herhaalden. Nu verscheen een man, die door al de omstanders met eerbied werd begroet. "Boduognat! hoofdman der Nerviers," fluisterden de dichte scharen en Boduognat, wiens naam "Gewoon aan overwinning" beteekende, scheen dien eeretitel te verdienen; heel zijn uiterlijk getuigde van mannelijke kracht, terwijl zijn hoog voorhoofd en zijne donkere, ernstige oogen wijsheid en nadenken verrieden. De beste krijgslieden des lands hadden zich, als eene eerewacht, om hem geschaard. De opperdruide en zijne priesters, in lange, witte kleederen, volgden en hunne lijfwacht sloot den stoet, die zich in volmaakte orde rondom den eik plaatste. De krijgsbazuinen schalden en onmiddellijk daarna nam een der opperhoofden het woord. "Mannen" sprak hij, "groote gevaren bedreigen ons. Julius Caesar, de vermaarde Romeinsche krijgsoverste, nadert onze streek en stelt zich voor, ons aan zijne macht te onderwerpen. Zullen wij, kloeke Nerviers, de dapperste der Belgen, zulks laten gebeuren?" Een vreeselijk gemompel, dat het geraas van den naderenden storm geleek, verhief zich op deze vraag.--"Neen," vervolgde de spreker, "neen, we zullen onze vrouwen, onze vrijheid, onze velden, dapper verdedigen." Daverende toejuichingen beantwoordden deze aanspraak, maar de krijgshoorn schalde, de mannen zwegen en de spreker vervolgde: "De vijand is listig en behendig; tegenover Caesar, die, zegt men, al de stammen van Midden-Gallie overwon, moeten wij een opperhoofd plaatsen, dat voor geen Romein in dapperheid en krijgskunst onderdoet!" "Boduognat! Boduognat!" riepen allen uit eenen mond en duizenden krijgslieden, hunkerend naar strijd en overwinning, staken zwaarden, lansen, standaards, schilden omhoog en begroetten aldus den bij algemeenheid van stemmen gekozen hoofdman. Toen de geestdrift eenigszins was bedaard, brachten de dienaars der druiden twee jonge, witte stieren aan. Deze werden als offeranden aan de godheid geslacht en, in het nog rookend ingewand dezer dieren, lazen de priesters den wil des Allerhoogsten. "God is ons genegen" sprak de opperdruide, "de fortuin zal ons gunstig wezen." Wederom klonk het gekletter der wapens, schilden werden in de hoogte geheven, luide vreugdekreten weerklonken. Toen de offerande was volbracht, keerden de priesters en hun gevolg naar het geheimzinnig woud terug, waar zij in volledige afzondering hun leven wijdden aan studie en godgeleerdheid. Het volk echter toefde nog langen tijd onder den eik.--Mondbehoeften en schuimend bier werden aangebracht en de drinkhoorn geledigd op de aanstaande overwinning. 6.--Verovering van ons land door de Romeinen. Waar verhief zich de reuzeneik, in welker schaduw de menschen zulk eene gewichtige vergadering hielden?--Is de gebeurtenis, waarvan het voorgaande verhaal gewaagt, reeds lang geleden? De reuzeneik groeide voor meer dan 1900 jaar in Midden-Belgie, aldus genoemd omdat de grond er meer verheven is dan in Laag-Belgie en echter de hoogte niet bereikt van Hoog-Belgie met zijne heuvelen en steile rotsen. In een woudrijk land, als het onze toen was, trof men talrijke, zeer groote en zeer oude boomen aan; dat de menschen, aan den voet van zulke boomen vergaderden, moet ons niet verwonderen in eene streek, waar steden, noch groote dorpen, dus nog veel minder pleinen of groote vergaderzalen waren. Wij hadden toen zelfs nog geene bedehuizen, want de priesters boden de godheid hunne offeranden aan in de open lucht. Welken eeredienst beleden onze voorouders? Zij aanbaden de sterren des hemels, de zon, de maan, den donder, den wind. Zij hadden hier en daar steenen altaren, onder een boom of dicht bij eene bron. Hunne priesters of druiden genoten de algemeene achting; want, ofschoon hunne leer voor ons zeer duister is, waren zij wijzer en geleerder dan gewone menschen. Misschien wel hebt gij bij u zelven gezeid dat, in het voorgaand verhaal, meest over krijgslieden wordt gesproken. Weet gij wel, dat de krijgskunst toen algemeen werd geacht, en wie zich door lichaamskracht onderscheidde, in hoog aanzien stond? Herinnert u Boduognat, die tot opperhoofd werd gekozen; denkt aan de forsche gestalte, aan de glinsterende wapens van de strijders, die hem omringden. [Illustration: Oud-Belgie.] Boduognat was een Nervier; de Nerviers bewoonden die deelen van ons land, die men heden Henegouwen, Brabant en Antwerpen noemt. Men trof hier te lande nog aan: de Eburonen, de Aduatieken, de Trevieren en de Morinnen. Zij vormden te zamen de Belgen of Bolgs. Eenige namen der Zuider-Belgen zijn bewaard gebleven in de namen van sommige aloude Fransche steden: de Bellovaken (Bavai), de Atrebaten (Atrecht). Zij bewoonden niet alleen het huidige Belgie, maar een deel van het Noorden van Frankrijk en der Rijnprovincie. Zij vereenigden zich enkel in oorlogstijd om samen aan een gemeenschappelijken vijand weerstand te bieden. Voorgaand verhaal leert ons, dat de Belgen aangevallen werden door de Romeinen[1]. Deze, van het Zuiden komende, volgden den rechter oever der Sambre en leverden slag tegen de Nerviers, die, langs den linkeroever der rivier, den top van een houtrijken heuvel bezet en zich in het struikgewas verborgen hadden. Caesar, de aanvoerder der Romeinen, zond zijne lichte ruiterij op hen af, doch de Nerviers daalden van den heuvel, staken de Sambre over, vielen de Romeinsche benden aan en vochten met ongewone dapperheid onder aanvoering van Boduognat. Caesar en zijne krijgslieden waren de onzen te machtig; duizenden en duizenden Nerviers, ook Boduognat, werden gedood. Wat moest het, na dit akelig bloedbad, doodelijk treurig zijn in het land der Nerviers: duizenden weeskinderen weenden er om den verloren vader, moeders zuchtten er om de zonen, die de vijanden haar ontrukten. [Illustration: Vesting der Aduatieken.] De Aduatieken, die de Nerviers ter hulp snelden, trokken naar hunne vesting, maar Caesar kwam ze daar belegeren en nam hunne vesting in. Zegevierend zetten de Romeinsche krijgsbenden hunnen tocht voort; hutten en wouden verbrandden zij, akkers liepen zij plat, vrije mannen verkochten zij als slaven. Ellende, dood, slavernij gingen steeds met oorlog hand aan hand. * * * * * Drie bange jaren kropen traag en somber voorbij. 's Zomers, trokken de Romeinen al verder en verder in ons land, maar in het najaar, als plasregens nedervielen, als de rivieren overstroomden en dikke nevels uit de moerassen opstegen, staakten zij tijdelijk den oorlog. Zij deden voorraad op voor soldaten en paarden en legden in verscheiden streken kampen of legerplaatsen aan, die zij betrokken en vanwaar zij de overwonnen volksstammen in bedwang hielden. In dien tijd leefde in het land der Eburonen, de beroemde Ambiorix. Het ongeluk zijner landgenooten had hem zoo diep getroffen, dat alle levenslust voor altijd uit zijn hart was verdwenen. 's Avonds, bij het knetterend haardvuur gezeten, zuchtte hij over de bange tijden en droomde van opstand tegen de vreemdelingen, van wraakoefening over het geleden onrecht. 's Daags dwaalde hij door het woud, sprak tot de lieden, die zich ter jacht begaven of zich met akkerwerk onledig hielden, begaf zich van gehucht tot gehucht en deelde aan allen, den haat mede, dien hij tegen de overwinnaars koesterde. Van tijd tot tijd sloop hij voorbij de legerplaats der Romeinen, bespiedde hunne handelingen, ging hunne getalsterkte na, zag de aarden wallen, die het kamp der vijanden omringden, de slooten, de houten torens, de valbruggen, de poorten, die de legerplaats beschermden en keerde daarna, laat in den nacht, met gebalde vuisten en fonkelende oogen huiswaarts. Verscheidene malen riep hij de inwoners zijner landstreek heimelijk bij elkander, sprak hun over de verloren vrijheid en, toen hij, in aller hart, het vuur der wraak had doen ontvlammen en de hoop op verlossing had doen herleven, lokte hij de Romeinsche bezetting uit hare legerplaats en behaalde eene eerste overwinning op den vijand. Weldra vertrok hij naar het land der Aduatieken en, dag en nacht zijn marsch voortzettend, begaf hij zich naar het land der Nerviers, waar hij ook dezen, tot den opstand aanzette en de legerplaats van Cicero, een Romeinsch opperhoofd, aanrandde. Cicero zond in allerhaast boden en brieven naar Caesar, die al spoedig in versnelde marschen het land der Nerviers bereikte, de zijnen verloste en besloot de Eburonen te straffen. Bij den aanvang van den oogsttijd trok de groote veldheer op tegen Ambiorix, wiens onbedreven moed, helaas! niet bestand was tegen de krijgskunst van den grooten Romein. Caesars soldaten staken hutten en hoeven in brand, namen de paarden, het vee, de strijdwagens der Eburonen als krijgsbuit mede. Talrijke inwoners werden gedood, eenigen slaagden er in de groote wouden te bereiken, waar zij, tot in de dichtste struiken, tot in het riet der moerassen werden nagezet. Honger, angst, vermoeidheid doodden hen, die niet door het zwaard der vijanden werden getroffen. Als een wild dier opgejaagd, vluchtte Ambiorix van woud tot woud. Vergezeld van eenige verkleefde ruiters, gelukte het hem, de oevers van den Rijn te bereiken. Langen tijd zwierf hij van de eene woestenij naar de andere en verborg zich in verlaten hutten of ongenaakbare bergkloven. Waarschijnlijk stierf hij, ver van den geboortegrond, alleen, verlaten en diep ongelukkig. In het jaar 50 voor J.-Chr. was heel ons land aan de Romeinen onderworpen. 7.--Twee Eeuwen later. Op een mooien zomerdag stapte een reiziger langs den heirweg, die door ons land, over Tongeren, van Gallie naar Duitschland liep. Hij leunde op een doornenstok; stof bedekte zijnen mantel. De zon had zijne wangen gebruind en twee litteekens doorploegden die. Nu en dan liet de man met welgevallen zijnen blik rusten op het landschap en geleek dan wel iemand, die blij is eene streek weder te zien, die hij voor lange jaren verliet; zulks was hier het geval. Marcus Liberius Victor, zoo heette de reiziger, werd geboren in de omstreken van Aarlen, waar hij tot een frisschen jongeling opgroeide. In zwemmen, jagen, loopen, te paard rijden, was niemand zoo bekwaam als hij; ook werden zijne lichaamskracht, en behendigheid, wijd en zijd geroemd. Op zekeren dag bevond de jongeling zich aan den oever der rivier, toen het dochtertje van een Romeinschen ambtenaar, dat in de nabijheid wandelde, in het water viel en door den stroom werd medegesleept. De jongeling sprong haar na, dook als een visch en bracht het meisje behouden aan wal. De Romeinsche ambtenaar en zijne vrouw waren den redder van hun kind zeer dankbaar en schonken hem hulp en bescherming. Marcus, die toen nog Punto heette, werd soldaat in het Romeinsche leger; hij verliet zijne eenige zuster, eene weduwe, met een lief knaapje, dat pas zes maanden oud was. Punto schonk haar, als aandenken, het mooie gouden kruisje met den fonkelenden rooden steen, dat hij van zijne rijke beschermers had ontvangen. Sedert waren jaren verloopen. Punto had gereisd, gezien, geleerd en zich in Italie en elders als krijgsman onderscheiden. Maar, hoe ver hij ook weg was, hoe hoog hij in aanzien klom, toch verdoofde de liefde tot den geboortegrond in hem niet; integendeel, hij wenschte vurig naar zijn land terug te keeren, zijne zuster, zijn neefje te zien en zijne laatste levensjaren te slijten op dezelfde plaats, waar zijne gelukkige jeugd voorbijvlood. Eene ernstige wonde hem door een vijandelijk krijgsman toegebracht, had hem bijna ten grave gesleept, maar hij herstelde, hoewel langzaam, nam zijn ontslag en reisde naar het verre vaderland. Hij zocht er zijne familieleden op, maar vond ze niet terug; zijne zuster was overleden, haar zoon had de streek verlaten en niemand wist, waarheen hij zich begeven had. Nu werd het den krijgsman treurig te moede; hij had zooveel gereisd, zooveel gezien en gehoord, maar liefde had hij niet gevonden. Hij verliet de schilderachtige geboortestreek en begaf zich op weg naar Tongeren, waar zijne vroegere weldoeners zich hadden gevestigd. In den namiddag bereikte hij eene mooie villa, door tuinen en landerijen omgeven. Een paar slaven stonden voor den ingang en koutten met eenen landman, die door een blonden, forschen jongeling was vergezeld. "Ben ik nog ver van Tongeren" vroeg hun de reiziger? "Nog vier mijlen" luidde het antwoord en de landman, die heel praatziek was, voegde er bij: "Zoo gij wilt, kunnen wij samen een deel van den weg afleggen, want ik woon op eene mijl van de stad. "Hier Vertico", riep hij op norschen toon tot zijn gezel, "draag deze ledige korven en volg ons". Marcus aanvaardde het aanbod van den landman en weldra stapte het tweetal den heirweg op.--Zwijgend, het hoofd ter aarde gebogen, ging Vertico, die de knecht des landmans was, achteraan, terwijl zijn meester aan zijn toevalligen reisgenoot, allerlei inlichtingen gaf, die Marcus hem in het geheel niet vroeg. "Ik bewoon eene hoeve" sprak hij, "ik fok zwijnen, runderen, schapen; mijne vrouw teelt ganzen en eendvogels; dezen morgen leidde ik naar de villa, waar gij mij ontmoettet, een mooi zwart paard, dat ik aan den heer des huizes verkocht...." en hij klopte lachend op zijn welgevulde beugeltasch. Eenige schreden verder bereikten onze reizigers eene woonstede, die, naar het uiterlijke te oordeelen, een herberg was. "Ik heb dorst", sprak de landman, "willen wij hier binnentreden en den beker ledigen op uwe voorspoedige reis?" Marcus bewilligde en, nauwelijks hadden onze mannen in de gelagkamer plaats genomen, of eenige Romeinsche soldaten traden binnen. Zij waren zeer luidruchtig, bestelden eene kruik wijn en vroegen dobbelsteenen aan den waard, die zich haastte aan hun eisch te voldoen. "Wie speelt mede?" vroegen zij luid, en de landman, wiens oogen van verlangen fonkelden, wierp een geldstuk op de tafel. Het lot was hem ongunstig, hij verloor slag op slag. Weldra was zijne beurs ledig, maar het spel ging zijnen gang. "Schei uit" fluisterde hem Marcus in het oor, maar de man schudde halsstarrig het hoofd. "Is de jongeling, die u vergezelt, uw knecht?" vroeg een der soldaten. "Ik zet het geld, dat ik u afwon, tegen hem in, hij is jong en schoon ... een slaaf, die geld waard is...." "Ik ben geen slaaf, hatelijke vreemdeling" klonk het opeens uit Vertico's mond, terwijl hij dreigend opsprong en de kloeke vuisten balde. "Dat zullen wij zien!" riepen de soldaten en trokken hun zwaard uit de scheede. Marcus ook was opgesprongen. "Wie dezen jongeling aanraakt, klaag ik te Tongeren bij den bevelhebber aan!" sprak hij met krachtige stem, terwijl hij zich fier en gebiedend in het midden der soldaten plaatste. Maar nauwelijks was de eerste indruk van verbazing voorbij of een der soldaten hernam spottend: "Wie zijt gij, vreemdeling, die ons Romeinen, als nietige slaven toespreekt?"--"In het land mijner vaderen heet ik Punto, maar in het Romeinsch leger, waar ik Hoofdman[2] was noemde men mij Marcus Liberius Victor". De soldaten stoven verschrikt uiteen; Marcus nam zijnen geldbuidel, wierp eenige geldstukken voor de voeten van den verbluften landman en sprak tot dezen: "Ziedaar de losprijs voor uwen dienaar.--Volg mij, jongeling," zeide hij tot Vertico en beiden verlieten zwijgend de herberg. Weldra sprak de jongeling met tranen in de oogen: "Ik ben u wel dankbaar, goede heer," doch Marcus viel hem in de rede: "Daar zoo even beweerdet gij geen slaaf maar een vrij man te zijn, uw kernachtig antwoord beviel mij, zeg jongeling, hoe kwaamt gij in dienst bij uwen meester?" "Ik ben een wees," sprak Vertico, "en werd geboren in de omstreken van Aarlen; mijn vader heb ik nooit gekend en mijne moeder stierf toen ik twaalf jaar oud was. Een vriend en buurman huurde mij als veehoeder, maar toen ook hij na eenige maanden stierf, begaf ik mij naar Tongeren, waar ik hoopte brood en bezigheid te vinden. Daar ontmoette ik mijn vorigen meester, bij wien ik veel te lijden had, want de man is aan drank en spel verslaafd." Marcus dacht onwillekeurig aan zijne zuster, en aan haren zoon, dien hij niet had wedergevonden. "Hadt gij geene nabestaanden, die voor u zorgen of u met raad en daad konden bijstaan?" vroeg hij peinzend. "Toen ik een kind was," antwoordde Vertico, "vertelde moeder mij dikwijls van mijn oom, die soldaat was in Italie. Moeder zeide, dat hij goed, krachtig en verstandig was. Hij heette Punto...." "Bezit gij niets, dat uwe moeder of uwen oom toebehoorde?" vroeg Marcus met van hoop kloppend hart. "Ja toch" antwoordde Vertico "eer oom vertrok, schonk hij moeder een gouden kruisje met rooden steen, het was een kleinood van waarde, dat ik, hoe nijpend de nood ook was, niet verkoopen wilde, uit eerbied voor den afwezige...." "Toon mij dat kruisje!" sprak de soldaat, die tranen in de oogen kreeg. "Sedert jaren draag ik het op het hart," sprak de jongeling met zachte stem, "ik smeek u, heer krijgsoverste, neem het mij niet af," en hij haalde het kleinood van onder zijn kleed te voorschijn. Bevend van ontroering nam Marcus het kruisje in de hand, herkende het en vroeg, als wilde hij een laatsten twijfel uit zijn hart wegnemen: "Hoe heette uwe moeder?" "Pruscia" stamelde de jongeling en zag tot zijn weldoener op "zij had bruine oogen en golvende haarlokken als gij. Ik weet niet waarom, heer Hoofdman, maar uw gelaat herinnert mij aan dat mijner arme moeder." "Ik ben uw oom, Vertico," besloot Marcus. "Hoe gelukkig ben ik u weder te vinden! Wij zullen elkander niet meer verlaten, naar onze geboortestreek terugkeeren en, als vader en zoon, vreedzame jaren slijten." 8.--De Romeinsche Overheersching. "Wie toch hadden, hier te lande, door wouden, moerassen en heiden, die breede heirwegen aangelegd, die wij in het voorgaande verhaal leerden kennen?"--Dat waren de Romeinen.--Wel is waar deden zij zulks niet uit genegenheid voor de inwoners, maar wel opdat de krijgslieden, langs die wegen, gemakkelijk van de eene plaats naar de andere konden gaan en zij heel dikwijls paarden, wagens, oorlogstuig, voeder en voedsel moesten vervoeren. Het aanleggen dier wegen was eene weldaad voor de bevolking; de menschen kwamen meer dan vroeger met elkander in aanraking, kooplieden uit het Zuiden en elders brachten onzen voorouders allerlei zaken, waarvan deze eenvoudige lieden vroeger geen denkbeeld hadden. Hier en daar bouwden de Romeinsche ambtenaars villa's of lusthuizen, die weelderig ingericht en van tuinen, boom-en wijngaarden omgeven waren. Verscheiden vroeger onbekende voedings-en sierplanten, ooftboomen, zelfs diersoorten werden hier ingevoerd; de bevolking groeide aan, de menschen weefden wollen mantels, lijnwaad, zonden ganzen en hammen naar Italie en leerden tichels en vaatwerk bakken, glas en glazuur vervaardigen. De landbouw ontwikkelde zich vooral in het vruchtbare Haspengouw. Tongeren en Doornik zijn de vroegst bekende steden van ons land, dat, voor handel en nijverheid, zeer voordeelig gelegen was, tusschen Gallie en Germanie. 9.--De Romeinsche Villa. Gedurende de III^{de} eeuw onzer jaartelling, woonden niet ver van Borgworm, op eene mooie villa een rijk Romeinsch grondeigenaar en zijne eenige dochter Liberia. Het meisje, dat door haren vader werd aangebeden, was haar achttienden jaar ingetreden en, ten einde deze blijde gebeurtenis op waardige wijze te vieren, had de rijke Romein zijne talrijke vrienden aan een heerlijk gastmaal genoodigd. [Illustration: Romeinsche villa.] De villa was daartoe bijzonder geschikt: kostbare zijden behangsels scheidden de verschillende zalen van elkander, overal stonden zachte bedden, met kussens bedekt of met tapijtwerk behangen. Op de tafels prijkten zilveren en gouden schalen vol zeldzame en fijne vruchten en talrijke slaven en slavinnen, dragende fraaie kruiken, goten parelenden wijn in kristallen roemers en drinkschalen. De gasten, in rijke kleederen gehuld, met bloemen en juweelen versierd, hielden zich met muziek, dans en spel onledig, toen plotseling, de algemeene vreugde door eene schrikwekkende tijding werd gestoord. "De Barbaren zijn in aantocht," riep een dienaar, die hijgend en bezweet de kamer binnenstormde. "Uren in den omtrek, hebben zij alles geplunderd en verwoest! Laten we op tegenweer bedacht zijn! Ze zijn hier dichtbij, op het terras kan men ze, in eene wolk van stof gehuld, zien naderen." De aanwezigen waren door schrik als verlamd. Liberia en hare gezellinnen klaagden en weenden luid, de mannen zagen elkander in stomme vertwijfeling aan. "Te laat! wij zijn overrompeld!" gilde eensklaps een toesnellend dienaar en inderdaad, paardengetrappel, wapengekletter weerklonk, woeste mannen met sombere aangezichten, stoven de woning binnen. "Wij eischen voeder voor onze paarden, vleesch voor onze mannen!" schreeuwden zij in eene ruwe, vreemde taal, die geen der aanwezigen verstond en, toen de eigenaar der villa, door gebaren te kennen gaf, dat hij hen niet begreep, toen enkele der aanwezigen, genoodigden en slaven, met wapens verschenen, stormden de aanvallers door de prachtige vertrekken, scheurden de zijden behangsels af en sloegen het kostbare vaatwerk stuk. Nu werd men handgemeen; wie dapper was verdedigde zijn leven of dat zijner vrienden of meesters, wie bang was vluchtte voor de woeste aanvallers, die juweelen, muntstukken, kunstwerken roofden ... en, toen de bleeke maan haar zilveren licht over de aarde goot, waren al de bewoners der villa gevlucht, gewond of gedood. Liberia's dienaressen hadden hare meesteres behouden in een naburig bosch gebracht en de vader van het vroeger zoo gelukkige meisje, lag stervend op de kille steenen zijner voormalige feestzaal. De Barbaren stalden hunne paarden in de prachtige kamers der villa; zij slachtten het vee, dat zij in de stallen aantroffen en, daar zij niet aanstonds hout vonden, stapelden zij de kostbare meubels opeen, staken ze in brand en vormden aldus een haard, waarop zij het vleesch braadden der gedoode dieren, dat hun tot avondmaal verstrekte. 10.--Invallen der Barbaren. Voorgaand verhaal zegt ons genoeg, dat de Romeinen, de onverwinnelijke krijgslieden niet meer waren, die ten tijde van Boduognat en Ambiorix ons land overmeesterden. Langzamerhand lieten zij zich door weelde en gemakzucht verleiden en hechtten meer waarde aan feesten en uitspattingen, dan aan de verdediging van hun uitgestrekt rijk. Tot in de V^{de} eeuw bleven zij meester over ons land, maar konden niet beletten dat herhaalde malen vreemde volksstammen naar hier kwamen en groote onheilen in ons land aanrichtten. Onze voorouders beleefden een bang en treurig tijdvak van rampen en algemeene ellende. De binnendringende of voorbijtrekkende volkeren plunderden villa's, dorpen, steden, de verschrikte inwoners begroeven hunne schatten in den grond; maar velen werden gedood voor zij die weer konden opgraven. Op onze dagen nog, haalt men niet zelden, vooral langs de vroegere Romeinsche heirwegen, kruiken en potten vol muntstukken uit den grond. Zij wijzen ons den weg, door de binnendringende volksstammen gevolgd, terwijl het jaartal, dat in de muntstukken is gegrift, de oudheidkundigen bekend maakt met het tijdvak, waarin de invallen plaats grepen. De ellende was zoo groot, dat er handen te weinig waren om den grond te bebouwen, graan te zaaien en voor het vee te zorgen. Niet zelden moesten de Romeinen aan indringende volksstammen toelaten, zich als landbouwers of kolonisten te vestigen in de verlaten vlakten, waar vroeger Eburonen, Nerviers, Menapiers woonden. Wie die stammen waren, hoe zij leefden, wat zij tot stand brachten, zal het volgende verhaal u duidelijk maken. 11.--Een Frankische Knaap. Edo was vijftien jaar oud en bewoonde omstreeks de vijfde eeuw onzer jaartelling met zijne ouders en zusters, eene hofstede, die aan den oever der Schelde was gelegen. Hij was een gezonde, forsche knaap, met lange, blonde haarlokken en helderblauwe oogen, die hoopvol en stout, de wijde wereld inkeken. Vrij als een veulen sleet hij zijne levensdagen op het land, in de uitgestrekte, gezonde natuur. 's Zomers vermeide hij zich in de weiden, die zijne geboorteplaats omringden, reed te paard, baadde zich in de rivier of luisterde, gezeten in de schaduw van eeuwenoude boomen, naar de tooververhalen en sprookjes, die Bertha en Reinilde, zijne zusters, hem mededeelden. 's Winters vergezelde hij vader, ooms en neven op de jacht en achtervolgde uren lang, reebok of hert, wolf of everzwijn. Edo leerde met de wapens omgaan en wenschte vurig op te groeien tot een krachtig man, die alle andere in vlugheid en behendigheid zou overtreffen. Zijne moeder, eene krachtige vrouw, deelde in dat verlangen: "Mijn zoon" sprak zij, "weldra zal ik u de framei[3] schenken, waarmede uw grootvader tegen de vijanden van ons volk te velde trok en u zijn veelkleurig schild aan den arm hangen." "Ik geef u mijne francisca[4], mijn kostbaren halsband en fraaien mantelhaak" zeide de vader. "Wij weven u een prachtigen, gekleurden mantel" voltooiden Bertha en Reinhilde, want zij waren fier op haar jongen broeder. Op zekeren avond was de geheele familie in de woonhalle vergaderd, de koeien loeiden in de stallen, die aan het huis paalden, de groote hond liep van Reinilde naar Bertha en een knetterend vuur brandde in den haard. Men zong aloude krijgsliederen, men dronk schuimend bier en vader verhaalde de roemrijke daden van Walther, den voorvader en held der familie, die zich met andere Franken aan de oevers der Schelde gevestigd had. Edo luisterde met aandacht en 's nachts droomde hij heerlijk: Prachtig uitgedoscht, van schitterende wapens voorzien, trok hij, op een brieschend paard gezeten, ten oorlog. Hij zong woeste krijgsliederen, versloeg honderden vijanden en weerde met zijn schild, de slagen der vreemde krijgslieden af. Maar zie! daar stiet een vijand hem op het onverwachts zijne speer in de borst. Edo viel badend in zijn bloed neder, hij sloot de oogen en dacht te sterven, toen ... o wonder! eene sneeuwwitte zwaan hem opnam en hem naar het Walhalla[5] voerde, tot vlak voor den troon van Odin, den oorlogsgod. Odin begroette den jongen held met minzaamheid en sprak: "Mijn zoon, gij zijt waardig in mijn gevolg opgenomen te worden; hier, in mijn godenverblijf, onder mijne leiding, zult gij uwe krijgsopvoeding voltooien. Later zult gij mij vergezellen als ik tegen de reuzen te velde trek...." Edo ontwaakte en eenige jaren later werd zijn droom gedeeltelijk verwezenlijkt. Met de Franken rukte hij naar het Zuiden en onder aanvoering van vorst Hlodio bereikte hij de stad Doornik. Hier vielen de Franken de Romeinen aan, overwonnen hen, namen Kamerijk en Atrecht in, bereikten de oevers der Somme en zetten zegevierend hunne tochten voort. 12.--De Franken. [Illustration: Frankisch opperhoofd.] Willen wij trachten aan 't voorgaand verhaal eenige geschiedkundige gebeurtenis vast te knoopen? 's Avonds bij het knetterend haardvuur gezeten, verhaalt Edo's vader de heldendaden zijner voorouders, die, van de Romeinen verlof kregen zich als landbouwers of kolonisten in Toxandrie (de Kempen) te vestigen. Van de Kempen richtten zij zich naar de oevers van Lei en Schelde, naar de vruchtbare gouwen van Midden-Belgie. Het Zuid-Oosten van ons land was, met zijne dichte wouden, hun geruimen tijd ontoegankelijk, terwijl de Ardennen met hunne naakte bergtoppen en met bosch begroeide hellingen, hen weinig aanlokten. De Franken bezaten toen nog geene steden, maar leefden op het land, in hoeven, met moestuinen, ooftboomen, grasperken. Die hoeven waren door hooge hagen ingesloten en voorzien van stallen voor paarden en vee, bergplaatsen voor hooi, stroo, graan. Dunkt u niet, dat deze hoeven, in vele opzichten, op de hoeven onzer hedendaagsche Vlaamsche boeren geleken? De woningen der Franken waren wel is waar van hout, maar koningen en opperhoofden bezaten soms wel een steenen huis "sale, seele, halle" genaamd. [Illustration: Frankische vrouw.] Vandaar Swevezele in West-Vlaanderen, Herzele in Oost-Vlaanderen, Liezele in de provincie Antwerpen, Wilzele in Brabant. Nog andere plaatsnamen vooral in Laag-en Midden-Belgie, herinneren ons aan de Franken: Bornhem[6] bij de stad Mechelen, Cureghem in Brabant, Lovendeghem, Sotteghem in Oost-Vlaanderen, Anseghem bij Kortrijk in West-Vlaanderen, enz. De Franken hadden koningen; de oudste, die de geschiedenis ons leert kennen is Hlodio, die het land van Doornik en dat van Kamerijk innam. Later trof men ook Frankische koningen aan te Keulen, en te Tongeren. Herinnert gij u dat Edo's vader, ja zelfs zijne moeder hunnen zoon schoone wapens beloofden? Onder de Franken waren uitmuntende smeden, ook vervaardigden zij juweelen en aarden vaatwerk. Niet zelden ontdekt men, in onze dagen, in ons land, Frankische graven, waarin wapens, juweelen en andere voorwerpen gevonden worden. Men bewaart die in musea. Het museum van Brussel is rijk aan voorwerpen uit het Frankisch tijdvak. Het volgende verhaal zal u de Franken nog beter leeren kennen. 13.--Grimbald en Bertolf. "Neen Grimbald" sprak Bertolf tot zijn rijken buurman, "neen, mijn paard wil ik u niet verkoopen. Ik zelf richtte het af, verleden zomer nog voerde het mij ten strijde en hielp mij de vijanden van ons volk overwinnen, het werd mij een trouwe vriend, van wien ik niet meer scheiden kan." Grimbalds gelaat werd somber. De man was jaloersch op Bertolf die, ofschoon veel armer dan hij, door elkeen werd gewaardeerd om zijn aangenaam karakter, zijne bekwaamheid. Bertolf was een uitmuntend landbouwer, een bedreven jager, een flink ruiter die, sedert hij met zijn schrander paard, den onverwinnelijken Sleipnir, te velde trok, zelfs door graven en andere hooggeplaatste lieden, met achting werd bejegend. Grimbald was rijk, hij bezat schoon huisraad, mooie runderen, talrijke zwijnen, maar de menschen hielden niet van hem; hij was boosaardig, wraakzuchtig en had zich, in meer dan een geval, op wreede en hartlooze wijze gedragen. Somber en dreigend verliet hij de woning van Bertolf en niet zoodra was hij de haag voorbij of hij balde de vuisten en grinnikte spottend: "Die weigering zult gij mij duur betalen!" Hij verzonk in gepeinzen, bereikte het elzenboschje, dat aan den oever der beek gelegen was, verborg zich in het struikgewas en hield zich stil als de boschkat, die de duisternis afwacht om hare prooi aan te vallen. Langzaam, zeer langzaam spreidde de nacht haar floers over het aardrijk; tot driemaal toe hief de boschuil zijn onheilspelend gefluit aan. Grimbald verliet zijne schuilplaats en keerde naar Bertolfs woning terug. Hij brak door de haag, kroop op handen en voeten naar den paardestal.... Eenige tijd verliep en als een moordenaar sloop hij naar het elzenboschje terug. Plotseling drong de maan door de duisternis en wierp haar weifelend licht op den boosdoener. Hij bemerkte twee mannen, die onbeweeglijk en sprakeloos, in den stillen zomernacht, aan den oever der beek zaten te visschen. Grimbald schrikte en, als ontwaakte zijn geweten, vluchtte hij, over weiden en velden, over heggen en struiken, in de richting zijner woning. De visschers echter hadden den man bemerkt; zij ook schrikten, maar zeiden: "Wat kwaad bedreef de man, die als een laffe moordenaar van hier wegvlucht?" Niet langer echter dachten zij over het gebeurde na; zij hernamen hunne bezigheid en, zoodra het eerste morgenrood het Oosten kleurde, begaven zij zich naar de hoeve van Bertolf. "Wij zullen onzen vader met onze mooie vangst verrassen" zeiden zij onderweg, want het waren Bertolfs zoons. Het was klaar dag toen zij aan de houten deur der woonhalle klopten en hun vader, die altijd vroeg op de been was, opende. Hij was bleek en beefde aan al zijne leden. De jongelingen schrikten: "Een ijselijke moord is hier dezen nacht gepleegd," sprak Bertolf met sidderende stem: "Mijn edel paard ligt dood, badend in zijn bloed. Het mes eens moordenaars heeft het arme dier doorstoken en de misdaad werd een paar uren geleden gepleegd. Komt kinderen, vergezelt mij naar het tooneel der slachting." Sprakeloos volgden de zoons hun bedroefden vader. In den stal lag de arme Sleipnir levenloos op den grond; de kloeke Bertolf, de oorlogsheld, weende als een kind. Hij boog zich over het doode lichaam en, als wilde hij het arme dier tot het leven terugroepen, streek hij snikkend zijne ruwe hand over de gitzwarte manen van het slachtoffer. De zoons trachtten hunnen vader te troosten en ... juist toen de jongste hem wilde naderen, struikelde hij over een voorwerp, dat op den grond lag. Hij raapte het op, beschouwde het eene wijl en sprak binnensmonds: "Een mantelhaak! een kostbare mantelhaak! Vader, wien behoort dat voorwerp?" vroeg hij toen. Bertolf nam den mantelhaak in de hand, bezag hem aandachtig en riep: "Dit voorwerp behoort den rijken Grimbald! Gister avond bood hij het mij met andere kostbare voorwerpen aan, in ruiling voor mijn armen Sleipnir." De zoons keken elkander aan en na eene poos sprak de oudste: "Dezen nacht vluchtte Grimbald als een gemeene dief door het elzenboschje. Mijn broeder en ik herkenden hem duidelijk. Hij is de moordenaar. Waarschijnlijk pleegde hij zijne laffe daad in haast en gejaagdheid en bemerkte niet, dat hij in den stal, zijn mantelhaak verloor. "Die booswicht! die moordenaar!" kreet Bertolf "hij zal boeten voor zijne laffe daad" en, van toorn blakend, verliet hij den stal, gevolgd door zijne beide zoons. 14.--De Salische Wet.[7] Wat stond den armen, bedroefden Bertolf thans te doen? Zich wreken op Grimbald? Hem aanvallen, bevechten, dooden? Dat kon niet! De Franken waren geene wilden; zij hadden gebruiken, wetten, rechters en voor deze laatsten zou Bertolf den moordenaar dagen. Nog bij de Franken der V^{de} eeuw werd de rechtspleging uitgeoefend door vrije mannen, onder voorzitterschap van een gekozen of erfelijk hoofd. Deze rechtbank echter zetelde niet zoo als bij ons in een huis of paleis, maar in de open lucht, in een bosch of onder een alleen staanden boom. Een in den grond bevestigd schild, duidde de plechtigheid der vergadering aan en een kring, gevormd door een gespannen koord, scheidde de rechtsprekenden van de menigte. Binnen den kring waren scarnen of banken geplaatst, meestal vier, voor den voorzitter en zijne bijzitters, voor den aanklager, voor den beschuldigde. Verstaat gij thans, waarom men heden nog zegt: iemand voor de vierschaar (vier scarnen) dagen? Grimbald, de lafhartige werd veroordeeld tot het betalen eener aanzienlijke geldboete. Een deel der boete, het weergeld, kwam aan Bertolf, een ander deel, het vredegeld, werd in de schatkist gestort. Waren de gebruiken der Franken opgeteekend of geschreven? In den beginne natuurlijk niet, doch later, toen zij zich in ons land vestigden en met de Romeinen in aanraking kwamen, lieten zij door geleerde mannen het oude volksrecht opteekenen. Men noemt het: de Salische Wet. 15.--Van een Koning en eene Prinses. Het kan meer dan duizend jaren geleden zijn, dat in een ver land, eene prinses leefde, die zeer ongelukkig was. Haar vader was dood, vermoord, zegde men, door haren oom, die een boos mensch was. De arme prinses had veel verdriet en weende bitter, en haar booze oom gebood haar de stad Geneve te gaan bewonen. Daar leerden de menschen haar weldra liefhebben; want, zij was zacht en schoon en hielp de arme lieden, zooveel zij maar kon. Zulks vernam een machtig koning, die, aan het hoofd zijner krijgslieden, groote overwinningen had behaald. Zijne gezanten vertelden hem zooveel goeds van de prinses, dat hij wenschte haar tot vrouw te nemen. Dit voornemen deelde hij mede aan zijnen vriend en vertrouweling, Aurelius. Hij verzocht hem zich in het geheim naar Geneve te begeven en er zijn verlangen aan de prinses bekend te maken. De vriend begaf zich op weg en nam den ring zijns meesters mede, maar, ten einde geen argwaan op te wekken, kleedde hij zich als bedelaar. Den staf in de hand en den knapzak op den rug, bereikte hij de woning der prinses, die, zeer gastvrij zijnde, den vreemdeling in hare woning opnam. Terwijl zij hem, in tegenwoordigheid harer dienaressen, de voeten wiesch, sprak hij met gedempte stem: "Jonkvrouw, ik wensch met u een onderhoud te hebben." De prinses deed alsof zij den bedelaar niet hoorde, maar 's avonds het zij hem roepen en vroeg wat hij verlangde. "Jonkvrouw," sprak hij, "de koning, mijn meester, zendt mij tot u, hij wenschte u, naast zich, als koningin op den troon te plaatsen en gaf mij, als bewijs zijner vereering, dezen prachtigen ring voor u mede." [Illustration: Gallie] De prinses, zeer gevleid over het aanbod des konings, aanvaardde den ring en antwoordde: "Ik schenk u eene beurs met honderd goudstukken, doch verzoek u aanstonds tot uwen meester weder te keeren. Zeg hem, dat hij zonder uitstel gezanten zende naar mijnen oom om zijne toestemming tot ons huwelijk te vragen. Dat hij niet drale; want, als Aridius, de raadsheer van mijnen oom voor dien tijd uit Konstantinopel terugkeert, dan zal hij hem tot weigeren aanzetten. Aurelius vertrok, maar toen hij Orleans, zijne verblijfplaats, naderde, ontmoette hij een bedelaar, die hem een eind weegs vergezelde. Aurelius was moede en legde zich onder eenen boom te slapen, en ondertusschen stal de bedelaar de beurs met de honderd goudstukken der prinses. Aurelius ontwaakte, bemerkte den diefstal, spoedde zich huiswaarts en gelastte zijnen dienaren den dief na te zetten. Zij achterhaalden en brachten hem voor hunnen meester, die den ontrouwen reisgenoot drie dagen lang stokslagen liet geven en hem daarna losliet. Nu spoedde Aurelius zich tot zijnen heer en koning en gaf hem verslag van zijne reis. De koning zond gezanten naar den oom der prinses, om hem de hand zijner nicht te vragen. De oom durfde niet weigeren en gaf zijne toestemming tot het huwelijk. De prinses pakte hare juweelen en andere kostbaarheden bijeen, steeg in eene draagkoets en begaf zich met de gezanten op weg naar den koning. Na een paar uren echter zeide zij tot hare geleiders: "Wij reizen veel te langzaam, ik verkies uit de draagkoets te stappen en den weg te paard af te leggen." De gezanten voldeden aan den wil der prinses en dat was zeer gelukkig; want, Aridius, van zijne reis naar Konstantinopel teruggekeerd, en het gebeurde vernemende, sprak tot den oom: "Gij handeldet verkeerd, niet zoodra zal uwe nicht eene machtige koningin wezen, of zij zal wraak nemen over den dood haars vaders en u den oorlog verklaren. Zend haar zonder uitstel krijgslieden achterna, met bevel haar hier terug te brengen." En, de oom, deed zooals Aridius zeide. De krijgslieden vertrokken, maar onderweg vonden zij enkel de ledige draagkoets, met den schat van de prinses. Deze laatste had, na eene voorspoedige reis, het land van den vreemden koning bereikt. Hier trad zij met hem in het huwelijk en leefde lang en gelukkig. 16.--Hlodwig en Clotildis. "Jammer" zegt een mijner lezers, "dat voorgaand verhaal een sprookje, en in werkelijkheid niet gebeurd is." Een grond van waarheid echter bevat het; want, onze prinses heette Clotildis, leefde in de V^{de} eeuw onzer tijdrekening en haar oom was de koning der Burgonden[8]. De koning, die haar tot vrouw nam, was Hlodwig, beroemde Frankische vorst. Deze had het rijk der Franken aanmerkelijk uitgebreid. Door list of geweld overwon hij de koningen van Tongeren en Kamerijk, verder den romein Siagrius en breidde zijn rijksgebied uit tot aan de Loire, in Frankrijk. Burgonden en Franken leefden niet altijd op vredelievenden voet met elkander, daarbij was de V^{de} eeuw een tijd van ruw geweld, oorlog en tweedracht. Niet zelden werden in Gallie de oogsten vernield door ruwe krijgslieden, die akkers en wijngaarden vertrapten, kudden roofdden en menschen wondden en doodden. In dien tijd waren de meeste Franken nog heidenen, maar in Gallie trof men talrijke christenen aan. In de V^{de} eeuw reeds waren hunne bisschoppen invloedrijke personen, die door prinsen en koningen werden geeerbiedigd. Een der beroemdste is Remigius, bisschop van Reims. Clotildis was eene christin. Haar gemaal Hlodwig behaalde roemrijke overwinningen in Gallie, en versloeg de Romeinen en Alemannen (496). De zachtzinnige Clotildis had grooten invloed op Hlodwig. Na zijne overwinning op de Alemannen verzaakte hij de goden van zijn volk en besloot Christen te worden. In 497 werd de vorst gedoopt te Reims, eene zeer oude Gallische stad, waar de plechtigheid van den doop des konings met ongemeenen luister gepaard ging. Geschiedschrijvers verhalen, dat de straten van Reims prachtig waren versierd, dat kostbare behangsels de gevels der huizen bedekten en gouden en zilveren wierookvaten in de kerken geurden. Een aanzienlijke stoet begeleidde den koning naar de hoofdkerk; hij was omringd door zijne familieleden, vergezeld van den bisschop Remigius en gevolgd door eene schaar priesters in sneeuwwit gewaad, die lofliederen ter eere Gods aanhieven. De bekeering van Hlodwig was de gewichtigste gebeurtenis van dien tijd. Hlodwig breidde zijn rijk aanmerkelijk uit. Hij overwon de Westgothen, bij Poitiers en maakte zich meester van zuidelijk Gallie tot aan de Pyreneeen. Hij stierf in 511. 17.--Amandus. Toen, in de VII^{de} eeuw, Dagobert, een afstammeling van Hlodwig regeerde, leefde in Aquitanie[9] een zeer rijk paar, dat maar een zoon had, Amandus genaamd. Dien jongen lieten de ouders in den Christelijken godsdienst opvoeden en in alle toen bekende wetenschappen onderwijzen. Amandus groeide op tot een zeer ontwikkeld en geleerd man en mocht hopen in zijn geboorteland tot hooge waardigheden op te klimmen. Hij begeerde echter eer noch roem en besloot Christen zendeling te worden. Hij reisde naar de oevers der Schelde, waar de inwoners aan den Germaanschen godsdienst getrouw waren gebleven. Vergezeld van enkele geloofsgenooten bereikte hij de plaats, waar Lei en Schelde samenvloeien, ongeveer waar zich heden de stad Gent bevindt. In dien tijd echter was de landstreek woest en bar, en de inwoners namen tegenover Amandus eene vijandige, zelfs dreigende houding aan. Zulks schrikte zijne vrienden af; zij verlieten hem, op twee na, die noch voor ontberingen, noch voor bedreigingen terugdeinsden. Langzaam, zeer langzaam, verminderde het wantrouwen der bevolking. Eenige, en later een groot aantal menschen bekeerden zich tot den nieuwen godsdienst. Omstreeks het jaar 631 bouwde Amandus eene kerk, die heel waarschijnlijk van hout was, een kegelvormig dak bezat en met stroo was gedekt. Rondom deze kerk vestigden zich geloovigen, leerlingen en volgelingen van Amandus. Dit was de oorsprong der abdij van Sint Bavo. Waarom zij aldus werd genoemd, zult gij in het volgend verhaal vernemen. 18.--Sint Bavo. In Haspengouw woonde toen een zeer rijk en voornaam heer, Bavo genaamd. Met vorsten was hij verwant en hij leefde gedurende langen tijd enkel voor wereldsche genoegens. [Illustration: Doopkapel van Sint Macharius (1179), in de abdij van Sint Bavo.] Het voorbeeld van enkele zijner familieleden en vooral dat van Amandus bracht hem tot inkeer. Bavo besloot zijn leven aan den godsdienst te wijden. Hij deed afstand van weelde en wereldsche genoegens, onderscheidde zich door zijne milddadigheid en toefde geruimen tijd in de abdij, gesticht door Amandus. Hij schonk haar rijkdommen en uitgestrekte landerijen. Na zijnen dood, in 654, werd de abdij naar zijnen naam genoemd. Vele rijke mannen en vrouwen schonken, in navolging van Bavo, gronden, bosschen, weilanden, vijvers, aan de abdij, die langzamerhand rijk werd. [Illustration: Fragment van een Romaansch klooster.] Weldra was de houten kerk door eenen steenen kerk vervangen; een klooster werd gebouwd waarin zich de cellen der monniken bevonden, talrijke bijgebouwen werden opgetrokken: schoollokalen, molen, brouwerij, smis, werkplaatsen voor handenarbeid, stallingen, schuren. In het omliggende strekten zich tuinen, weiden en boomgaarden uit; want, de monniken bebouwden de velden en ontgonnen de woestenijen. De abdij van Sint Bavo was de eenige niet, die door den heiligen Amandus werd gesticht. Op den Blandinusberg, stichtte hij de Sint Pieters-abdij, die op hare beurt zeer bloeiend werd. Gedurende de VII^{de} eeuw werden op verscheidene plaatsen van ons land, vrouwen-en mannenkloosters gesticht, in wier nabijheid zich niet zelden landbouwers en ambachtslieden vestigden. Verscheidene dorpen en steden hebben aan abdijen hun ontstaan, hunne ontwikkeling of hunnen bloei te danken. Bergen, Nijvel, Andenne, S^t Ghislain, Stavelot, Lobbes, Zinik, Fosse, S^t Hubert, Moustier-s/Sambre, Marchienne, Denain. Aan de bekeering onzer voorouders tot den Christelijken godsdienst arbeidden niet alleen Sint Amandus maar ook in het Scheldedal Sint Eligius +659; in het Maasdal, Sint Remaclius +668. In het begin der VIII^e eeuw bekeerden Sint Lambertus en anderen, de laatste heidenen van Kempenland, Brabant, Ardennen. 19.--Het Wandelend Woud. Het was een koude najaarsdag; de zwaluwen waren naar verre streken vertrokken, de wind huilde en plasregens maakten, in het vruchtbare Haspengouw, den vetten kleigrond week en glibberig. In de woonhalle eener groote Frankische villa zaten drie vrouwen, die zich met handwerk onledig hielden. De oudste, eene zestigjarige, droeg eenvoudige grove kleederen en was druk aan het vertellen, terwijl hare twee gezellinnen, mooie jonkvrouwen met zachte, ernstige oogen, zwegen en van tijd tot tijd treurig en als gejaagd, elkander aanstaarden. De oudste vrouw, Machteld, was de dienstmaagd der jonkvrouwen die, naar hare kleeding en manieren te oordeelen, tot eene zeer hooggeplaatste familie behoorden. De oude Machteld ondertusschen vertelde: "Childebert, koning van Austrasie[10], verklaarde den oorlog aan Fredegonde, de booze koningin van Neustrie[11]. Deze stelde zich aan het hoofd van hare krijgslieden, vertrok en bereikte de stad Brennacum[12], waar zij vernam, dat het leger van Childebert talrijk was en haar, op bepaalden dag en uur, slag zou leveren." De booze, doch krachtdadige vrouw, de nederlaag vreezende, verzon eene list: "Dezen nacht" sprak zij tot hare krijgslieden, "zullen wij onzen tocht voortzetten; gij moet brandende fakkels aansteken, groene takken van de boomen hakken, die medenemen en schelletjes vastmaken aan den hals der paarden. Bij het krieken van den dag zullen wij onze vijanden aanvallen en ze gemakkelijk overwinnen." En de krijgslieden volbrachten het bevel der koningin. Met hunne lange zwaarden hakten zij de groene takken der boomen af, hingen rinkelende belletjes aan den hals hunner paarden en, toen zij, na dezen arbeid oprukten, vormden zij een wandelend woud dat, van de helling der heuvels in de vlakte afdaalde. Een schildknaap in het kamp van Childebert zeide: "Wat wonder gebeurt hier! Een woud verrijst op de plaats waar zich gisteren nog naakte velden uitstrekten!"--Zijn aangesproken gezel lachte en antwoordde: Slaapt of droomt gij? Hoort gij de schelletjes niet onzer paarden, die hier dichtbij aan het grazen zijn?" Maar de soldaten van Fredegonde bliezen op hunne oorlogstrompetten, vielen de Austrasiers aan, doodden er velen en joegen de anderen op de vlucht. Zegevierend zette Fredegonde haren tocht voort tot aan Reims, en plunderde de heele landstreek...." Hier onderbrak Begga het verhaal van Machteld en sprak: "Altijd oorlog, altijd bloed en moord!" waarop Geertrui, hare zuster, vervolgde: "Staak uw verhaal, Machteld", het stemt mij al te droevig. De ooievaars zijn vertrokken, de wegen zijn slecht en onveilig en onze vader, Pepijn, die in het voorjaar tegen de Friezen[13] te velde trok, is nog niet teruggekeerd." De oude Machteld schudde het hoofd en sprak vastberaden: "Uw heer vader, jonkvrouwen, zal niet lang meer toeven. Hij is niet alleen de beste mensch maar ook de meest bedreven krijgsman van Austrasie. Geen Fries, hoe dapper ook, is tegen hem opgewassen, Pepijn zal den roem der Franken handhaven en onze gouwen tegen de invallen der vreemde krijgers weten te beschutten." "Mocht gij waarheid spreken" zuchtte Begga. "Gisteren nog heb ik God beloofd dat, zoo mijn vader ongedeerd terugkeert, ik Hem in het hier dichtbij gelegen woud, een fraai bedehuis zal laten oprichten." "En ik beloofde den Heer een kostbaar altaar, dat ik behangen zal met borduursels, eigenhandig door mij vervaardigd," zeide Geertrui. De beide meisjes bogen het hoofd en zwegen, terwijl de getrouwe Machteld, die de treurige jonkvrouwen niet meer storen durfde, zuchtte en de oogen van haar werk niet meer ophief." Eene pijnlijke stilte heerschte in het vertrek, terwijl daarbuiten de wind bedaarde en de regen niet langer nederviel.... Eensklaps weergalmde een krachtig hoorngeschal door de wijde vlakte. De vrouwen sprongen op en riepen met blijde verrassing: "De hertog! onze heer! onze vader is daar!" In hoopvolle verwachting, haastig, hijgend, verlieten zij de woonhalle, gevolgd door eene talrijke schaar dienaars die, evenals zij, het opwekkend hoorngeschal hadden gehoord en den lang verwachten heer en meester wenschten te begroeten. Weldra verscheen hij aan de houten poort der villa, te paard gezeten, de wapens in de hand en gevolgd door eene machtige schaar krijgslieden die, ten teeken van zege, met hunne wapens op hunne schilden sloegen, terwijl de dienaars en dienstmaagden, alsmede de juichende jonkvrouwen in de handen klapten en, uit volle borst "Heil Pepijn! heil onzen hertog!" riepen. 20.--De Zonen van Hlodwig. Na den dood van hunnen vader, in 511, verdeelden de zonen zijn rijk. Zij en hunne afstammelingen breidden de macht der Franken zuidwaarts in Burgondie en oostwaarts in Germanie uit. De zonen en afstammelingen van Hlodwig waren gedurig met elkander in twist. De vertelling van het "Wandelend Woud" herinnert aan die bloedige, vaak gruwelijke worstelingen, tusschen de leden eener zelfde, koninklijke familie. Ten gevolge dier twisten verzwakte het gezag der Frankische koningen aanmerkelijk. Zij bleven niet langer de ruwe, kloeke strijders, die wij vroeger, dorstend naar roem en buit, te velde zagen trekken. Misschien wel ondergingen zij, in Gallie gevestigd, den invloed van het zachte klimaat en den vruchtbaren bodem.... Niet zelden geeft men hun den leelijken naam van "Luie of Vadsige koningen." Of zij dien verdienden zal ik hier niet beslissen. Pepijn, bijgenaamd van Landen, behoorde tot een aanzienlijk geslacht; hij woonde in Haspengouw, waar hij uitgestrekte landgoederen bezat. Die rijkdommen, gij vermoedt het licht, waren van groote beteekenis, bij een volk, dat schier uitsluitend van den landbouw leefde. Evenals andere beroemde vrouwen harer familie onderscheidden Geertrui en Begga zich door hare vroomheid. Begga stichtte de beroemde abdij van Andenne aan de Maas, terwijl de nagedachtenis van Geertrui heden nog te Nijvel in Brabant wordt geeerd. Beide vrouwen werden, na haren dood, door de Kerk heilig verklaard. Wat Pepijn betreft, hij werd, na zijnen roemvollen tocht tegen de Friezen, door koning Lotharius II verheven tot het ambt van Majordomus of hofmeier. Nu was hij de hoogste hof-en staatsdienaar. Hij bestuurde de landgoederen des konings, die zeer talrijk en uitgestrekt waren, en voerde de krijgslieden aan. Die taak was niet gemakkelijk, maar moedig en vastberaden, volbracht hij haar, tot aan zijnen dood, in 647. De zoon van Begga, Pepijn van Herstal bekleedde in 687 de waardigheid van Majordomus. Hij verbeterde het Frankische leger en breidde zijne heerschappij uit over onderscheiden Germaansche volken. Zijn zoon, Karel Martel, werd door zijne overwinning op de Mooren, de redder van de Christenheid. Intusschen was het koningschap der Merovingers[14] zoo onbeduidend geworden, dat de zoon van Karel Martel, Pepijn de Korte (741-768) na de zege te hebben behaald in den strijd tegen deSaksers in Germanie en tegen de Longobarden in Italie, zich niet ontzag den laatsten Merovinger in een klooster te plaatsen en zelf den troon te beklimmen. Dit gebeurde in 752. In het volgende verhaal zullen wij kennis maken met Karel, bijgenaamd den Grooten, den vermaarden zoon van Pepijn. 21.--Van eenen armen, kleinen Zanger en een grooten Keizer. Er was eens een stokoud moedertje, dat, met haren kleinzoon Engel, een tienjarigen knaap, eene kleine, lage hut bewoonde, vlak aan den oever der Schelde, dichtbij de abdij van Sint Bavo, te Gent. Engel had een stemmetje, zoo helder als kristal; de jongen deed dan ook, dag in, dag uit, niets dan zingen. In huis, aan den oever der rivier, in het woud, op de weide, liet hij de eenvoudige volksliederen weerklinken, die herders en herderinnen, knapen en meisjes hem leerden, als zij bloemen plukten of hout sprokkelden. De heeren der abdij kenden Bertilia en haren kleinzoon en, toen de oude vrouw, op zekeren stillen zomeravond voor eeuwig insliep, ontfermden zij zich over de wees en besloten voor zijne opvoeding te zorgen. Zij onderwezen den knaap in het kerkgezang en in de Latijnsche taal en Engel, die vlug van begrip en leerzaam was, werd een uitmuntend kerkzanger. Op zekeren dag had in de abdij van Sint Bavo eene plechtige gebeurtenis plaats. Karel, koning der Franken, keizer van het Westen, die de oevers der Noordzee wilde bezoeken, stapte af in de abdij en genoot in de kerk eene luisterrijke ontvangst. Het bedehuis was met kostbare draperieen behangen; gouden wierookvaten geurden, heerlijke Halleluja's weerklonken. Engel zong ter eer van den vorst eene prachtige hymne die, op al de aanwezigen een diepen indruk maakte en niet het minst op den keizer die, behalve een groot krijgsman en vroom Christen, ook een bewonderaar was van de gewijde toonkunst. Na de plechtigheid liet Karel zich den jongen zanger voorstellen, die hem, om zijn innemend voorkomen en bescheiden manieren, zoo beviel, dat hij besloot Engel naar zijn paleis te zenden, waar hij, onder leiding van Italiaansche meesters, zijne muzikale opleiding voltooien zou. De keizer zette zijne reis voort. De abt, die door Karel met eene dringende zending naar Aken was belast, zou ook den zanger naar de stad geleiden. De keizer had een twintigtal gewapende mannen ter beschikking gesteld van de reizigers, die weldra, vergezeld van een tiental geestelijken en eenige dienstknechten, vertrokken. De reis van Gent naar Aken, die wij heden per spoor, in eenige uren afleggen, duurde in dien tijd verscheidene dagen. De abt volbracht haar, gezeten in eene draagkoets, terwijl de lieden van zijn gevolg te paard, te voet, in wagens, achteraan kwamen of vooraan reden. De tocht was niet eentonig en overal genoten de reizigers het beste onthaal; reeds in den namiddag van den eersten dag, kwam de _Centgraaf_[15] hen te gemoet. Hij begroette den abt en verzocht hem den nacht onder zijn dak te willen doorbrengen. Dit vriendelijk aanbod werd dankbaar aanvaard en 's anderendaags, heel vroeg in den morgen, vertrokken uit de woonhalle van den gastheer twee boden te paard, om de bewoners van een klooster, dat op zes uren afstand lag, te verwittigen, dat de reizigers er tegen den avond zouden aankomen; want, in dien tijd waren kloosters en abdijen de plaatsen, waar reizigers van aanzien, abten, bisschoppen, hertogen, zelfs koningen werden geherbergd. In Haspengouw vertoefden Engel en zijne reisgenooten eenige uren op de villa van eenen graaf, waar hun een groot gastmaal werd aangeboden. Niet ver vandaar bezochten de reizigers een landgoed van den keizer en bewonderden het vernuft van den grooten man die, wat veeteelt en tuinbouw betreft, met groote kennis van zaken handelde. Op zijne domeinen, werden voedingsgewassen en artsenijplanten gekweekt, zelfs meekrap, die tot het verkrijgen van verfstof werd gebezigd. Tal van vruchtboomen, verschillende soorten van appels, peren, pruimen, perziken groeiden in zijne tuinen. Op twee uren afstand van Maastricht ontmoette de karavaan den _Zendgraaf_, een vriend van den abt. Hij was vergezeld van een talrijk gevolg. De _Zendgraaf_ was een aanzienlijk en ervaren man; hij bereisde het Land om overal een wakend oog te houden en de rechten en wetten van den keizer te doen eerbiedigen. Hij bracht zijnen vriend tot aan Maastricht en hier rustte men gedurende een geheelen dag. De stad was toen zeer bloeiend; er lag eene brug over de Maas en talrijke booten beladen met koopwaren, wijn, graan en andere levensmiddelen voeren op den breeden stroom. Engel had in de laatste tien dagen zeer veel gezien en geleerd en nochtans wenschte hij vurig de stad Aken te leeren kennen, en er zijne muzikale opleiding te voltooien. * * * * * Eindelijk braak het lang gewenschte oogenblik aan en onze reizigers mochten de beroemde stad binnentreden. Engel oordeelde haar zeer "prachtig" en stemde ten volle in met de inwoners, die Aken een tweede Rome noemden. Het verkeer was er levendig, men trof er een ruim plein aan met prachtige huizen, bewoond door prinsen en hertogen. De stad was een schouwburg rijk, ook verscheidene badhuizen en een heerlijk paleis, waar Karel niet zelden den winter doorbracht. De abt van Sint Bavo stelde Engel voor aan den Italiaanschen meester, onder wiens leiding de jonge zanger studeeren zou en, eer hij vertrok, sprak hij Engel in dezer voege toe: "Mijn zoon, ik stel vertrouwen in u, werk en studeer naarstig; als ik hier den landdag hoop bij te wonen, wil ik van uwe meesters en van onzen doorluchtigen keizer niets dan goeds over u vernemen." Engel beloofde zijn best te doen; hij studeerde dan ook veel en voldeed dermate zijnen nieuwen meester, dat deze besloot den jongen zanger ter gelegenheid van het verjaringsfeest van de kroning des keizers, in de kapel van het paleis te laten zingen. Karel de Groote van zijne reis teruggekeerd, woonde met zijn gevolg, de kerkelijke plechtigheid bij en, toen Engel zijn gezang aanhief, wist hij er zooveel dankbaar gevoel, zooveel kunst in te leggen, dat al de aanwezigen er door getroffen waren. [Illustration: Mannelijke kleederdracht (IX^e eeuw).] Karel wenschte meester en leerling geluk en besloot den jongen zanger aan zijn hof te verbinden. Schier elken dag zong nu Engel in de kapel van het paleis, een der schoonste bedehuizen der IX^{de} eeuw en leerde meer en meer den grooten man waardeeren, die door zijne tijdgenooten zoo hoog werd geroemd. De keizer was zeer werkzaam; het grootste deel van zijnen tijd wijdde hij aan het welzijn zijner onderdanen. Wel is waar liet hij de verschillende volken, waarover hij regeerde, in het bezit van hunne eigenaardige instellingen en wetten, maar hij trachtte toch eenheid in zijn bestuur te brengen en daartoe vaardigde hij onderscheidene besluiten uit, die men capitularien, noemt. Niet zelden liet hij, na een dag ernstigen arbeid en studie, Engel bij den maaltijd ontbieden om te zingen; als er geene muziek gemaakt werd, deed de vorst zich iets uit de geschiedenis der Oudheid voorlezen, of iets uit de werken van den heiligen Augustinus, dien hij bijzonder hoogschatte. Engel ontmoette aan het hof den geleerden Alcuinus, een Angelsaksischen monnik, ook wel den geschiedschrijver Paulus Diaconus, den taalkundige Pieter van Pisa, Eginhard, die Karels geschiedenis schreef, en anderen meer. De jonge zanger, die wenschte zich te volmaken in de kennis der Latijnsche taal, kreeg verlof van den keizer om de lessen bij te wonen aan de hofschool, waarin de kinderen van den vorst en de zonen der rijksgrooten onderricht ontvingen. [Illustration: Vrouwelijke kleederdracht (IX^e eeuw).] De maand Mei brak aan en de lang gewenschte landdag, waarop Engel den abt van Sint Bavo zou terugzien, naderde. Het hart van den jongeling klopte van blijde verwachting en op den bepaalden dag trok hij, vol ongeduld, voor het krieken van den morgen, de stadspoort uit en zijne weldoeners te gemoet. Wat was er leven en beweging langs den weg! Schilderachtige groepen begaven zich stedewaarts. Krijgslieden met glinsterende wapens en bonte schilden, Zend-en Markgraven, Honderdmannen met talrijk gevolg, gezanten uit vreemde landen in zonderlinge kleederdrachten, bisschoppen in rijke draagkoetsen, donkergetinte zuiderlingen, Saksers van hooge gestalte begaven zich naar het Meiveld, waarop de keizer de Rijksgrooten had bijeengeroepen. Na een half uur gegaan te hebben ontsnapte een vreugdekreet de borst van den zanger. Hij herkende de lieden uit zijn land, de zware paarden uit het Scheldedal, den wagen der abdij van Sint Bavo! Hij verhaastte zijne schreden en o! zalig oogenblik ... hij mocht den waarden abt begroeten, die ondanks zijne hooge jaren, zonder hinder voor zijne gezondheid, den langen weg had afgelegd. Haastig maakte hem Engel bekend met talrijke bijzonderheden over zijn verblijf te Aken, over zijne studien, over den keizer. Na een paar uren verliet hij den eerwaarden heer, die de vergadering op het Meiveld ging bijwonen. Hier werd door den keizer en de grooten beraadslaagd over den toestand des rijks, over het voeren van oorlog, over geschillen; ambtenaren werden aangesteld, nieuwe wetten uitgevaardigd en gehoor verleend aan gezanten van naburige landen. Verscheidene dagen bracht de abt te Aken door en toen keerde hij naar Gent terug, zijn jongen vriend achterlatende, die hem een dankbaar en hartelijk "tot wederzien" toeriep. Helaas! het heerlijk verblijf van Engel te Aken, zou niet lang duren! In 814 stierf de groote keizer en diepbedroefd zong de zanger in de kapel van het paleis, een lijkzang ter eere van den grooten man, dien hij zoo hoogschatte. Engel keerde naar Gent terug, beoefende uitsluitend de gewijde toonkunst en vormde talrijke leerlingen, niet alleen te Gent, maar ook in de Sint Amandusabdij te _Elnone_[16] aan de Schelde, waar hij eindelijk, evenals vroeger zijn moedertje, op hoogen ouderdom, zachtjes insliep.... 22.--Karel de Groote. Het voorgaande verhaal was lang en toch zou ik er nog eenige oogenblikken bij willen stil staan. Ik ben overtuigd, dat de groote keizer,[17] die zich het lot van den armen zanger aantrok, u niet meer onverschillig is. Hij verdient ten volle uwe achting; hij was goed, verstandig, ontwikkeld, werkzaam, beschermde kunstenaars en geleerden en bestuurde zijn uitgestrekt rijk op uitstekende wijze. [Illustration: Hoofdletters van handschriften der VIII^e eeuw.] Weet gij ook, dat hij een groot krijgsman was? Hij bedwong de Saksers, de Lombarden, de Arabieren, de Beierlingen en de Slaven. Ten jare 800 werd hij door den Paus van Rome, tot keizer van het Westen gekroond. Hij zond geestelijken en zendelingen naar Germanie om er de beschaving en het Christendom te verspreiden. Hier te lande, heerschten gedurende zijne lange regeering rust en vrede; onze voorouders woonden in het hartje van Karels rijk. Al wie van het Zuiden, dus van Gallie naar Aken reisde, trok door ons land, dat levendiger en dichter bevolkt was dan vroeger. Landbouw en veeteelt verkeerden in bloeienden toestand, en het bezoek, dat onze vrienden brachten aan de stad Maastricht, leert ons, dat er handel gedreven werd. Op de Schelde, de Maas, den Rijn, de Moezel voeren booten en vlotten; aan de oevers der zee fokte men schapen en de wollen stoffen van ons land werden tot in Midden-Europa verzonden. Onze voorouders dreven handel met Groot-Brittanje en Scandinavie; immers, in Engeland en aan de kusten der Baltische zee heeft men muntstukken der IX^{de} eeuw ontdekt, die hier geslagen werden. Verscheidene bisschoppen en abten van ons vaderland waren vrienden of beschermlingen van den keizer. De geestelijken bestudeerden de fraaie letteren en Karel zond hun de beste meesters; Eginhard bestuurde gedurende eenigen tijd de abdijen van Sint Pieter en Sint Bavo te Gent. In de vrouwenkloosters zaten de geestelijke zusters niet ledig. Te Maeseyck vervaardigden zij prachtig borduurwerk of versierden schoone handschriften met de fraaiste penteekeningen. Overal stichtte men bibliotheken; de scholen van het Sint Amandusklooster te _Elnone_ aan de Schelde verwierven grooten roem onder het bestuur van Hucbald, dichter, geschiedschrijver en de bijzonderste toonkunstenaar der X^{de} eeuw. Hij geeft de eerste berichten over het begin der meerstemmige muziek. Te S^t Amand of _Elnone_ waren Dietsche en Waalsche of Romaansche schrijvers. Ook de scholen van het bisdom Luik waren beroemd. Zij brachten dichters, taalkundigen, kunstenaars voort; bisschop Hartgar deed zich een paleis bouwen versierd met fraai beeldhouwwerk en gekleurde glasruiten. Karel was de grootste man zijner eeuw; zelfs na zijnen dood leefde hij voort in de werken, die hij tot stand bracht en door het voorbeeld, dat hij gaf. 23.--Renier en Albrade. Omtrent het midden der X{de} eeuw leefde in Henegouwen een dappere en geduchte graaf, Renier geheeten. Albrade, zijne vrouw, was een toonbeeld van zachtheid en goedhartigheid. Beiden woonden aan de oevers der Schelde in het midden hunner onderdanen, die hun edelen heer en zijne doorluchtige gade om het zeerst liefhadden. Op zekeren dag verspreidde zich eene schrikwekkende mare door de landstreek. De wreede Noormannen waren in aantocht; onder aanvoering van Rollo, hun wreed opperhoofd, voeren zij de Schelde op, en onder het zingen van woeste krijgsliederen, plunderden zij hoeven, kerken, abdijen, dorpen, steden. Hier verschenen zij, snel als de wind, midden in het gewoel eener jaarmarkt; ginds staken zij de woningen der menschen in brand, doodden al wie zich durfden verzetten, stalen het goud-en zilverwerk der inwoners, de heilige vaten der kerken. "Van de woede der Noormannen, verlos ons Heer"! baden de menschen en weinigen waren er, die tot verdediging durfden overgaan. Tot deze laatsten behoorde Renier: "ik zal mijn volk tot den dood verdedigen", sprak hij vastberaden en Albrade, de zachte, goede Albrade, moedigde hem aan in zijn besluit. Renier verzamelde zijne krijgslieden, doch in stede van een enkelen grooten veldslag te wagen, lokte hij den vijand in hinderlagen en bevocht hem in schermutselingen. [Illustration: Schip der Noormannen.] In eene daarvan nam hij twaalf voorname krijgslieden gevangen. Toen Rollo zulks vernam, ontstak hij in vreeselijke woede, viel Renier aan en nam, na een bloedig gevecht, den dapperen graaf gevangen. In angstvolle verwachting vertoefde Albrade op haren burcht en, toen zij de treurmare vernam, besloot zij alle middelen in het werk te stellen om haren echtgenoot te redden. Zij zond eenen bode naar Rollo met het voorstel hem zijne twaalf krijgslieden tot lossing van graaf Renier terug te zenden, maar de wreede Rollo kende geen medelijden: "Voor morgen", antwoordde hij "eisch ik de gevangen krijgslieden terug, en daarbij al het goud en zilver van de abdijen dezer streek." Albrade zond aan Rollo de twaalf gevangenen, daarbij eenen wagen vol goud en kostbaarheden. Maar de wreedaard wilde meer. Hij liet het goud wegen, wierp zijn met Runen[18] versierd zwaard in eene der twee schalen en riep: "Brengt mij goud, tot beide schalen in evenwicht blijven." Albrade zocht haar laatste goudwerk: den met edelgesteenten versierden ring, dien zij, voor jaren als bruidsgeschenk van haren echtgenoot had ontvangen; het kostbare kruis, een aandenken harer moeder, het zilveren gevest van het zwaard haars vaders, doch de wreede Rollo was nog niet voldaan. Albrade was wanhopig en zocht in vertwijfeling naar een laatste redmiddel, toen hare onderdanen, haar te hulp kwamen. Uit eigen beweging, ontdeden zij zich van het goud en de kostbaarheden, die zij nog bezaten en gingen die nederleggen aan de voeten van den wreeden Noorman. Rollo, die niet eens wist wat genegenheid was, zag dit alles eerst met verwondering, daarna met aandoening aan. Hij ontbood Renier, ontdeed hem van zijne boeien en sprak: "Wat zijt gij gelukkig, Graaf, die door eene zoo brave echtgenoote en door talrijke onderdanen teeder wordt bemind. Keer tot hen terug, blijf niet langer mijn vijand, maar word mijn vriend." Rollo gaf al de aangebrachte schatten terug en sloot met Renier een vredeverbond. 24.--Invallen der Noormannen. Wat moest het er, gedurende die lang vervlogen eeuwen, in ons land akelig uitzien! Platgeloopen akkers, geplunderde kerken en kloosters, dooden, gewonden, armoede, verdriet en lijden. Zoolang Karel de Groote leefde, durfden de geduchte Noorsche Zeeroovers zich op onze kusten niet vertoonen, maar, na zijnen dood, was het geheel anders. [Illustration: Verdeeling van het rijk van Karel den Groote.] De zoon en opvolger van Karel, Lodewijk de Vrome, bezat de krachtdadigheid zijns vaders niet. Zijne zonen Karel, Lother, en Lodewijk betwistten elkander het vaderlijk erfdeel. In 843 sloten zij het verdrag van Verdun[19], dat het rijk van Karel den Groote in drie rijken verdeelde. De hierbij gevoegde landkaart zal u over deze verdeeling een juister denkbeeld geven. Bezie ze met aandacht en bemerk dat de landstreek gelegen tusschen de Schelde en de Noordzee aan Karel kwam, en deel maakte van Frankrijk; het overige-het grootste deel van het tegenwoordig Belgie--kwam aan Lother, terwijl Germanie ten deel viel aan Lodewijk. Deze verdeeling die, voor de toekomst, van groot gewicht was, werd later door andere verdeelingen gevolgd: de landstreek tusschen Schelde en Rijn, weldra Neder-Lotharingen of Lotherrijk geheeten kwam aan Germanie. De streek tusschen de Schelde en de Noordzee, bleef aan Frankrijk. Verdeeld door hunne onderlinge twisten en oorlogen, waren de zwakke opvolgers van Karel den Groote, zelden in staat de Noormannen tegen te houden; ook ondernamen deze niet een maar herhaalde invallen aan de oevers van den Rijn, de Maas, de Schelde en hunne bijrivieren. Langzamerhand lieten zij hun zwervend leven varen.--Eenigen vestigden zich in het gedeelte van Frankrijk, dat naar hen, Normandie geheeten werd. Wie klommen, denkt gij, gedurende die akelige tijden, bij het volk in aanzien? Zonder twijfel waren het de onverschrokken mannen, hertogen, graven en andere heeren, die, evenals Renier, zich tegen de Noormannen durfden verzetten. Men achtte ze veel meer, dan de machtelooze koningen, die niet in staat waren hun land en hunne onderdanen tegen vreemde indringers te verdedigen. Vele weerlooze, zwakke menschen stelden zich vrijwillig, zooals voorgaand verhaal ons leerde, onder de bescherming dier heeren. Deze legden hier en daar sterke burchten aan, waar zij zich konden verdedigen tegen hunne vijanden. De macht dezer heeren ging over op hunne zonen en latere afstammelingen met wier eigenaardig schilderachtig leven, gij in het volgend verhaal kennis zult leeren maken. 25.--Anneken Soete, de kleine herderin. Op een verzengend heeten zomer waren frissche, kalme najaarsdagen gevolgd. 's Morgens, na zonsopgang, hingen zilveren nevels over de heerlijke Vlaamsche vlakte en duizenden vogels maakten zich gereed om de jaarlijksche reis naar de warme zuiderlanden aan te vangen. Aan den zoom van het mastbosch, voor het lage deurtje van eene leemen hut, stond een vijftienjarig meisje, dat angstig in de verte tuurde. Tranen rolden over hare zachte wangen, terwijl haar fijnbesneden mond prevelde: "Belle! ondankbare geit! waarom hebt gij ons gisteren zoo lichtzinnig verlaten?" Wie zal u melken? Wie zal uw leger spreiden, u streelen en liefkozen?... Waar zal ik u vinden?... want _vinden_ zal ik u, al moest ik u zoeken, uren lang, over de vlakte en door de sparrebosschen. En Anneken Soete, het herderinnetje vertrok; zij liep op hare bloote voeten, over de purperen heide, tot aan den kronkelenden oever der beek, waar het slot van den heer van Oostcamp zijn toren in de lucht verhief. Juist hadden eenige mannen de valbrug nedergelaten, dienaars openden de zware poortdeuren, honden blaften, paarden hinnikten en een voorname stoet van heeren en dames verliet de sombere woning. Met eerbiedige bewondering trad Anneken Soete op zijde en zag de geduchte edellieden en hunne vrouwen voorbijtrekken. Allen behoorden tot de grootste familien van het land en waren door den heer van het slot ter jacht genoodigd. Vooraan, op een forsch paard gezeten, reed Boudewijn, de edele graaf van Vlaanderen en achter hem, op eene witte hakkenei[20], verscheen Machteld, zijne dochter, een der rijkste edelvrouwen van het land. Zij was jong en schoon, groot en slank van gestalte, statig en gebiedend in hare houding. Met de linkerhand hield zij de teugels van haar paard vast, terwijl een valk met roode kap en gulden schelletjes, op hare rechterhand rustte. "Wat is zij mooi" lispelde Anneken en haar oog rustte op het rijkgeborduurde kleed der gravin, dat in breede plooien tot op den grond afhing. Op eerbiedigen afstand volgden de andere genoodigden, verder schild-en hofknapen, jagers met honden en valkeniers met valken en andere jachtvogels. Met popelend hart zag Anneken al deze lieden voorbijtrekken. Zij vergat schier hare geit, de lichtzinnige Belle en eerst toen de laatste honden voorbij waren en de jachthoorn niet meer schalde, kwam zij tot bezinning en zette haren tocht voort, over heide en gras, langs beek en plas, langs heg en mastbosch. Lachend en koutend trok de schitterende jachtstoet over de geurige vlakte; vrouw Machteld scheen buitengewoon opgeruimd maar Boudewijn, de wijze graaf van Vlaanderen, schudde het hoofd en sprak: "Altijd onvoorzichtig, mijne dochter, ik smeek u, verlaat mijne zijde niet; want, telkens wanneer gij mij op de jacht vergezelt, maak ik mij om u ongerust." Tot eenig antwoord schudde de fiere Machteld het blondgelokte hoofd en toen een uur later, haar vader met den heer van Komen in een ernstig gesprek was verdiept, verliet zij hem om, geheel alleen, in de richting van het bosch voort te rijden. Eensklaps bemerkte zij eene boschduif, die boven de beek vloog; haastig trok zij de bellenkap van haren valk en wierp den vogel op. Pijlsnel steeg de valk en bleef toen eenigen tijd onbeweeglijk in de lucht hangen. Hij bemerkte de arme boschduif, daalde neder en worgde haar met zijne scherpe klauwen. Machteld klapte van blijdschap in de handen en daar, naar hare meening, de valk zijne prooi niet spoedig genoeg aan zijne meesteres bracht, gaf zij haar paard de sporen en reed in de richting der beek, tot aan den zoom van het mastbosch. Waarschijnlijk verschrikte haar wilde ren de arme dieren, die onder het heidekruid verborgen zaten; want, een haasje sprong op, vlak voor de pooten van het paard; het beest werd schichtig en het vlood met zijne edele berijdster het mastbosch in. Wat de gravin ook aanwendde om het verschrikte dier tot bedaren te brengen, niets mocht baten; in wilden galop rende het voort, altijd voort en wierp eindelijk zijne berijdster met zooveel geweld af, dat haar hoofd tegen een mastboom bonsde en zij gewond en bloedend nederlag. Brieschend zette het paard zijnen weg voort en weldra werd alles weer doodstil. Bewusteloos lag de gravin op het zachte mos; geen vogel zong in de hooge mastboomen, wier donkergroene takken zich als een prieel ineenvlochten boven het hoofd der eenzame vrouw. * * * * * Langzaam keerde Anneken, de kleine herderin, naar de woudhut terug. Bosch en heide had zij doorloopen, hare voeten bezeerd aan braamstruiken en distels, maar haar geitje, helaas! niet gevonden. Tranen vloeiden over de wangen van het arme meisje; zij weende niet om zich zelve maar om hare moeder, die oud en ziekelijk was en thans de voedzame geitenmelk zou moeten missen. Ze waren zoo arm en verlaten, de weduwe Soete en hare eenige dochter. Jaar in, jaar uit, voedden zij zich met rogge-of gerstebrood; in het najaar zamelden zij beukenoten als wintervoorraad, sprokkelden droog hout en zochten pijnappels in de bosschen. Zuchtend naderde Anneken hare woning, toen zij tot haren schrik onder de hooge boomen eene donkere gestalte liggen zag. Zij naderde, herkende het schoone, met goudgeborduurde rijkleed der gravin, sloeg een kruis en riep: "Dat is de edelvrouw van dezen morgen!" Hoe jong ook, was Anneken moedig en vastberaden; zij vloog naar de hut, vulde eene aarden kruik met frisch water, nam een groven, doch hagel witten linnen doek en riep hare moeder toe: "Gauw, moeder, gauw, neem onze peluw, volg en help mij!" De weduwe schrok maar deed zooals hare dochter verlangde. Beide vrouwen liepen naar de nog altijd bewustelooze edelvrouw, legden de peluw onder haar hoofd, maakten hare kleederen los en wieschen haar met frisch water. Machteld kwam tot bezinning, opende de oogen en keek hare weldoensters eerst verbaasd, daarna dankbaar aan. "Waar ben ik?" lispelde zij. "Stel u gerust, Vrouw," antwoordde Anneken, "we zijn arm, doch zullen voor u doen, wat wij kunnen ... spreek, verlangt gij iets?" "Een dronk water," murmelde de gekwetste en vrouw Soete spoedde zich naar de beek, vulde een aarden drinkkom, dien zij de edelvrouw aan de lippen bracht. Machteld had eene wonde aan het voorhoofd, die Anneken en hare moeder omzichtig uitwieschen en met een linnen doek verbonden. Na eenigen tijd voelde zij zich in staat om, steunend op den arm harer weldoenster, naar de hut te wandelen. Spoedig had de weduwe haar bed van mos opgeschud, en de edelvrouw was blijde toen zij hare pijnlijke ledematen erop uit kon strekken. Langzaam daalde de nacht over de aarde; de wind stak op en groote regendruppels vielen uit de voorbijdrijvende wolken.... Geene enkele lichtende ster blonk aan het uitspansel en onheilspellend floot de nachtvogel in het bosch. Gravin Machteld dacht aan haren vader, aan hare vrienden in het verre slot. Wat zouden zij om harentwille ongerust zijn! Graaf Boudewijn had verscheidene kinderen, doch Machteld had hij boven allen lief. Zij was opgeruimd, vriendelijk, moedig tot onvoorzichtigheid toe. Meer dan eens had hij aan vrienden en magen verklaard dat hij, boven zijn uitgestrekt graafschap, boven het land van Aalst, de liefde zijner Machteld stelde en thans lag zij, zonder dat hij wist waar, gewond, in eene afgelegen, armzalige hut. Naar hem terugkeeren kon zij niet, haar geheele lichaam deed haar pijn, de nacht was aangebroken, de wind loeide en zou weldra tot storm aangroeien. Welk een angstvollen nacht zou hij doorbrengen, hij Boudewijn, de geduchte graaf, die burchten en steden had ingenomen, zelfs den machtigen keizer van Germanie had overwonnen. Machteld weende en deelde haren kommer mede aan hare gezellinnen.... "Arme, genadige graaf," zuchtte Anneken, "hoe diep ongelukkig moet hij wezen." Toen nam het meisje een kort, doch moedig besluit. Zij zou zich naar den burcht van Oostcamp begeven, duisternis en storm trotseeren en den graaf geruststellen, terwijl hare moeder, vrouw Machteld verzorgen zou. Anneken Soete sloeg een kruis, prevelde een Vader-Ons, opende het lage deurtje der hut en verdween in de duisternis. De weg was lang, doch het meisje stapte altijd door, bad, en sloeg kruis op kruis. Eensklaps, midden op de vlakte bemerkte zij een rossen gloed. Zwarte gestalten, dragende brandende toorsten, naderden. Zouden het ook struikroovers zijn, die eene hoeve of een slot gingen aanranden? Het regende niet meer en bij wijlen kwam de bleeke maan van achter de wolken kijken. De mannen naderden en, vol vrees, verborg zich het herderinnetje, aan den oever der beek. "Hier aan deze beek, heb ik gravin Machteld voor het laatst gezien" sprak de aanvoerder. "In de vlakte is zij niet" antwoordde eene stem, "zij moet de mastbosschen zijn ingetreden. Zouden wij het wagen, met onze brandende toortsen, in de bosschen te zoeken?" "Dat zou gevaarlijk zijn" sprak een derde, laten wij naar de hut gaan der weduwe Soete, zij of hare dochter, hebben wellicht onze vrouw of haar paard gezien." Anneken wist genoeg; de mannen, die zij voor boosdoeners aanzag, waren dienaars, die hunne meesteres zochten. Vastberaden verliet zij hare schuilplaats, en vertelde aan de mannen, wat er met de arme gravin was gebeurd. Hoe gelukkig waren zij te vernemen, dat Machteld leefde en door Anneken Soete en hare moeder liefderijk was verzorgd. Vier hunner keerden naar het slot terug om de gelukkige tijding aan graaf Boudewijn mede te deelen en eene draagkoets voor de gravin te halen. De overigen vergezelden Anneken tot in hare hut en 's anderendaags, vroeg in den morgen, hield eene prachtige draagkoets voor de schamele woning stil. Gravin Machteld nam afscheid van hare weldoensters en beloofde haar niet te vergeten. Anneken Soete en hare brave moeder wilden van geene belooning hooren, maar de gravin dacht er anders over. Eenige dagen later, toen zij volkomen hersteld was, bracht zij Anneken en hare moeder een bezoek. "Gij hebt mij het leven gered" sprak zij, "thans is het mijn plicht voor u te zorgen. Ik keer met mijnen heer vader naar Rijsel terug. Wilt gij mij vergezellen? Voortaan zal u niets ontbreken; want, ik zal voor u zorgen, zoolang ik leef...." Belle, de ondankbare geit was niet teruggekeerd en waarschijnlijk door een wild dier verslonden; de rogge was mislukt en honger en gebrek grijnsden als spoken aan het deurtje der hut. Anneken en hare moeder aanvaardden, vol blijdschap, het voorstel der gravin. Zij vergezelden haar naar Rijsel en leefden er eenigen tijd vreedzaam en gelukkig, toen er eene nieuwe verandering in haar leven kwam. Machteld huwde Willem van Normandie, een der beroemdste edellieden van zijnen tijd. Jaren lang voerde hij krijg in Engeland, terwijl zijne vrouw in Normandie bleef. Eindelijk, toen haar echtgenoot tot koning van Engeland werd uitgeroepen, volgde zij hem over zee met Anneken Soete, hare moeder, alsook verscheidene Vlaamsche edellieden die, door de nieuwe koningin, rijkelijk werden begiftigd. 26.--De Graven van Vlaanderen. Anneken Soete, de moedige, kleine herderin, leefde in de XI^{de} eeuw onzer tijdrekening. Zij en hare moeder waren arme, eenvoudige vrouwen, die heel afgezonderd leefden en niet zelden honger en gebrek leden. In dien tijd was de grond minder goed bebouwd dan thans; verscheidene voedingsgewassen, zooals aardappelen, waren geheel onbekend. Stoombooten, spoorwegen bestonden niet; vaarten, breede wegen waren zeldzaam, zoodat het veel moeite kostte om de voortbrengselen van elders, hierheen te brengen. Op het land woonden de menschen in schamele hutten, maar sommige edellieden hadden steenen woningen "burchten, of steenen" genoemd. De burcht van den heer van Oostcamp, was naar alle waarschijnlijkheid een steenen woning. Toen Anneken den schitterenden jachtstoet uit den burcht treden zag, beefde zij en trad eerbiedig ter zijde; want, evenals vele landlieden uit den omtrek, was het arme kind eene hoorige van den heer van Oostcamp, meester van het omliggende land. Dat land had hij in leen ontvangen van den graaf van Vlaanderen, die zijn leen_heer_ was, terwijl hij leen_man_ was van den machtigen graaf. De heer van Oostcamp moest, als het noodig was den graaf van Vlaanderen ten oorlog vergezellen, hem helpen vrijkoopen, indien hij krijgsgevangen genomen werd. Ook Robrecht, heer van Komen, Drogon van Beveren, Gilbert van Gent en anderen, die deelnamen aan de jacht te Oostcamp, waren leenmannen van graaf Boudewijn. Deze heerschte over het uitgestrekt grondgebied, dat zich ten Oosten der Schelde, tot aan de Somme uitstrekte. Dit grondgebied had hij van den koning van Frankrijk in leen ontvangen. Hij bezat er de rechterlijke macht, mocht belastingen heffen, zelfs munt slaan. Misschien denkt gij, dat hij den koning van Frankrijk gewichtige diensten bewezen had en deze hem, als belooning, uitgestrekte landerijen had geschonken? Neen, dat was zoo niet. In de XI^{de} eeuw en vroeger reeds, waren de leenen erfelijk. Boudewijn, de V^{de} van dien naam, was zijnen vader, als graaf van Vlaanderen opgevolgd. Voor dezen hadden reeds van 864 (?) tot 988, vijf graven van Vlaanderen geregeerd. [Illustration: Leenroerig Tijdvak.] Boudewijn V, bijgenaamd van Rijsel, was een der machtigste heeren van zijnen tijd. Als krijgsman had hij grooten roem verworven; hij en zijne dappere leenmannen waren onoverwinnelijk. In 1056 kwamen de eilanden van Zeeland, de vier Ambachten en het land van Aalst in zijn bezit, zoodat Boudewijn leenman was van den koning van Frankrijk en van den keizer van Duitschland. Van 1060 tot 1063 was hij ook voogd over den minderjarigen koning van Frankrijk. Het voorgaande verhaal leerde ons, dat zijne dochter koningin van Engeland werd. Om u te bewijzen, hoe machtig en geeerd Boudewijn was, zal ik er nog bijvoegen, dat zijn oudste zoon de gravin van Henegouwen huwde en zijn tweede zoon, in het huwelijk trad met eene Hollandsche prinses. [Illustration: Poort van het Gravensteen. Gent.] Al die gebeurtenissen waren rijk aan gevolgen. Talrijke Vlamingen vestigden zich als kolonisten in Engeland, anderen werden kooplieden, die handel dreven langs stroomen en rivieren, zich op zee naar Denemarken, Scandinavie en Engeland waagden. Jaarmarkten werden gehouden en Brugge, Rijsel, Meenen, Thorhout, Yperen, Gent werden belangrijke steden. 27.--Een Sprookje. Geen slot der Middeleeuwen of er is een min of meer dramatisch verhaal aan verbonden, dat, hoewel zelden met de geschiedkundige waarheid overeenkomende, het poetisch gevoel bevredigt, dat in het hart van elken mensch verborgen ligt. Daarom schrijven wij hieronder een sprookje, verbonden aan den merkwaardigen burcht van Bouillon. Gilbert van de Ardennen was een edel en dapper ridder. Op zekeren dag begaf hij zich ter jacht en verdwaalde. Uren lang zwierf hij rond in de wouden en bereikte eindelijk den voet eener hooge, steile rots, gelegen in een heerlijk dal, waardoor de Semois zich kronkelde. Gilbert was vermoeid; hij vlijde zich neder op het zachte mos, toen hij eensklaps eene wonderzoete meisjesstem vernam, die een klagend liedje zong. Gilbert luisterde met welgevallen, richtte zich op, baande zich een weg door het struikgewas en bereikte de plaats vanwaar de stem scheen te komen. Tot zijne verwondering bemerkte hij eene schoone jonkvrouw, die bitter weende en, met hare lange, blonde haren, de tranen afdroogde, die langs hare wangen rolden. Zij hief de handen smeekend tot den ridder op, terwijl deze haar vroeg: "Wie zijt gij, edele jonkvrouw, en hoe komt gij op deze woeste, eenzame plaats?" "Spreek zachter, heer ridder," fluisterde de maagd, "Ik ben Julia van Bouillon en mijne geboorteplaats ligt niet ver van hier." "Op den top der hooge rots, die gij van hier ziet, woont een reus. Hij doodde mijn broeder en nam mij als zijne gevangene mede. Elken namiddag slaapt hij gedurende een uur op den top der rots." Gilbert keek omhoog en bemerkte een reusachtig grooten man, die werkelijk, op den top der rots lag te slapen. De ridder trok zijn zwaard uit de scheede en sprak: "Stel u gerust, edele jonkvrouw, ik zal u van den moordenaar verlossen." "Val hem niet aan, edele ridder," fluisterde Julia; hij draagt een malienkolder[21], waardoor geen zwaard dringen kan. "Nu dan," hernam Gilbert, "ik zal hem van den top der rots in de rivier storten." "Dat is onmogelijk," jammerde Julia, "de reus is zoo zwaar, dat honderd armen hem niet naar beneden kunnen werpen." "Wel" sprak de ridder, "vlucht met mij, ik zal u in veiligheid brengen." "Dat ook is onmogelijk" kreet de arme jonkvrouw, "ziet gij niet dat ik met eene ijzeren ketting aan den rotswand ben vastgeklonken? Ik smeek u, ga tot mijn vader en vraag hem het groote net van ijzerdraad, dat zijn grootvader, niet ver van Tours in Frankrijk, aan de Sarracenen[22] ontnam, daarin zullen wij den reus vangen. Nauwelijks had zij dit gezeid of de reus ontwaakte met groot gedruisch en Gilbert haastte zich de jonkvrouw te verlaten. Hij wilde aan haar verzoek voldoen, en begaf zich naar het kasteel haars vaders, waar hij van den torenwachter het groote ijzeren net ontving. 's Anderendaags, tegen den middag, keerde hij naar de rots terug, verborg zich in het bosch en wachtte de komst van den reus af. Het duurde niet lang of de vreeselijke man verscheen en daalde van de rots naar beneden om zich uit het riet, dat aan den oever groeide, eene pijp te snijden. Gilbert zocht Julia op, en spreidde met haar het net uit, op den top der rots. Het meisje bedekte het met mos en bloemen, en, toen de reus terugkeerde en het zachte tapijt bemerkte door Julia's handen gespreid, lachte hij minzaam, vergat het meisje vast te binden, vlijde zich op de bloemen neder, en viel in een diepen slaap. Dit was het lang gewenschte oogenblik. Julia trok het net toe en de reus zat er in vast. Toen riep zij Gilbert terug en verzocht hem haar naar het slot haars vaders terug te voeren, maar Gilbert vreesde, dat de reus het net zou scheuren. De gevreesde man ontwaakte en huilde zoo vervaarlijk, dat de heuvels van zijn geroep daverden. Hij wilde opspringen en het net scheuren, maar op hetzelfde oogenblik gaf Gilbert hem zulk een geweldigen stoot, dat hij naar beneden stortte en in de Semois viel, waar hij verdronk. Nu bracht de ridder de edelvrouw naar het slot haars vaders terug en leerde haar zacht karakter en hare deugd waardeeren. Hij nam haar tot vrouw en, op dezelfde plaats, waar zij den reus uit de hoogte naar beneden wierpen, bouwden zij het geduchte slot van Bouillon, dat heden nog bestaat. 28.--Het Slot van Bouillon. Laten wij handelen als zoovele toeristen en een bezoek brengen aan het geduchte slot. Wij moeten 235 meter klimmen en eerst na een vrij lastigen tocht bereiken wij de slotpoort, waar wij aankloppen. De bewaker opent de poort en leidt ons, over de binnenplaats, naar het eigenlijke slot, dat wij met hem in al zijne bijzonderheden leeren kennen. Nu eens bevinden wij ons in een killen, duisteren gang, dalen daarna in diepe kelders, tot in een onderaardsch gewelf, waar geen zonnestraal kan doordringen en ijzeren ringen in den dikken muur zijn aangebracht. Onze geleider zegt ons, dat men hier krijgsgevangenen, ook wel misdadigers heenvoerde, en dat zij, die er binnentraden, nimmermeer het zonnelicht aanschouwden. Eene rilling doorloopt onze leden en zuchtend verlaten wij de sombere plaats, waar vroeger zooveel werd geweend en geleden en waar heden nog de voetstappen der bezoekers zoo akelig weerklinken. Wij klimmen den wenteltrap op en bereiken den toren, waar wij, door een eng schietgat naar beneden staren. Wel zijn we verbazend hoog geklommen; de Semois schijnt een kronkelend lintje en de huisjes der stad zijn zoo klein, dat zij uit eene speelgoeddoos schijnen te komen. Onwillekeurig vergelijken wij de sombere plaats met een hooggelegen arendsnest, waaruit zich de roofvogel op zijne levende prooi laat nedervallen. Wij dalen de trap af, hier en daar nog een blik werpend op de dikke muren en in de menigvuldige schietgaten. Eindelijk opent onze geleider de zware poort en wij zijn blij, dat we het sombere gebouw verlaten, de blauwe lucht aanschouwen en de warmte der koesterende zonnestralen genieten. Het kasteel van Bouillon is het eenige niet, dat een bezoek waard is. Te Gent, werden de bouwvallen van het oude Gravensteen onlangs hersteld en aan de oevers der Maas en hare bijrivieren, treft men, meestal op hooge bergen en steile rotsen, bouwvallen aan van Middeleeuwsche burchten, waar norsche ridders woonden, waarvan sommigen naar het voorbeeld der Noormannen, van plundering en roof leefden of met elkander gedurig twistten en oorloogden. Meer dan eens werden, om nietige redenen, onze heden zoo bloeiende provincien te vuur en te zwaard verwoest. Het kwaad was zoo erg, dat de graaf van Vlaanderen, de bisschop van Luik en andere groote leenheeren den "Godsvrede" invoerden, waarbij het verboden werd te strijden tusschen den Woensdag avond en den Maandag morgen, verder gedurende den Advent, de Vasten, enz. In 1082 stelden de prins bisschop van Luik en andere vorsten een vredegerecht in, waar ieder, die de Godsvrede durfde verstoren, tot strenge straffen werd veroordeeld. Ongelukkig werd dit vredegerecht niet altijd gehandhaafd. In het voorbijgaan moet ik u ook herinneren wat gij vroeger leerdet, namelijk dat Neder-Lotharingen of Lotherrijk de landstreek tusschen Schelde en Rijn, heette. Zij bevatte: 1 deg. Het hertogdom Brabant, dat zich in het hartje van ons land en in Nederland tot aan de Maas uitstrekte; 2 deg. Het graafschap Henegouwen; 3 deg. het graafschap Namen; 4 deg. het graafschap Luxemburg; 5 deg. het hertogdom Limburg; 6 deg. het prinsbisdom Luik. De keizers van Germanie aan wie zij in werkelijkheid toebehoorden, oefenden er nooit grooten invloed op uit; de leenheeren waren machtiger dan zij, daarbij was Germanie zeer groot en, onze provincien vormden als het ware een weinig belangrijk uithoekje van een uitgestrekt grondgebied. 29.--De Boetvaardige Zondaar. Op de Reye te Brugge woonde in de tweede helft der XI^e eeuw een wisselaar, die belangrijke zaken deed, zoowel met de kooplieden zijner stad als met die van het buitenland. Jacob, zoo heette hij, was eerlijk en zeer werkzaam, maar de rijkdommen, welke hij vergaarde, maakten hem zelfzuchtig en zoo hoogmoedig, dat hij met minachting nederzag op lieden van geringen stand. Hij had eene zuster, die weduwe was, met een kind, een zoontje dat zij in liefde en deugd trachtte groot te brengen. Met haar rijken broeder kwam zij zelden of nooit in aanraking; zij wist, dat hij zich schaamde over zijne zuster, die armoedig was gekleed en dicht bij den Burcht een schamel zolderkamertje bewoonde, waar armoede en ziekte haar heel onverwacht kwamen bezoeken. Koud en duister was de maand December ingevallen; lange ijskegels hingen aan de houten gevels der huizen en in de grachten lagen de schepen vast in het ijs. De arme weduwe werd al zieker en zieker, zij had hout noch brood en in den uitersten nood dacht zij aan haar rijken broeder. "Johannes," sprak zij tot haar zoontje, "begeef u naar oom op de Reye en zeg hem hoe diep ongelukkig wij zijn." Johannes vertrok en bereikte weldra het huis van den wisselaar. Warm en sierlijk gekleed zat deze met twee vrienden in zijne rijke woonkamer, bij het flikkerend haardvuur, doch het schamele knaapje zag hij met toornigen blik aan. "Heer oom," stotterde de kleine, moeder zendt mij tot u, "wij hebben brood noch vuur en zijn diep ongelukkig." "Elk zorge voor zich zelven" luidde het norsche antwoord. "Moeder is ziek" vervolgde de knaap. "Maak dat ge wegkomt," antwoordde de wreedaard, die verstoord was, omdat de in lompen gehulde knaap hem in tegenwoordigheid zijner rijke vrienden "heer oom" had genoemd. De knaap verliet de woning en keerde naar moeder terug, op het akelige zolderkamertje. Twee dagen lang vroos het zoo geweldig, dat de vogeltjes dood bleven. De arme weduwe en haar zoontje leden verschrikkelijk en, op den derden dag verspreidde zich eene akelige mare door de stad. Dicht bij den burcht, op een zolderkamertje, waren eene weduwe en haar zoontje van koude en honger gestorven. Toen de rijke wisselaar de ontzettende tijding vernam, rilde hij over zijn gansch lichaam, hij meende, te sterven van berouw en schaamte, maar hij herstelde zich. Hij zou leven, zeer lang leven om zijn wraakroepend misdrijf te boeten. Wroeging verteerde zijn hart en belette hem te slapen. Niet zelden doolde hij met gebogen hoofd door de straten der stad en, toen het voorjaar aanbrak, verkocht hij zijn huis, borg zijn goud in eene lederen tasch en verliet Brugge. Waarheen? Hij zelf wist het niet; het weder was frisch en de vogels zongen, maar Jakob ging verder, altijd verder, tot zijne voeten waren doorgeloopen en hij uitgeput, aan den zoom van een mastbosch nederstortte. Toen de dag aanbrak stond hij op, trok door het bosch en bevond zich weldra aan den voet van een kruisbeeld, dat, door eene vrome hand, op deze eenzame plaats was opgericht. Jakob zonk op de knieen, doch bidden kon hij niet. Krampachtig vouwde hij de handen en, stroomen van tranen vloeiden over zijne heete wangen. Eensklaps voelde hij eene bevende hand op zijnen schouder, terwijl eene zachte stem sprak: "Gij weent, arme vreemdeling, zeg mij, kan ik u soms troosten?" Jakob hief het hoofd op. Een eerbiedwaardige grijsaard, met witten baard, in een donker, lang boetkleed, stond voor hem. "Ik ben diep ongelukkig" snikte de zondaar, maar de grijsaard nam hem bij de hand en leidde hem naar eene houten kluis. "Wie gij ook zijn moogt," welk leed u ook het hart verscheurt, deel het mij mede," sprak de kluizenaar, "ik zal u troosten, u opbeuren, u raad geven." Zijne stem was zoo roerend en zacht, zijne woorden waren zoo verkwikkend, dat zij den berouwhebbenden misdadiger, als hemeldauw in het hart vielen. Met gebogen hoofd, snikkend, zuchtend, bekende Jakob zijne schuld en, toen zijne biecht was geeindigd, bleef de grijsaard geruimen tijd in diepe gedachten verzonken. Eindelijk sprak hij, op treurigen, ernstigen toon: "Uwe zelfzucht, uwe verwaandheid hebben uwe arme zuster en haar zoontje gedood, voortaan zult gij u geheel en al aan het welzijn van anderen wijden." "Hoe kan ik zulks doen?" vroeg de door smart gefolterde zwerver en de grijsaard antwoordde: "Dagelijks vertrekken uit stad en dorp honderden Christenen naar het verre Oosten. Aan de ongeloovigen hebben zij den oorlog verklaard en zullen niet rusten, voor zij de zege behalen. Volg de kruisvaarders, mijn zoon, onderweg zult gij ze spijzen, laven, kleeden, in een woord, helpen waar gij helpen kunt, troosten waar het noodig zal zijn." * * * * * Nog verscheidene weken bleef Jakob bij den kluizenaar. Deze had in zijne jeugd, de reis naar het Heilige land[23] gemaakt, hij gaf zijnen gast allerlei nuttige raadgevingen en zond hem eindelijk naar Brussel, bij eenige zijner vrienden, vrome monniken, die zich voorstelden, het Christen leger te vergezellen, niet als strijders, maar als verplegers van zieken en gewonden. [Illustration: De Kruistochten.] Deze brave menschen ontvingen met liefde den boetvaardigen zondaar en vol hoop en vertrouwen, voegden zij zich bij de legerscharen, die langs den Rijn en den Donau, over Konstantinopel en door Syrie, Jerusalem wenschten te bereiken. Thans begon voor Jakob en zijne nieuwe vrienden een leven van opoffering en ontbering. De tocht duurde maanden en maanden, niet zelden ontbrak het den kruisvaarders aan levensmiddelen en aan drinkwater. Hoe nader zij aan het einddoel hunner reis waren, hoe grooter hun lijden werd. Brandende hitte, besmettelijke ziekten, vermoeienis doodden duizenden kruisvaarders. Niet zelden waren de inwoners der streken, die zij doortrokken, den reizigers vijandig en, zoodra zij in Azie aanlandden, verdubbelden de moeilijkheden. Dank aan zijn krachtig gestel, bood Jakob weerstand aan ziekte en vermoeienis; dag en nacht was hij op de been; de pijlen des vijands schrikten hem niet af en de akelige slagvelden betrad hij zonder vrees. Eindelijk, na een zwaar beleg en eene bloedige bestorming, werd Jeruzalem ingenomen. Jakob woonde soms gruwelijke slachtingen bij; maar hij nam daaraan geen deel, hij verzorgde de gekwetste strijders en begroef de dooden. Na de inneming van Jeruzalem keerden talrijke kruisvaarders naar hun vaderland terug, doch Jakob bleef in Palestina om zich te volmaken in de heel-en geneeskunde, die er veel meer gevorderd waren dan in zijne geboortestreek. Toen hij, na zeven jaar naar hier terug keerde, vertoefde hij in verschillende steden, waar hij, als ziekenverpleger, aan de bevolking groote diensten bewees. [Illustration: Lijder aan melaatschheid.[24]] De vrome kluizenaar was reeds lang overleden. 30.--De Kruistochten. Alhoewel de wegen slecht en onveilig waren, ondernamen onze voorouders niet zelden verre bedevaarten: naar Tours in Frankrijk, naar Rome in Italie, naar Jeruzalem in Azie. Maar toen de Turken laatstgenoemde stad bezaten, stonden de Christenen er aan mishandelingen bloot. Ook vreesden de volkeren van Westelijk Europa, met reden, dat bovengenoemde Turken zich weldra van de stad Konstantinopel meester maken en verder ons werelddeel zouden bedreigen. Om dit te beletten ondernamen zij krijgstochten, die men "Kruistochten" noemt, want het schijnt, dat zij die er aan deel namen als herkenningsteeken een kruis van roode stof op hunnen schouder of hunne borst naaiden. De kruisvaarders waren: edellieden, die alvorens te vertrekken, hunne goederen aan kloosters of kerken afstonden, of hun slot, hunne velden, hunne wouden verkochten om wapens te koopen en krijgslieden aan te werven; ook wel monniken, die naar de eeuwige zaligheid trachtten; kooplieden, ambachtslieden, naar vrijheid snakkende lijfeigenen, berouwhebbende zondaars. De held van den eersten kruistocht was Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, een volmaakt ridder, bedreven in alle krijgsverrichtingen, gehard tegen vermoeienis, verstandig, welsprekend, kalm, zedig en geduldig. Ten einde deel te kunnen nemen aan den verren tocht, verkocht hij zijn slot van Bouillon aan den bisschop van Luik en liet toe, dat de inwoners van Metz, wier heer hij was, hunne stad vrij kochten. Hij geleidde de kruisvaarders door Duitschland, Hongarije en bereikte met hen de stad Konstantinopel, waar zich Robrecht, graaf van Vlaanderen, Boudewijn van Henegouwen en talrijke edellieden, die over zee gekomen waren, bij het Christenleger voegden en naar Azie overstaken. In de geschiedenis van Jakob, den boetvaardigen zondaar, verhaalden wij van het lijden en strijden der kruisvaarders in Azie. Wij mogen echter niet vergeten er bij te voegen, dat Godfried boven alle andere ridders er blijken gaf van wijsheid, moed en beleid. Met algemeene toestemming werd hij tot koning van Jeruzalem uitgeroepen, doch hij weigerde "eene gouden kroon te dragen, waar Jezus-Christus eene doornen kroon had gedragen; hij aanvaardde enkel den titel van Beschermer van het Heilig Graf." Hij voerde het leenstelsel in Palestina in; verdeelde het land in groote leenen, die hij aan de voornaamste ridders schonk, en vaardigde werken en bevelen uit, die men Assisen of Grondwetten van Jeruzalem noemt. Het volgend jaar reeds, in 1100, stierf Godfried van Bouillon. Later onderscheidde zich Boudewijn, Graaf van Vlaanderen en Henegouwen, in den vierden kruistocht. [Illustration: Kruisvaarder der XIII^e eeuw.] Men noemt hem, in de geschiedenis, niet zelden Boudewijn van Konstantinopel, en ziehier waarom. In de lente van het jaar 1202 trok hij met talrijke ridders de Alpen over en ging scheep te Venetie, maar in plaats van rechtstreeks naar Palestina te varen, zeilde hij met de christenvloot naar Konstantinopel. Deze stad werd ingenomen door de kruisvaarders en Boudewijn tot keizer uitgeroepen. Hij onderscheidde zich als krijgsman en stierf in eenen oorlog tegen de Bulgaren. 31.--Twee Vluchtelingen. Jan en Klaas waren hoorigen van den heer van Gaver, in Vlaanderen. Zij telden nauwelijks zestien jaar en Jan hoedde de zwijnen zijns meesters, terwijl Klaas arbeidde aan den heirweg, dien de heer deed leggen van af zijn slot, over de heuvels, naar eene naburige heerlijkheid, erfdeel van zijne vrouw. Beide jongelingen leidden een hoogst ellendig leven. Zij waren slecht gevoed en gekleed en kenden van heel de mooie, wijde wereld, niets dan hunne armoedige hut en het slot van hunnen heer. "Willen wij vluchten" sprak op zekeren lentenmorgen Klaas tot zijnen vriend, en op zijn bevestigend antwoord, verlieten zij hunne geboorteplaats en gingen door bosch en brem tot aan den oever der Schelde, langswaar zij de naburige stad Gent hoopten te bereiken. "In steden" zei Klaas, "zijn de menschen gelukkiger, vrijer, en hangen er niet af van de willekeur van een gestrengen heer." "Laten wij verder gaan, altijd verder," antwoordde Jan en stapte moedig voort aan de zijde van zijnen vriend. Een schip, geladen met Doorniksche steenen voer langzaam op het water voorbij; twee mannen hadden moeite om het voort te trekken. "Schipper, mogen wij helpen" vroeg Jan en toen hij een bevestigend antwoord ontving, lieten de knapen zich in het gareel spannen en trokken er duchtig op los. Na een paar uren liet de schipper hun brood, kaas en bier voorzetten, waarna zij weder lustig den arbeid hernamen. Te Gent was er veel drukte; schepen werden geladen en ontladen, koopwaren gekocht en verkocht. Op de marktplaatsen durfden de jongens zich niet wagen, omdat zij vreesden herkend te worden, maar, van den schipper vernomen hebbende, dat hij naar Brugge moest, vroegen zij tot in deze stad in zijnen dienst te mogen blijven. Hij stemde er in toe, maar weldra moesten de knapen hunnen weldoener verlaten, want van Brugge voer hij terug naar Gent en vandaar voorbij Gaver en Oudenaarde naar Doornik om eene nieuwe lading. Onderweg echter had de brave schipper de twee vluchtelingen leeren waardeeren. Zij hadden hem hun droevig lot kenbaar gemaakt en door zijne voorspraak, vonden zij te Brugge werk bij reizende kooplieden, die zich maar de jaarmarkt van Thorhout begaven. Die jaarmarkt was toen de voornaamste van het land; op de wegen, die er henen leidden, ontmoette men rijtuigen en reizigers uit verschillende streken, alsook zware wagens, door zes paarden getrokken en beladen met laken, leder, wapens, koperen en tinnen vaatwerk, wijn, bier en wat al meer. De jaarmarkt te Thorhout duurde verscheidene weken; zij werd niet alleen door Vlamingen bezocht, maar ook door Walen, Franschen, Duitschers, Italianen. Honderden koopers verdrongen zich tusschen de tenten; potsenmakers en kermisvolk vertoonden er allerlei kunsten en grappen, bedelaars riepen de weldadigheid in der aanwezigen. Aangenaam en helaas, al te spoedig vlogen dagen en weken voorbij ... de kooplieden verlieten de stad en Klaas en Jan bevonden zich weldra zonder werk of brood, verlaten, alleen op de wereld. Hoeveel moeite zij zich ook gaven, te Thorhout vonden zij geene bezigheid. Zij verlieten de stad, doolden over heiden en in sparrebosschen, bedelden van dorp tot dorp. Nu eens hoedden zij de kudden van eenen schapenfokker, dan hielpen zij de landbouwers bij het maaien en oogsten. De arme jongens sliepen op stroo in de schuren, brachten ettelijke nachten onder den blooten hemel door en ... de zomer snelde voorbij. November bracht wind en koude regenvlagen over het land en in December vroos het zoo erg, dat rivieren en waterplassen met eene dikke ijskorst bedekt werden. * * * * * Al bedelend bereikten Jan en Klaas de stad Yperen. In dien tijd was deze alom vermaard om haren rijkdom, haren handel en de vlijt harer inwoners. "Hier komen wij aan het einde van al ons lijden" sprak Klaas en trok met zijn jongen vriend moedig en opgeruimd een der stadspoorten van Yperen binnen. Wel was zij de bloeiende stad, die de arme jongelingen zich hadden voorgespiegeld; in hare voorsteden, in ontelbare nauwe straten, arbeidden honderden wevers, volders, ververs. Overal klapperden de weefgetouwen, op de uitgestrekte marktplaats verdrongen zich koopers en verkoopers, in de weidsche hallen lagen de koopwaren tot bergen opgestapeld. Maar Jan en Klaas vonden niet wat zij zochten. Overal werden de arme jongens, met hunne vermagerde trekken, hunne havelooze kleederen, zonder genade afgewezen. Op zekeren kouden namiddag hadden zij in de prachtige S^t-Maartenskerk gebeden, gerust en geweend. Maar de avond viel, de kerk moest gesloten worden en, zonder schuilplaats voor den nacht, doolden de twee vrienden door de straten. Tegen middernacht verborgen zij zich in het somberste hoekje van het groote kerkportaal. Spookachtig vielen de koude stralen der maan op de spitse gevels der houten huizen, die in dien tijd nog algemeen met stroo waren gedekt. Slapen konden Klaas noch Jan; de steenen waren zoo koud en de wind blies zoo akelig. Beide jongelingen vouwden de handen tot een laatste gebed en hieven de doffe oogen ten hemel ... maar, wat was dat? Eene vlam kronkelde zich aan den gevel der houten huizen, een schrikwekkende gloed verhelderde den duisteren nacht. "Brand! brand!" gilden Klaas en Jan, terwijl zij naar de bedreigde woningen snelden, er aanklopten en de bewoners uit hunne nachtrust wekten. Weldra was elkeen op de been, ladders werden aangebracht, ontelbare emmers water op de vlam gegoten, maar ... deze vermeerderde, werd een vuurgloed, die dreigend, machtig, zich verder uitstrekte. Akelig kermden vrouwen en kinders; in sombere wanhoop trachtten de mannen hun goed, hunne kostbaarheden, hunne kleederen te redden. De brandklok klepte, hulpbiedende poorters kwamen toegesneld.... "Wie redt Liesbeth, mijn kleindochtertje!" kreet als uitzinnig van smart, een grijsaard, zeer rijk koopman, wiens huis door de vlammen was aangestast. Niemand antwoordde, terwijl steeds luider en luider, de klachten van den grootvader weerklonken. Twee edele harten echter voelden medelijden met den armen man: "Jan, willen wij het wagen," fluisterde Klaas zijnen vriend toe en: "Tot den dood volg ik u" luidde het korte doch zielroerende antwoord van den armen hoorige. Een ijzeren ladder werd aangebracht en tegen den gevel van het huis geplaatst. Klaas beklom die het eerst, en vlug als eene boschkat, volgde hem zijn vriend. Beiden verdwenen in het brandend huis. Een ... twee ... drie ... vier stonden, als uren zoo lang, gingen voorbij en beneden in de straat, jammerde een bevende grijsaard, woelde eene anstige volksmenigte. Goddank! daar verscheen de wakkere Klaas, de kleine Liesbeth in de armen. Jan volgde hem, een ijzeren kistje op den rug, dat vergeten was en waarschijnlijk goud of kostbaarheden bevatte. Beiden daalden de ijzeren ladder af; de menigte verdrong zich om de moedige knapen, de beangste vader zegende hen als de redders van zijn kleinkind. De koopman nam intrek bij zijne zuster, die aan de andere zijde der stad woonde. Hij verzocht Klaas en Jan hem daarheen te volgen, want hij wilde zijne belofte houden en de redders van zijn kleindochtertje rijkelijk beloonen, "Wie zijt gij? Van waar komt gij en wat kan ik voor u doen?" sprak hij tot de knapen. Zij bogen het hoofd en zuchtten. "Spreekt vrienden," vervolgde de koopman, "hebt vertrouwen in mij, want ik verlang niets dan uw welzijn." Nu vertelde Jan, die de tranen in de oogen kreeg, wat er met zijn vriend en hem het laatste jaar was gebeurd; hij sprak van hunnen zucht naar arbeid en vrijheid, van hunne vlucht, van den schipper, van Thorhout, van den langen, bangen zwerftocht door stad en dorp, over heide en bosch. De rijke koopman weende. "Gij blijft bij mij, sprak hij, ik zal voor u zorgen." Intusschen had hij het zeer druk; zijn huis moest hij doen opbouwen en zijne uitgebreide zaken nazien. Klaas en Jan bleven in zijnen dienst; de eerste hielp de metselaars, want het afgebrande, houten huis werd door een steenen woning vervangen; de tweede deed boodschappen voor den koopman, die handel in laken dreef en aan talrijke wevers der stad arbeid verschafte. Twee jaar later, toen de ramp volledig was hersteld, riep de dankbare heer de jongelingen tot zich en vroeg hun, welke plannen