The Project Gutenberg EBook of Vogels van diverse pluimage, by Carel Vosmaer This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Vogels van diverse pluimage Author: Carel Vosmaer Release Date: January 23, 2006 [EBook #17554] Language: Dutch Character set encoding: ASCII *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VOGELS VAN DIVERSE PLUIMAGE *** Produced by Marc D'Hooghe. VOGELS VAN DIVERSE PLUIMAGE door CAREL VOSMAER * * * * * GEILLUSTREERD NAAR TEEKENINGEN VAN Ch. ROCHUS * * * * * INLEIDING. Hij liegt alsof het gedrukt was, zeide men vroeger met een spreekwoord, dat uit den grooten eerbied voor boeken geboren werd. Hij liegt zoo mooi, zoo glad, zoo juist, dat het uit een boek schijnt genomen. Oudtijds heette het: "daar staat geschreven," maar de spreekwoorden nemen de zeden der tijden aan en na de uitvinding van de typographie beteekende het gedrukte hetzelfde gezag als vroeger het geschrevene. Zoo zeide men ook eens, om iets onbegrijpelijks uit te drukken, dat is Grieksch en Latijn voor mij, of als het erg liep, dat zijn hierogliefen. Maar het Grieksch en Latijn is niet meer voor enkelen en de hierogliefen zijn ontcijferd. Welke taal zullen wij nu voor de vergelijking kiezen? Men kan zelfs niet meer met voeg zeggen, dat is Sanskriet of Chineesch voor mij, want ook die talen zijn niet onbereikbaar. Hoogstens mag een gewoon mensch beweren, dat iets er voor hem uitziet als spijkerschrift. Ja, de spreekwoorden verouderen en veranderen. Een uitgezocht deel van het vleesch, dat in de oudheid een godenstuk heette, werd in de goede dagen, toen de geestelijken de praerogatieven der godheid voor zich namen, een paterstuk. De Hervorming, die zoo veel veranderde, verbeterde dit in een domineestuk, totdat eindelijk het ongeloof ook dit weder seculariseerde en algemeen menschelijk maakte. En zoo is het ook met de boeken gegaan. Dat spreekt als een boek, zei men, en daarmee was het uit. Maar de boeken hebben hun prestige verloren. Iedereen maakt boeken en snel ook. Negen jaren over een boek te broeden, zooals Horatius aanraadde, wie zou er aan denken! In negen jaren is een boek al weer verouderd. Zij zijn ephemeriden, zij strekken om de gedachten en beelden van het oogenblik uit te drukken, en maar weinige zijn duurzamer. * * * * * Op een morgen had ik eindelijk een niet zeer vermakelijk werk ten einde gebracht. Ik had het laatste blad gelezen van een grooten hoop boeken, waarover mij gevraagd was of zij eene heruitgaaf verdienen. Het waren novellen, gedichten, tooneelstukken. Titels, papier, letter, toonden al eene herkomst van voor ruim twintig jaren. En de illustraties--verluchten, verlichten noemden onze middeleeuwers die versiering naar het oude illummare, waarvan het nieuwere _illustreeren_ een aanmatigender vorm is--de illustraties, die deze boeken nog niet illuster hadden gemaakt, waren even verouderd. Welke onredzame steenteekeningen, waardig den komischen vloek van Bilderdijk: Een steenen hart, een hoofd gevoed met keien, Beelde aap of hond in kouden steendruk uit, Waar gloed noch smaak hun warmen glans in spreien En 't zielsgevoel de teedre borst voor sluit! ................................................. Maar weg dat tuig, dat kunstverwoestend knoeien! Welke wonderlijk uitgedoste poppen, die heeren en dames, eens zich zoo elegant en nieuwmodisch wanende, nu zoo dwaas in hun verouderde kleederen, weergegeven zonder dien tact, waardoor een kunstenaar aan elke snede der mode iets kan verleenen, dat de dragers boven het bespottelijke van het verouderen verheft. En wat zou ik zeggen over den inhoud? Het was een moeielijk geval. Denkt men aan den rijken schat van werken, wier schoonheid of beteekenis onvergankelijk is--dan vraagt men, waartoe zooveel middelmatigs gedrukt of althans herdrukt, en moedeloosheid dreigt onszelven de pen te doen nederleggen. Toch blijft de aandrift onverwinlijk en ook wij schrijven, ieder zoo goed en kwaad als wij kunnen, ieder zooals zijne pen gebekt is, omdat wij het niet laten kunnen. En wij hebben toch gelijk, want ook onze tijd, onze denkbeelden en gevoelens hebben recht zich af te beelden; en kan het niet geschieden in eeuwenverdurend marmer, dan in vergankelijke photographieen. Dus een minder volstrekte maat genomen. Zijn dan deze stukken goed, naar onzen tijd, naar onze omstandigheden gerekend? Zit er kracht, oorspronkelijkheid, durven in? Zijn die novellen en tooneelstukken de, afbeelding van wat de veelbewogen gemoederen in het moderne leven vervult? Draagt de vorm den stempel van een karakter? Geven deze gedichten iets kernigs voor den geest, iets teeders voor het hart, eenige winst voor den versbouw en de muziek der taal? Zoo ver was ik gekomen, en bij elk gewicht in de schaal geworpen rezen de stukken, en rezen, zij werden zoo licht ... toen de uitgever van de _Vogels van diverse pluimage_ binnentrad en, een pakje op mijne tafel leggende, zeide: --Doe mij 't plezier, dat eens door te kijken en te zeggen of je die stukken voor een herdruk goed vindt. --Alweer! zei ik, jij ook al; ik heb pas dien heelen hoop doorgeworsteld,... niet goed, niet slecht, maar.... Ik had dit pakje intusschen geopend en zag wat oude werken van mijzelven. Mijn waarde uitgever keek mij met een fijnen glimlach aan en zeide: --Dat heb ik op de laatste fondsveiling gekocht, en nu kom ik je vragen of je ze nog eens wilt laten drukken. Maar, menige argelooze lezer weet niet wat eene fondsveiling is. Een uitgever, die eenige jaren lang heeft uitgegeven, krijgt allengs een berg kopij. Kopij, argelooze lezer, beteekent niet, zooals gij waarschijnlijk denkt, een nabeeldsel, eene navolging; en de benaming is ook geene satire op de twijfelachtige oorspronkelijkheid van zoo vele boeken. Neen, in de boekenwereld beteekent kopij juist het omgekeerde, namelijk het oorspronkelijke handschrift, waarnaar de boeken gedrukt worden. Verder beteekent kopij in het algemeen het werk van een schrijver, en vertegenwoordigt ook het recht tot uitgaaf van zijne geschriften. Nu heeft dan een uitgever een hoop kopij van verschillende schrijvers en deze vormt zijn fonds. Als de eerste uitgaaf heeft uitgewerkt, kan men er later op eene of andere wijze altijd weer wat van maken. Andere letter, vernieuwing, opfrissching, verguldsel en een bandje, en--het boek gaat zijne tweede incarnatie te gemoet. Deze is een voorrecht der boeken boven de menschen. Wij menschen verschijnen maar eens, en als onze eerste en eenige uitgaaf niet goed opgaat of verkeerd uitvalt, is onze menschelijke kopij verloren, het is een mislukt leven. Maar zoowel deze vergeten, miskende of mislukte kopij, als de beste on schitterendste tekst, gaat eindelijk ten grave, naar den papiermolen, om nieuwe grondstof te worden. Doch van herdruk, gezuiverd van errata en taalfouten, verbeterd en vermeerderd, met verguld en een bandje, is hierbeneden voor den mensch geene spraak meer. Men heeft de bezwaren hiervan gevoeld en de onsterfelijkheidsleer heeft eene poging gedaan om een metaphysischen herdruk van ons te bezorgen. Maar van deze bovenaardsche herdrukken is zelfs den fijnsten bouquinist nog geen exemplaar onder de oogen gekomen; het blijft eene hypothese, eene speculatie; misschien ook zou zulk eene tweede uitgaaf eene slechte speculatie blijken, die de kosten niet loonde. Maar voor een boek is eene tweede of zelfs derde incarnatie een herleven en dikwijls pas een eigenlijk leven. Het is bij lange na niet de eigen verdienste, die de fata libelli bepaalt. Daar hangt zeer veel van den smaak, van den ijver, van de betrekkingen der uitgevers af, en menig degelijk voortbrengsel gaat, verloren, omdat het verscholen bleef, en het bleef verscholen, omdat de uitgever het slecht uitgaf en verkeerd exploiteerde. De oude kopij is dus niet alleen bruikbaar en wat waard, soms is zij even goed als nieuw. Maar het kan gebeuren dat een uitgever er het zijne van gehad heeft en te veel kopij bezit. Daarom brengt hij een deel van zijn fonds, van zijn voorraad kopij aan de markt. Dan worden er veilingen gehouden van het fonds van een of meer uitgevers. Zulke fondsveilingen hebben veel van slavenmarkten. Zelfs doode auteurs worden daar verkocht. Maar de levende worden er evenals in het Oosten uitgestald, bekeken, betast, becijferd en geveild. Voor gebreken wordt niet ingestaan, en wie er bekocht is, heeft het zijn eigen oogen te wijten. Men moet weten voor welken arbeid eene kopij nog dienen kan; of zij huiswerk kan doen, of zij gezond is en hard kan werken, dan wel of zij jong, of zij schoon is en geschikt om te pronken en te verleiden. Op die markt kunt gij ook eene prijscourant der letterkunde opmaken. Luimig goed blijft genoteerd: zeer willig en veel navraag. Gedichten, de puike, zeer wisselvallig, maar doorgaans in het geheel geen animo. Naar verzen, mooi ordinair, is evenwel redelijke vraag. Novellen, de goede qualiteit, met levendigen omzet. Theologie, men noteert lichte, middel en zware; tegenwoordig flauw; de koopers zeer geretireerd; bijna van de markt genomen. Alleen stichtelijke lectuur, de fijne soort, gunstige stemming. Gij kunt deze beurstermen ook achter de namen der Nederlandsche auteurs zetten. Dat wordt ook op die slavenmarkten gedaan, maar hier wil ik liever geen namen noemen. De geldswaarden van al die marktproducten wordt meer bepaald door de werkkracht dan door de schoonheid. Schoonheid is dikwijls te hoog en te onhandelbaar. Bevalligheid geldt meer, en modieuze zwier, die zich vroolijk en lachend voordoet, het meest. Maar bovenal er moet mede gepronkt kunnen worden. * * * * * Neen, de eerbied voor de boeken is verdwenen. Hoe ver zijn wij verwijderd van de gevoelens, die Thomas a Kempis uitdrukt. Met een gebed, zeide hij, moest men zich voorbereiden voor het lezen. Die een boek sloot had Gode dank te zeggen voor de geestelijke weldaad hem bewezen. Met gereinigde schoenzool moest men eene librerie binnentreden, en met eerbiedig stilzwijgen, want die grond was heilig. Geen stofje mocht kleven op de banden, geen vocht of ongedierte de bladen beschadigen. En die een boek in de hand nam, moest het doen met de gevoelens, die den ouden Simeon vervulden, toen hij in den tempel het kindeke Jezus in zijne armen hield. Zoo sprak de gemoedelijke Broeder des gemeenen levens; in den tijd toen de boeken groot of dik waren, zware kleederen droegen en de kostbaarste aan kettingen vastlagen in de librerie. Sedert die dingen zijn zij aan de kettingen en sloten ontsnapt, altijd lichter, en dunner, en vluchtiger geworden; zij hebben luchtige, fijne kleedjes gekregen en bonte veeren en als vrije wilde vogels zijn zij pan vliegen, de wereld door. Van zulk eene markt nu waren ook mijne boeken afkomstig, die ik nu opeens weer voor mij zag. --Kijk ze eens in, zei mijn bezoeker, en zie of ik ze kan herdrukken. --Daarover zal ik eens moeten denken, antwoordde ik;... dit niet,... dat niet ... dat is twijfelachtig,--wij zullen zien. --Kan het niet een tweede bundel van je _Vogels_[1] worden? --Men heeft dien titel vreemd, gezocht gevonden--zal ik er nu weer mee aankomen? --De titel is goed, zeer goed; hij spreekt, hij schildert, en geeft juist wat het is. Geloof mij, wij weten wat titels zijn en doen. --Daarin heb ie gelijk,--welnu, het zou kunnen; het zijn dan weer andere vogels, sommige zwakker. Maar ik moet eerst zien of ze nog vliegen kunnen. * * * * * En daar zat ik dan met mijne vroegere, nu half vergeten schepselen voor mij. Eenige van die bladen zijn al vele jaren oud en hun inhoud vaak veel ouder--lang of kort geleden, zooals gij wilt--maar mij ontsloten zij eene andere, soms geheel afgestorvene wereld. Eene mengeling van aangename en droevige herinneringen. Johannes heeft het uitstekend voor mij uitgedrukt, toen hij op Patmos schreef: "En ik nam het boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honig--en als ik het gegeten had, werd mijn ingewand bitter." Hier zijn liefelijke herinneringen uit de eerste vaag van het leven; jonge droomen, wier bloesem vrucht belooft; rooskleurige wolkjes, die de schoonste gestalten voorspiegelen. Maar de werkelijkheid is gekomen, en de droomen wekken nu soms een glimlach; onverwachte vruchten zijn gerijpt; en uit de wolkjes zijn andere dingen te voorschijngekomen dan wij dachten. Soms ook was de werkelijkheid grootscher en schooner dan de droomen. Maar in ieder geval, de tijd, die ons heeft voortgejaagd, heeft een afstand gesteld tusschen die bladen en ons, en schoon de denkbeelden en herinneringen ons lief zijn, hunne vormen zijn anders dan die, waarin wij ze nu zouden boetseeren. Vandaar dat vreemde gevoel van lust en onvoldaanheid. Hier is de _Oude haard_[2] met alles wat er omheen behoorde. Hij is begroeid met herinneringen, als de muren met de oude gebaarde takken en telkens jonge bladeren van het klimop. Het vuur, dat er in gloort, verlicht den antieken schoorsteen met zijne beschilderde tegels en eikenhouten beeldsnijwerk, en het goudleer aan den wand. De oude portretten aan den muur bewegen zich en willen uit de zwarte lijsten komen; zij knippen met de oogen en knikken met de hoofden en de lippen zeggen fluisterend: zijt gij daar terug? En het vuur knettert en vlamt, terwijl ik er in zit te staren, als, vanouds, en uit de vonken en vlammen springen beeldjes en gedachten te voorschijn. O jonge, eens bij het haardvuur gekweekte, teedere gemoeds-orchydaeen, phantastieke figuren, droomverbeeldingen, wat wilt gij, wat hebt gij mij nu te zeggen? Welke zonderlinge schimmen dansen weer in de kamer, trillende schaduwen der voorwerpen, caricaturen van vorm, geworpen op den geheimzinnig schemerigen muur! Kleine kabouters zitten op de smeulende turven en klauteren heen en weer, onmogelijke, onleefbare schepsels, half idee en half vorm, maar die niet aan zoo veel vleesch en been konden geraken als noodig is om te bestaan. Geboren bij het staren en mijmeren in den kunstmatigen gloed van het vuur, vervliegen zij zoodra het uitgaat. Als ik wil toegrijpen, is het enkel asch. Nevelige, schichtige, tamme piepkuikens, uitgestorven dodo's, met de nieuwe vlucht kunt gij niet meer meedoen. Daarna is het een boek, een Levensboek. Dat is een stuk waarachtig leven. Hier komen weer liefelijke beelden op. Geen marmeren beelden en geen forsch gekleurde schilderijen: het zijn zachte frescokleuren met gedommelde vormen. Kinderlijk soms en gebrekkig van behandeling, maar daartusschen goed geslaagde figuren, en allengs worden duidelijker, sterker en bestand tegen weer en wind. Dit alles hernieuwt zich voor den geest en ik leef een dubbel leven, met de bewustheid van het heden en de bewustheid van het verledene. En wat oordeelt het heden over het verledene? Zooals men op zeker tijdstip gevaar loopt zijn werk beter te vinden dan het is, zoo is er ook na een lang tijdsverloop kans dat men het slechter acht dan het is. Ontwikkeling en omstandigheden hebben den geest gewijzigd. Den ouden toestand ontgroeid, is men er vreemd aan geworden. Wij hebben andere denkbeelden, andere idolen, of, zoo zij al dezelfde zijn, zij eischen andere vormen. Laat de dooden de dooden begraven. Eenmaal hebben zij geleefd, kunnen zij weer levend worden? En toch zijn zij ons zoo lief, toch willen wij er veel van behouden, ook in dien vorm. Men hecht aan zijne jeugd en de kindergestalten zijner phantasie. Zouden zij thans ook wel beter geschreven zijn geworden? Zijn zij voor anderen, buiten ons eigen heden staande, niet even goed alsof zij pas ontstonden? Hebben zij althans niet _iets_, dat duurzamer is? Hier en daar zal iets gezuiverd, hier en daar iets tams versterkt, iets transcendentaal gehoofdletters genivelleerd, een ouderwetsche muts gemoderniseerd moeten worden. Mogen zij zoo verbeterd niet weer opnieuw de wereld in? Of--want straks was ik zoo streng voor anderen--of, is dit de lokstem, der eigenliefde, en moeten wij vreezen: Nochtans 't geschiet op liste, Alzoo ik mercken kan, Daer praet een blau sophiste Met den armen lettermann. * * * * * Laten zij dan als eene vlucht vogels maar weer uitvliegen, de vorige bende achterna. Eerst zullen wij ze monsteren. Daar zijn er wier slagpennen nog stevig zijn. Andere, niet zoo sterk, zullen zich toch nog goed houden. Andere weder kunnen op hunne eigen wieken niet drijven; ach, zij hadden eigenlijk geene wieken. Sommige van de vroeg gekweekte hadden hun vollen wasdom nog niet bereikt en waren dun in de veeren. Nu, na hun langen tocht, zijn zij geheel krachteloos en tam geworden en hun gevederte zoo kaal, dat zij op geene pluimage meer aanspraak kunnen maken. Zij hebben te weinig meer gemeen met de overige om in staat te zijn nog eens met hen uit te vliegen. Daarom zal ik ze liever in eene kooi zetten. Dat is beter voor zwakke of gebrekkige vogels. Het is er al mede als met de menschen--er zitten er vele in kooien, met verlof om in eene beperkte ruimte rond te fladderen, en die niet sterk en maar dun in de veeren zijn bevinden zich daar het best bij. Soms kan er een ook eene veer leenen, die een ander afgeschud heeft, en maakt dan zelfs onder zijne kooikameraden nog heel wat vertooning. Maar wat zich vrij en krachtig voelt, verlaat de beperkte ruimte, vliegt uit en zoekt zijn eigen weg en bestemming. Waarheen? Vooruit! Op eigen sterke wieken gedragen, jaagt hij voort in de onbegrensde ruimten. Sommige, door een gunstigen wind voortgestuwd, duizelen van hun eigen vaart, worden angstig, willen terugkeeren, en bij het wenden van hun koers storten zij neer en verpletteren zich den kop. Andere, die gauw duizelig werden en niet zoo hoog vlogen, breken maar een vlerk of poot en krabbelen stilletjes weer naar de kooi terug. De beste en sterkste kampen gewoonlijk met veel tegenwind; menige schoone veder wordt hun ontrukt, bij het zoeken naar hunne bestemming en het moeitevol vergaderen van voedsel, doch naar de kooi, al konden zij het er nog zoo goed hebben, keeren zij nooit weer. Laten zij dan uitvliegen. Ik verzamel ze en roep ze op, Kom hier, gij, deze on gene van mijn pluimgeslacht. Maar ik geef daartoe liever het woord aan den hop; die weet beter hoe men dat volkje moet toespreken: Ehophophophophophophophophophop Io io, ito ito ito ito Kom hier, gij deze en gene van mijn pluimgeslacht, Die 't bouwveld der landlien in vruchten rijk Beweidt, ontelbare vluchten op koren belust, Zaadkorrellezende bent, Snel van vleugelen, verbroldend zoetklinkende zangen, Die in scharen de voren Vullend, om de kluiten fladdrend zachtkens orgelt Lieflijk met zoeten zang Tio tio tio tio tio tio tio tio Wie er van u in de tuinen en klimop twijgen het voedsel u leest, Wie op de bergen, gij ook wildevijgenverslinders, aardbezienpikkers, Vliegt haastig nu hierheen op den roep van mijn stem, Trioto trioto totobrix. Die, op de lage moerassen, de bijtende Muggen opsnapt, of de waterstreken Bewoont en het schoon Marathonische grasland, Vogel, gij bontgevleugelde, Hazelhoen, hazelhoen, Gij ook, die over den golfslag der zeeen Saam met de scharen der ijsvogels vliegt. Komt hier, komt hier, om te hooren de nieuwigheid! Al de geslachten verzaamlen wij hier nu Van 't langhalzig vogelenvolkjen. Want, hier komt een wijze grijsaard, Vol van nieuwheid, Nieuwe dingen komt hij stichten. Komt hier ter vergaadring allen, Haast u, haast u, haast u, haast u, Torotorotorotorotorotix Kikkabau, kikkabau, Torotorotorotorolililix! Dit heerlijke vogellied, echte vogelmuziek met woorden van Aristofanes, is in het jaar 414 voor het eerst op het Atheensche tooneel gezongen en gespeeld; het is uit zijne comedie _De Vogels_. Ik mag van deze "lustige, gefluegelte buntgefiederte Dichtung," zooals Schlegel ze noemt, toch wel spreken zonder dat de kwade tongen mij de domheid toedichten mijne dieren daarmee te vergelijken? Toch is misschien de waarschuwing niet overbodig. O, lustige, gefluegelte, buntgefiederte Dichtung, welk een libretto voor Mozart's Papagenen--melodieen! Dat zijn eerst Vogels, waarde lezer, en van schitterende pluimage. Dat is een van die boeckxkens--wat een letters had men vroeger noodig--om gelijk Simeon als "het kindeke Jezus" in zijne armen te drukken, en te juichen dat men die heerlijkheid aanschouwt. Maar het is toch geen boekje voor iemand als onze gemoedelijke Thomas a Kempis. Het is een goddeloos boek, vol Atheensche Witze en Attisch zout, vol dolle idealen en snijdende parodieen, met wat obsceniteiten, afgewisseld door de zangerigste melodieen--fijne poezie en nachtegaalsslag,--en bovendien met eene foliopersiflage van de goden, eene persiflage, die Aristofanes den tweeden prijs niet deed missen, terwijl het zachtstwijsgeerig rationalisme Sokrates het leven kostte. Zoo waren de Atheners. Aristofanes voert er in zijne _Vogels_ een paar exemplaren van op. Peisthetairos, een plannenmaker en speculant, en Euelpides, groot van verwachtingen, klein van moed, lustig van zinnen. Zij verlaten Athene om ergens op of boven de aarde eene betere plaats te zoeken, waar niet altijd geprocedeerd wordt, waar men zijne schulden niet behoeft te betalen en waar men zijnen lust kan vieren. Zij komen in de streken, waar de vogels wonen; zij ontmoeten den hop en stellen hem voor, in de lucht eene groote vogelstad te bouwen. Prachtige gedachte, zegt de hop en roept al de vogels, met het lied, dat ik mededeelde. Daar stroomen zij toe, eene onheilspellende wolk van gevogelte. Zij dreigen de Atheners; het zijn vogelvangers, zeggen zij en willen hen met bek en klauw te lijf. Deze verweren zich met schotel en braadspit, totdat de hop betoogt dat het vrienden zijn. Peisthetairos vertelt hun, dat de vogels de oudste heeren en meesters der wereld zijn, dat de goden zelve zich van vleugels en de hulp der vogels bedienen, dat de menschen zich in alle handelingen naar hen richten. De vogels moeten dus hun rang en heerschappij boven goden en menschen weer innemen. Zij moeten eene stad bouwen tusschen hemel en aarde, zoodat de reuk der offers niet meer tot de goden kan opstijgen en deze van gebrek moeten omkomen, als zij de heerschappij der vogels niet aannemen. Dat plan wordt met vleugelapplaudissement toegejuicht en uitgevoerd. Peisthetairos wordt koning van de nieuwe, weldra verrezen Wolkenkoekoekstad. Met eene wonderbare tegenstelling hooren wij dan uit zijn mond allerlei verstandige en eerlijke uitspraken tegen de fortuinzoekers, die allengs op de stad afkomen. Maar ten slotte stijgt de komische toon weer tot de hoogste luim. Daar komt Prometheus, zich achter een zonnescherm verschuilend, opdat Zeus hem niet zou zien, meedeelen, dat het met diens macht gedaan raakt, dat de reuk der vette offerstukken niet meer omhoogstijgt en de goden daarboven hongeren als op een vastendag. Weldra zenden zij drie gezanten, Herakles, Poseidoon en eenen Triballos, een caricatuurgod der barbaren, die koeterwaalsch praat. Zij komen beleefd tot Peisthetairos, maar deze doet alsof hij ze niet ziet en gaat voort met de toebereidselen veer een smakelijk gebraad, dat den lekkerbek Herakles allengs verteedert en verleidt. Peisthetairos is geneigd tot vrede met de goden, maar vooreerst moet Zeus hem den heerschersstaf geven, en dan zal hij de goden ten eten vragen. Onmogelijk, zegt Poseidoon; maar Herakles ruikt het gebraad en stemt al toe. Vervolgens moet Zeus hem zijne dochter Basileia--het koningsgezag--tot vrouw geven. Onmogelijk, zegt Poseidoon. Ga maar mede in den hemel met hen om Basileia en al wat gij wilt te halen, zegt Herakles; ik zal intusschen hier het gebraad klaarmaken. Het stuk sluit hiermede dat Peisthetairos terugkomt, reeds van verre schitterend als de zon, en naast hem de schoone bruid Basileia. Hij zwaait den bliksem, het gevleugelde werptuig van Zeus, en een heerlijke geur stroomt door alles heen. Het koor jubelt hem een hymenlied te gemoet en bezingt de macht van den bliksem, gevoerd door den nieuwen Zeus, en zijne prachtige bruid Basileia. En zoo eindigt deze halsbrekende vogelutopie. Maar wij, hoe komen wij weer heelhuids uit deze wolkenvogelstad op de gewone aarde en bij ons eenvoudig pluimgedierte? Doch zoo gaat het in het leven. De lezer dient er zich mee te troosten, dat het plotseling geschiede, zonder overgang. Evenzoo worden wij met een schok wakker uit de schoonste droomen, en na de omzwervingen in den ether zien wij opeens onze voeten op de straatsteenen staan. Toch blijft van dat zweven in de wolken altijd iets in de herinnering rondzingen. NOTEN: [1] Deze bundel, ofschoon de oudste stukken bevattende, verscheen eerst in 1874 na anderen van jongeren oorsprong, die in 1872 het licht had gezien. [2] Een stuk van ouden datum, niet herdrukt. Verscheen in Nederland, 1856 * * * * * TWEE KUNSTENAARS. Eens waren de geesten overal. Van alle stof waren zij de bezieling, zij woonden in de lucht, in de stroomen, in de zon, in de starren, in den bloemkelk en de kleine beek, in den mensch en zijne omgeving, in zijn denken en voelen, en heel het leven was van hen vervuld. In de lucht en de bosschen maakten zij muziek, aan de starren en wolken gaven zij spraak, en leerden haar, evenals den bergen, boomen en wateren, de heerlijkste dingen vertellen; aan de bloemen schonken zij de poezie der kleuren, den mensch de verbeelding, en zoowel in als buiten hem ontstond door hen de liefelijkste wereld. Het is niet de schuld der wetenschap, dat het niet meer zoo is. Integendeel. Dat hebben de geestverdrijvers, waarvan sommige de wetenschap tot hun doel gebruiken, verspreid om den smet van zich af te werpen. Het was aan de domheid te wijten en aan de menschen, die niet denken en gevoelen, maar alleen grof zinnelijk waarnemen. En de geesten verdwenen. Hoe verdwenen zij? Toen de menschen de geesten niet meer begrepen en kenden, beweerden zij dat deze niet bestonden. Zij knepen hun oogen dicht en spraken: de zon is weg.--Ziet! zeiden de geestendooders, men heeft ons vroeger wijsgemaakt dat er geesten waren in de natuur, maar wij weten het nu beter. En zij namen een boom en zaagden hem door, tot anderen, die nog twijfelden zeggende:--Ziet gij wel dat er geen geest in zit; het is alleen schors, spint en hout. Anderen namen een schoon beeld.--Als er geest in zit, zeiden zij, dan moet hij er ook uitkomen,--en zij braken het open. Eerst de beenen, en toen zij niets vonden, het lijf, en toen het hoofd, en toen alles te morzel lag, riepen alle omstanders uit:--Zij hebben gelijk, daar is geen geest in; ook in de kunst is geen geest. Daarna kwamen er, die hun dikken, vetten buik en hun dikke, vette wangen bevoelende, uitriepen:--Kijk, dat eerst is werkelijkheid, maar wat men niet tasten kan, bestaat niet.--En alle menschen vonden het ook zoo. In den staat maakten zij eene wet, dat niemand meer van geest mocht spreken, want dat geesten gebleken waren ijdele hersenspooksels te zijn, die niet bestaan en volstrekt van geen practisch nut zijn. --Ach, waar zijn de geesten heengevlogen? klaagden de kinderen,--waarom komen zij niet meer zoo heerlijk voor ons zingen, en ons van allerlei goeds en schoons vertellen? Ach, waar zijn de geesten? --In den kelder, in het turfhok, stoute bengels! riepen de menschen. Toen er aldus bewezen was, dat in alles wat er goed, waar en schoon op aarde verschijnt, geene geesten zaten; toen de beste en verstandigste der menschen elkander geleerd hadden en overgeleverd, dat nergens meer geest is, en het maar alleen de kinderen waren, met de oude bestjes en zwakke zielen, die slechts een duister besef hadden, dat er toch behalve al die stoffen ook geesten waren in het heelal, toen wisten de lieden niet beter of het was op het kerkhof, en in den toren bij den nachtuil en in het spookkasteel, en bij de dwaallichten en den driesprong, en in het koffiedik, dat zij de geesten moesten zoeken; en in de plaats van de reine etherische wezens, stelden zij ze zich niet anders voor dan als geraamten en bleeke spoken, katten en duivels uilen en heksen op bezemstelen, ruischende door de holle en galmende gangen van eenzame gebouwen, joelende op de hei en door de schoorsteenen, zwierende, gierende en jankende door de nachtelijke duisternis. De geesten leefden ook niet meer onder de menschen; zij gingen hooger wonen en maakten zich onzichtbaar. Niet langer spraken zij onmiddellijk tot de aardbewoners uit elke plant, uit het bosch, uit het meer, uit de zon; zij bewogen zich niet meer in het klare licht van den dag en onder de woelende, zwoegende menigte der stofaanbidders; het waren slechts uitverkorenen, aan wie zij zich bleven vertoonen. Doch als de nacht, de engel met het kalme, reine gelaat, de beschermende duisternis over de schepping uitspreidt, als de geestverjagers en stofaanbidders slapen, dan komen zij overal te voorschijn. Dan vieren zij feest en reien in de bosschen en op de velden, dan spelen zij met de karbonkels van den starrenhemel en dobberen wiegelend op de koppen der golven; dan zingen zij in de suizende lucht en vermeien zich in de kelken der bloemen. Zij dringen door in de kamer van den werkenden dichter en omringen hem met muziek; zij omzweven de sponde van den slapenden kunstenaar en kussen zijn hoofd, zijne ziel met nieuwen gloed vervullende. Alles, alles is dan weer bezield en over alle stof zweeft weer de geest. * * * * * Het was winter, het was een heerlijke, bezielde nacht, toen ik eens twee van die geesten gewaarwerd, die in mijne kamer werkzaam waren. --Welkom, welkom, schoone etherische verschijnselen, wie gij ook zijn moogt, welkom, want ik gevoel, dat gij geluk aanbrengt! --Ik heet Lucht, zeide de een. --En ik ben Vorst, sprak de ander, wij zijn van de geesten der kunst. --Hoe! riep ik verbaasd, zijt gij kunstenaars? Ik dacht dat lucht niet anders deed dan zuurstof, koolstof en stikstof verwerken, en wind, regen en nevels maken, en dergelijken. En vorst dacht ik mij slechts als een besneeuwden grijsbaard, met norsch gelaat en ijs om zijn hoofd en zijn hart. Hoe! stroomt de gloed der bezieling door uwe gedaanten, en zijt gij nog iets meer dan natuurwetten? --Langen tijd, zeide de een, hebben wij ons met vele beslommeringen en drukten moeten, bezighouden. Wij hebben hagel en sneeuw moeten maken, de aarde verharden en met eene sneeuwlaag overdekken, duizenden schadelijke dieren en insecten verjagen en dooden. Met machtigen adem heb ik in stormen geloeid en de bladeren afgeschud, en de geheele natuur tot de rust van den winter bereid. --Ja, zei Vorst, ik heb mijn gezel moeten helpen, slooten en wateren met eene dichte, doorschijnende korst bevloeren. Dat was onze nuttige arbeid, de aardsche en stoffelijker zijde van onzen werkkring, en algemeen was het alleen deze, die men beschouwde, want wat daar ook kunstigs en schoons in mocht zijn, niemand, die daar op lette of dat begreep. Zij vroegen maar: is het nuttig? Zoo ja, was het goed, zoo neen, weg er mede. Het was of het ijs bij de schepping slechts bestemd was voor narresleden en het vermaak van schaatsenrijders; de bloemen op de glazen werden verwenscht en weggevaagd; de reine sneeuw met hare kunstige vlokken, met hare starren en rozen, werd bevuild, zoodra zij onder de menschen kwam. En die schoone ijzelkristallen, die als een bekleedsel van edele steenen aan trossen de takken en bladeren der boomen omhulden, en waaraan wij zoo veel kunst besteedden, wie heeft ze met kunstzin beschouwd? --En wat is men wispelturig en tegenstrijdig in zijne wenschen en meeningen, riep Lucht uit, Dan eens is men kwaad, omdat Vorst uit scherts hier of daar een neus purper kleurt; dan is men blij, omdat men schaatsenrijden kan. Nu wil men dooi hebben--voor de scheepvaart zoo het heet--doch eigenlijk, omdat men zelf op reis moet; dan wil men vorst tegen het schadelijk veldgedierte en omdat het gezonder is. --Dan zijn wij te streng, zei Vorst, en dan zijn wij weer te zacht. Velen schijnen ook geheel onverschillig omtrent ons en cijferen, eten, drinken en slapen, alsof wij niet bestonden; anderen hebben een afkeer van ons, omdat of stoffelijke armoede, of armoede des geestes hen onvatbaar maakt om ons te begrijpen en te genieten. --En gij wordt niet ontmoedigd en staaktet uw arbeid niet? --Denkt gij, sprak Lucht, denkt gij dat wij slechts werken uit vrees voor straf, of in hoop van belooning? Weet gij dan niet dat men evenals het goede ook het schoone moet doen om zijns zelfs wille? Zij waren intusschen niet werkeloos geweest, maar zweefden en golfden af en aan, en waren druk bezig bij mijne ramen. De glazen kraakten en ik ontdekte toen een treffend schouwspel. --O, wat kunstige en grootsche arbeid riep ik verrukt. --Noem het geen arbeid, zeide Lucht, het is uitspanning, het is genot, het is loutere liefde voor het schoone. --Heerlijk, heerlijk, zongen zij beiden opgetogen;--zie, des daags hebben de menschen ons verjaagd, maar des nachts, onder het geestrijk licht der maan, als de menschen met hun bespottelijke eischen en hun kunstdoodenden ijver, die zeker ons werk terstond zou vernietigd hebben, slapen, dan werken wij aan ons lievelingswerk, heerlijke goddelijke kunst! Welke geheimzinnige kunstenaars waren zij! Evenals eenmaal in de middeleeuwen de vrome meesters de kerkvensters, zoo overdekten zij de glazen onzer huizen met de dichterlijkste en schoonste gewrochten van hun geest: waarlijk schenen zij niet om roem of eer te werken, naarom de kunst zelve. En evenals bij die oude meesters, schenen hun arbeid en hunne middelen een geheim voor de menigte verborgen. Slechts even had ik hunne handeling gezien. Helaas, ook ik moest in de straf deelen, die de geestverjagers hadden beloopen, en ik mocht de geesten in hunne kunstoefening niet langer aanschouwen. --Slaap, slaap, zeiden de geesten, en zij wiegden mij en legden mij neder.--Slaap, slaap, gij kunt ons niet langer zien arbeiden, maar morgen zult gij onze werken zien. * * * * * --Moeder, moeder, riepen 's morgens de kinderen, die het 't eerst ontdekten, naar de glazen loopende,--wat heerlijke bloemen en beelden! Dat hadden 's nachts de geesten gedaan. Herinneringen aan alle streken der aarde penseelden zij op die ruiten. Er was geen plekje op de aarde, waar Lucht niet geweest was, en Vorst had ook veel gezien, zoodat zij eene rijke verbeelding en een schat van ideeen hadden, die onuitputtelijk was. Uit het verre Westen, de nieuwe wereld, brachten zij herinneringen van breede rivieren en watervallen, van reusachtige wouden en berggevaarten. Uit het Zuiden had Lucht vroegere herinneringen van krachtvollen plantengroei en exotische bloemenpracht, en van de heerlijkste gedaanten uit dat land der schoone vormen, en Vorst etste ze met fijne stift op het glas. Uit het Oosten bootsten zij palmen en waaierboomen, aloe's en cactussen na, en edelgesteenten, met de weelderige gedachten en vormen van het morgenland, de wieg des menschdoms. Al die beelden uit een lang en werkzaam leven, die herinneringen van hunne veelvuldige omzwervingen en reizen op de aarde, kwamen in de schoonste vormen door hun rijk en weelderig genie te voorschijn, en werden door de kunstenaars met steeds vernieuwde oorspronkelijkheid voortgebracht. Onbaatzuchtig, als alle ware kunst is, werkten zij niet alleen voor rijken, maar ook voor armen; zelfs waren er bij sommigen der aan zienlijkste lieden, waar nacht en dag in alle vertrekken eene zoele zomerhitte heerschte, geene sporen hunner kunst ontdekt, en daar waar geene gordijnen zelfs waren om de glazen te bekleeden, bedekten zij die met hunne keurigste scheppingen. Edele belangelooze kunst, die hare gaven uitstrooit zonder aanzien des persoons. Doch hoe grootsch en machtig het genie van mijne kunstenaars was, doorgaans werden zij weinig begrepen en geacht. Daar zat een geleerde te werken, terwijl zijne glazen met planten en gewassen overdekt waren, cactussen, cederen, palmen, orchydaeen, en wat al meer, vreemder en zeldzamer dan die der rijkste broeikassen of botanische tuinen; fossielen, visschen, schelpen en kristallen zonder wederga; maar de geleerde lette er niet op of keurde ze zijne aandacht niet waard. Het was immers maar kunstwerk! Wat verder stond een kantoorman voor zijn raam, en krabde er den nagel de keurige ciseleersels af, om een open plekje te maken, waar hij doorheen kon zien. Zoo moest wel het kunstwerk een oogenblik zijn oog treffen, maar toen hij onder al die voorstellingen geen enkel cijfer zag, niet eens eenige afbeelding van een bankbrief of eene coupon, ging hij spoedig weer aan zijn lessenaar zitten, want hij vond er niet het minste nut in. Hier waren weder de schoonste lijnen en vormen, de bevalligste versierselen, het weelderigste loofwerk; maar de beschaafden waren er ongevoelig voor. Ginds waren het de stoutste stukken juweel, de meest verscheidene pracht van edele steenen, maar noch wereldlingen, noch pronk- en prachtminnaars, noch vrouwen keken er naar. Elders spreidden zich de vreemdste natuurtafereelen uit, zonder dat men ze vermoedde, en men reisde naar verre vreemde landen. Zoo onverschillig, ja zelfs zoo nauw bewust van al die schoonheid waren de menschen; hun brein was zoo arm geworden, hun waarnemingsvermogen zoo ongeoefend en verdoofd voor wat bovenzinnelijk is, dat alleen wat grof tastbaar was voor de zinnen, door die ruwe werktuigen kon worden gevat.--Bah! riep de zoon der stof en der werkelijkheid, ik kan door de ruiten niet heenzien, en hij veegde terstond de kunstgewrochten weg, zooals hij het reeds vroeger in zijne ziel alle fijne draden en weefselen had gedaan. Maar de kunst en het schoone bleven er niettemin om voortleven en de kunstenaars aan hunne roeping voldoen en hunne bestemming vervullen. * * * * * Ziet, de zon komt door, de nevelen trekken weg, en de warme stralen vallen recht op de kunststukken mijner glazen. Heerlijk, dubbel heerlijk zien zij er nu uit. De bosschen en bergen krijgen nieuwe en verhoogde tinten, de edele steenen nieuwe flikkeringen en kleurspelingen, de bloemen en planten nieuwe gloed en verven. Maar het duurt slechts eenige oogenblikken en weemoedig zie ik de gedaanten veranderen en verwelken, de kleuren verbleeken. Langzaam vormt zich een droppel, die meer en meer zwelt en glinstert, totdat hij, zijn toppunt bereikt hebbende, door zijne eigen ontwikkeling valt, om de aarde slechts te vermeerderen met een weinig slijk. Nu volgt alles den eersten droppel en smelt meer en meer, en eindelijk lessen zich al die kunstrijke gewrochten, in droppelen van de glazen vallende, als een liefelijke droom bij het ontwaken in louter tranen op. Het is of de betoovering is verbroken. Bosschen, cederen, bloemen, zeegewassen, edelgesteenten, ijsbergen--weg, weggesmolten, als de idealen der maagd, als de tranen der menschen, als de droomen der wijzen, en de schoone kunstwerken leven niet meer, dan als de herinnering van iets, dat eens groot en liefelijk geweest is. Is het een bewijs dat daarom het schoone, dat wij gezien hebben, ijdel is en niet bestaat? Men heeft het honderden malen beweerd en zegt het nog. Maar het zou even juist zijn vol te houden, dat de zon niet bestaat, omdat zij soms onzichtbaar is of onder gaat. Intusschen begint die zon, die onze kunststukken heeft vernietigd, ons te verwarmen en te verlichten. Als bron van warmte en licht bezit zij beide hart en verstand, maar vereenigd in harmonie en niet eenzijdig werkend als een van beide op zichzelve. In haar vurigen glans verschijnt zij mij als de Hindoesche godheid, met het vernielend, maar tevens het scheppend beginsel, dat zij in zich saamvat. Zij heeft onze kunststukken vernietigd, maar zij roept nieuwe uitkomsten in het leven. Vorst verdwijnt en de werking van Lucht verandert en wordt gewijzigd naar de eeuwige wetten; in een zoelen wind suist het en fluistert mij in het oor: --Troost u, de kunstwerken zijn vergaan, maar andere en nieuwe komen weer te voorschijn en zullen verrijzen, nog schitterender en gloeiender, en oorspronkelijker dan de vorige. Het zijn slechts veranderlijke vormen die voorbij zijn gegaan, maar de kunst en het schoone gaan niet voorbij: hunne verschijnselen in de vormen der stof zijn vergankelijk, maar zij zijn eeuwig! * * * * * EEN OUDE STRIJD. Wat de dichterlijke geest der middeleeuwen in zijne phantastische _doodendansen_ op zoo menigvuldige wijze afbeelden, en met zoo veel diepen en bijtenden humor op de wanden der kerken, in de teekeningen der handschriften of de initialen der eerste drukwerken voorstelde, heeft niet opgehouden te bestaan. Het is nog altijd de oude strijd tusschen leven en dood. Als de Noordsche reuzen, Zomer en Winter, werpen zij elkander beurtelings onder. Altijd heeft wel Holbeins knekelman de overhand--maar slechts voor een gegeven tijd, en telkens staat een nieuw leven op om den strijd te hervatten en op zijne beurt den "koning de verschrikking" te overstelpen. Het gras schiet onder de zeis van den onverbiddelijken maaier toch weder op. Uit de stof van het vergane ontwikkelt zich een nieuwe groei. Noemt gij onder de vele tegenstellingen, die elkander kruisen, en elkander schijnen te vereischen om elkander aan te vullen, die van leven en dood alledaagsch, zij is niet minder snijdend en gedurig nieuw in de bijzondere vormen, waarin zij optreedt. Ziet daar den stoet, die de dooden wegbrengt, langzaam de straten doorgaan, en de scherpste tegenstelling vormen met al wat hij ontmoet. Er zijn bakkers, die aan de levenden brood brengen; artsen, die het leven gaan verdedigen; kooplieden, die, vast op het leven steunende, twintig jaren vooruit hunne plannen berekenen; lange rijen van fraaie huizen in aanbouw gaat hij voorbij; verder een orgel, waarvoor kinderen dansen; het orgel houdt even op voor de zwarte mannen, en de kinderen kijken naar den stoet met een verbaasden glimlach om wat zij niet begrijpen, en het speelt weder voort. Verder gaat de stoet en nadert de uiteinden der stad; eerst nog voorbij drukke pakhuizen, en fabrieken niet, hare stoomende, snuivende, rammelende en kletterende bezigheid; de haven laat hij links liggen, met al hare schepen, waar het bootsvolk zingend bezig is de zeilen te hijschen voor de reis naar een ver land om van daar de geriefelijkheden voor de levenden weer mede te brengen. De zwarte wagenmenner, die onder de wippende huilebalk zijn winst zit te berekenen, is de stad uitgereden, en langzaam gaat het nu door dreven, waar de natuur met haar frisch groen, hare vruchten en bloemen niets dan weelderig leven verkondigt. Een half uur later heeft die stoet zijn werk volbracht, en alles is omgekeerd: de dood had al die mannen met zijne machtige vuist een oogenblik bedwongen, zij ontworstelden zich aan dien greep, zij keeren terug tot het leven, het leven neemt de overhand, en de stoet, als uit eene dommeling ontwaakt, is, als door terugwerking der tegengehouden veer, bij uitstek levendig geworden. De doodenrijder, moderne Psuchopompos of Thot, zweept de paarden, die, de koppen schuddend, wakker wegdraven: de volgkoetsen rijden luchtig voort, dartel schuddende op de riemen; de zwarte dragers ontheffen hunne aangezichten van de nederwaarts gebogene lijnen, en wenkbrauwen, oogen, mond staan weer in de gewone plooien. Deze optocht, die dagelijks als eene sombere frons het anders levendige gelaat der stad rimpelt, heeft ook daar geen spoor meer achtergelaten, en in de werkzame, levendige stad ziet de terugkeerende stoet er als iets vreemds, iets onbegrijpelijks, iets bespottelijks uit. Wij zijn de stad straks uitgegaan en den landweg op, en dezen volgende komen wij in een dorp. De oude tegenstelling vindt gij ook daar. Gij zult haar kunnen ontmoeten in een klein nederig huis, dat geheel gesloten is. Nog gisteren was het open, en prijkte het eenige raam met verschillende winkelwaren. Achter in den winkel lag een hoop talhout en turf, benevens klompen en touw; worsten hingen van de zoldering af en aan een houten rek boven de toonbank eenige bundels vetkaarsen. Maar voor het raam was eene heerlijke uitstalling; daar lagen, tot mondterging van alle kleine broekemannetjes, die naar de bewaarschool gingen, wat appels, een schoteltje, waarop eenige geelgestreepte brokken, en wat zoetgoed, in eenige koekjes van een hoogst verdacht en dubbelzinnig voorkomen en van de zonderlingste kleuren bestaande--een gruwel voor u, mevrouw, als men ze had durven vertoonen aan uwe theetafel met de fijne Japansche kopjes, eene heerlijkheid voor de kleine schoolkinderen, die er op de toonen naar stonden te hunkeren en met de vingers tegen de glasruiten er naar wezen; zoo valt er over de smaken niet te twisten. Voorts hingen daar drie geelgroene sigaren aan een touwtje, en er stonden ook twee bierglazen, een met knikkers en een met griffels gevuld; en op eene van de ruiten was een papier geplakt, dat "doopgoed te huur" aankondigde. En waarlijk! er hing ook eene prent van Klein Duimpje, die ik al zoo lang tevergeefs gezocht had, namelijk een ouden, echten Klein Duimpje, geen nieuwe namaak. Want ook deze antiquiteit wordt, als zoo vele andere oudheden, nagemaakt! Maar dan is de charme er af, de geur van archaisme en naiefheid verloren. Zelfs de versjes worden gemoderniseerd en verliezen al hunne waarde. Nog herinner ik mij een van die tweeregelige onderschriften: Moeder zeit wel dat is fraai Daar zit hij in de eetschapraai. Wat dat beteekende wisten niet alleen mijne kornuiten niet; ook de groote menschen begrepen het niet meer. Maar ik wist van mijn vader, die oude boeken kende, dat schapraai oudtijds een kastje, een buffetje zouden wij nu zeggen, beteekende en ik was trotsch op deze kennis. Het was mijn eerste woord Oud-Hollandsch, en het heeft misschien invloed uitgeoefend op mijne zucht om er meer van te kennen. Later verlangde ik dikwijls naar zulk een ouden echten Klein Duimpje als eene herinnering aan de jeugd. Ik zocht er naar, alsof het den houtprenten gold van een Spieghel onser Behoudenis. Maar ik vond hem nooit. Wel nieuwe namaaksels, zonder de eetschapraai, die de moderne kunstenaar en dichter niet begrepen en weggelaten hadden. En hier hing nu een echte, zeer kunstig en eenvoudig afgezet met ronde vlakjes rood en groen, die op elk figuurtje met losse hand waren uitgestrooid, geheel onpartijdig, waar zij ook neerkwamen. Ik wilde die prent koopen, maar de deur van het winkeltje was gesloten: van al de heerlijkheid is vandaag niets te krijgen, en als de kleine jongens hooren, dat dit zoo is, omdat de oude winkelier dood is, dan begrijpen ze er niets van, omdat dit woord voor hen zonder eenige beteekenis is, of zij vinden den dood iets zeer ondeugends, omdat dat ding hen belet bij het koopen van een griffel een brok toe te krijgen van den goeden man. Zagen wij in de stad het leven de overhand nemen, hier heeft op het oogenblik zijne machtige tegenpartij het gewonnen. De groote medicijnflesch van den meester heeft er niets tegen kunnen doen, en staat nu op den schoorsteen in het kamertje achter den winkel, en de kurk kijkt schuin en verlegen op de deftige bef neer, alsof zij zeggen wilde: daar komen wij gek af. De hoog en bijna tegen de zoldering hangende schilderijtjes en de spiegel zijn naar den muur omgekeerd; zooals dat, zoowel uit een soort van eerbied als van bijgeloof, pleegt. Alles is verzegeld, maar eene kast met hardgeel geverfde deuren niet, en als gij die opent, ziet gij daar een alledaagsch, maar even ondoorgrondelijk iets. De oude man, die daar ligt, is geen zeer bekend of publiek persoon geweest; zijn strak gelaat, met die bijzondere uitdrukking, die gewoonlijk aan den mond van dooden eigen is, moge ernstige denkbeelden inboezemen en een heer van gedachten--maar het zegt niets aan den beschouwer over het geheim van het innerlijk leven, van het zedelijk en geestelijk bestaan van dien man; misschien was hij goed, voortreffelijk, misschien slecht, misschien was hij gelukkig of diep rampzalig. Alleen zijn koud kleed ligt daar nog, zijn tast--en zichtbare vorm,--het etherische is weg, vervlogen als een vlug zout, waarvan de flesch gebroken is. Een paar dagen later is ook hier een kleine stoet, die hem wegbrengt; acht mannen dragen de baar, die door een vijftal andere mannen gevolgd wordt. Ook hier moet hij zich dwars door het leven een weg banen; paarden en koeien, wagens en karren, arbeiders, werklieden en kramers; en de schooljeugd stuift op de klok van twaalf het schoolgebouw uit, en dartelt om de dragers heen, als zij van tijd tot tijd stilhouden, om van hand te verwisselen, en daarbij de hoeden even afnemen ten eerbiedigen groet. * * * * * Kinderen had de man niet nagelaten en de eenige erven waren verre neven en nichten. Op den dag, die voor de ontzegeling en tevens voor den openbaren verkoop bestemd was, waren deze en andere belanghebbenden, tien of twaalf in getal, al vroeg in den morgen in het opkamertje aanwezig, waar schilderijen en spiegel nu niet langer ten teeken van een doode omgekeerd waren, doch waar een karafje met bittere jenever en een keteltje met koffie veer de levenden stonden aangerecht. Intusschen heerschte de dood hier nog zoo zeer, dat er weinig, zeer zacht, en alleen met groote tusschenpoozen van stilte gesproken werd. De jonge meisjes stonden te snappen en tusschenbeide zacht te giegelen, maar zij deden het stilletjes in een hoek, en met de hand voor den mond; de overige vrouwen hoorde men in de oogenblikken van stilte zeer diep zuchten alsof zij al de zonden der geheele wereld te boeten hadden. --Wat is hij gauw uit den tijd geweest! sprak er eene, met een zucht, dien zij uit de zolen van hare schoenen ophaalde. --Dat is hij net, zuchtte eene andere. --Och! zou hij zijne ziel wel hebben bezorgd! twijfelde eene derde. --Kijk, 't was verleden jaar met Sint Jan, neen Heere mensch, waar gaat de tijd heen, 't wordt nou met Sint Jan al twee jaar, daar was buurvrouw Pietertje's meu, je kent buurvrouw Pietertje? nou, die haar meu, of eigenlijk haar mans meu, weet je, want haar mans moeder moest zuster tegen haar zeggen, en die zat aardappelen te schillen, en krek was ze weg. --Wat zeg je, me lieve mensch! --Nou ik zeg maar, 't is een heel ding, zoo ineens van het tijdelijke in 't eeuwige; een mensch heeft toch al eens wat te disponeeren en te overdenken. --Net, ware vrouw, dat zou 'k zeggen; ik zeg geen kwaad van hem, maar zoo opeens als hij, dat is toch altijd een bedenkelijk ding, als een mensch zoo met al zijne zonden heengaat,--maar ik wil hem niet oordeelen, de Heer heeft het oordeel. Intusschen had dit alles wel iets van een oordeel; maar den overledene, kalm in zijn aarden rustbed, raakte dit niet. Hoe langer hoe meer begon nu het leven te winnen, en de dood te verliezen. De koffie en de karaf werden aangesproken, de taal werd levendiger en luider, en stuk voor stuk verdween die zekere gedruktheid of gedwongenheid, die, als ware men in het gezelschap van een aanzienlijk heer, tot nog toe geheerscht had. --Heeft hij iets beschreven? --Ik weet het niet, mensch, maar 't zal niet veel wezen wat hij achterlaat, hij liet zich door iedereen inpakken. --Dat zeggen ze; ik had hem in geen tien jaren gezien; maar hij was altijd wel wat losjes met 't geld. --Neen, er moet wel wat zitten, hoewel ik niet zeggen wil, dat hij goed op zijne zaken paste: 't is hard genoeg voor die 't rechtvaardig toekomt! --Och vrouw, wat zal ik je zeggen, een mensch is maar een mensch, en hij had ook al 't zijne van de zonde, en dat zullen we nu maar niet ophalen, ik zeg maar, de Heere heeft het oordeel. Maar al matigden zich alleen beschikte, openlijk door ieder dezen ook reeds het oordeel aan, de overledene bewoog er zich niet om in zijne onverstoorbare rust. --Och! hij heeft mij zoo veel goed gedaan, zeide, stil in een hoek, en afzonderlijk zittend, op hartelijken, diep erkentelijken toon, terwijl zij een traan wegveegde, eene vrouw, die niet tot de belanghebbenden behoorde, maar met eenige andere gebeuren daar mede tegenwoordig was;--och, hij heeft mij zoo veel goed gedaan, en verleden winter nog, toen mijn jongen er zoo naar aan toe was. Maar lof noch blaam was meer iets werkelijks voor den overledene, en zijn strak, onbewogen gelaat was het beeld eener ziel, voor welke dat alles thans in het niet was weggezonken. Grootsch maar huiveringwekkend is die kalmte en dat verheven zijn boven alle oordeel der menschen. Intusschen was de ontzegeling geschied en ging de notaris een bureau--kastje onderzoeken, waar men met lange halzen en opgesperde oogen omheen stond, in verwachting van een testament, waarin ieder der aanwezigen als een ver en onduidelijk denkbeeld had, alleen tot erfgenaam benoemd te moeten zijn. Maar niets van dien aard werd gevonden, louter papieren van geene waarde en eenig los geld. In de laden onder de kast vond men 's mans kleederen en het zondagspak van zonderlinge oude snede, netjes in een doek gewikkeld, onderaan. --Wat willen de vrienden met de kleederen gedaan hebben? vroeg de notaris. Er was eenige woordenwisseling over; niemand wilde ze hebben, dus was het besluit: verkoopen. Doch de vrouw, wier dankbaarheid wij straks hoorden, bewerkte, dat men het goed eene andere bestemming geven zou, en niet dulden, dat 's mans kleederen in het openbaar, aan Jan en alleman, misschien met bespotting, zouden verkocht worden. Brave ziel, dat was een kiesch denkbeeld, dat uwe dankbaarheid u daar heeft ingegeven! Middelerwijl was alles, wat er in kasten en kisten zat, uitgehaald, omvergehaald, betast en besnuffeld. Er is altijd iets in, dat hindert en stuit, aldus wat iemand in eigendom bezat en waarover hij opgenomen en bekeken te zien, en vreemde oogen in laden en kasten, vroeger slechts voor den eigenaar toegankelijk. Ook hierin was het alsof bij elke lade, die geopend, bij elk stuk, dat uit zijne bewaarplaats gehaald werd, de invloed van den dood verloor en het leven de overhand nam. Nu is het proces--verbaal der ontzegeling gesloten, en de belanghebbenden worden een voor een uitgenoodigd het te onderteekenen. --Kunt gij schrijven? vraagt de griffier. --Ja, een beetje, antwoordde degeen, die het eerst optrad,--maar ik moet eerst de fok opzetten. Die _fok_ bestaat in een grooten bril met ronde glazen en schildpadden randen, die als een weer--of sterrenkundig werktuig uit eene breede chagrijnen doos wordt gehaald. De man, die sneller een gemet zou afploegen dan eene halve bladzijde volschrijven, neemt de pen op, zeer voorzichtig, alsof hij instinctmatig begreep, welk een gevaarlijk wapen zij is, en bevestigt haar met de linker--in de breede harde vingers der rechterhand.--Waar? vraagt hij over zijn bril opziende, en het wordt hem gewezen, waar hij zijn naam moet stellen. De pen staat op het papier, maar geeft niet af--er is geen inkt in. Ingedoopt staat de pen weder op het blad, de bek buigt, buigt, buigt nogmaals, maar laat slechts twee punten zien, van elkander afgescheiden, en geen inkt vloeit tusschen die ruimte naar beneden. Nog eens ingedoopt--de man schommelt onder dat alles op zijn stoel heen en weder, onrustig, pijnlijk, zweetend,--eindelijk geeft zij af, maar bij den ophaal der _K_ met eene ontzettende ontploffing een twintigtal zwarte bommen over het blad verspreidende. Doch nu gaat het dan ook voort; langzaam wel is waar, maar zeker, bevalt de pen van eene _o_, die er als een ei uitrolt; eene beverige _r_ volgt, maar wil met het ei niets te doen hebben, van betere familie wellicht, en houdt zich op een hoogmoedigen afstand; maar trotschheid maakt niet bemind en daarom laten de _S_, zonder reden eene kapitale, en de _t_ haar links liggen. Nu volgen poot aan poot de letters _iaan_, getand als zagen, gekorven en afgeknabbeld als oude munten. De eigenaar van dezen voornaam legt zeer tevreden het hoofd op den linkerschouder, en aldus, terwijl de tong over de lippen heen en weer gaat, begint hij opnieuw eene _K_, en zijn naam _Krul_ komt er uit en op het papier, terwijl nu in het alphabet hevige onaangenaamheden schijnen te zijn, daar geene van de letters de andere wil aanraken. Onder dit alles is de lijder meer dan vijf minuten bezig geweest, de pen met stijf geknepen kromme vingers vast en loodrecht op het papier houdende, tot er eindelijk onder een triomfant gezicht van den schoonschrijver, die nu zeer bedaard zijne _fok_ afzet, afveegt en bergt in de chagrijnen doos, het meesterstuk van penneconst staat: _Korstiaan Krul_. --Jij hoeft ook geene krul achter je naam te zetten, zegt de notarisklerk, die met alle pennen, op alle papier, schrijft alsof het gegraveerd ware. Op dergelijke wijze, de meesten met evenveel inspanning, teekenen verder de overige belanghebbenden. Nu werden de aanstalten tot den verkoop gemaakt, en het is aardig op te merken, welk eene tegenstelling de drukte en woeling gaan vormen met de stilte van zoo even. De schaal is nu ten eenen male overgeslagen en het leven wint het geheel en al. Buiten is alles gedrang en vroolijkheid, binnen is alles in rep en roer. De notarisklerk luidt met de groote bel en het publiek verdringt zich; deze klerk, die tevens afslager is, gaat buiten het raam op een stoel staan, de notaris zit binnen achter het geopende venster te schrijven, en de verkoop begint. De notarisklerk:--Komaan, vrienden, dat gaat er naar toe, biedt maar eens op, die het hoogste biedt, die heeft het! eene vogelkooi, (de voorwerpen worden door een helper, ook op een stoel staande, in de hoogte gehouden en den volke vertoond) eene vogelkooi, de vogel is pas weggevlogen,--komaan, van een gulden af, een gulden, om achttien stuivers, om zestien stuivers, om veertien stuivers, om twaalf,--(langzamer) om elf, om tien.... --Mijn! wordt er gegild. --Voor Teunis Plat,--je mag de tralies wel eens nazien of ze goed zijn. Men wete, dat gemelde Teunis Plat, zeer kort geleden, een paar dagen achter de tralies had gezeten; vandaar het luide gelach, dat op deze aardigheid volgde. Zeven stukken gewicht! gaat de afslager weder voort met eene onnavolgbare radheid van tong:--komaan mannen komaan, biedt maar eens, wie biedt er wat! zeven stuks gewicht, denkt om den herijk, van twee gulden, komaan, 't is echt koper, die het hoogste biedt is ook kooper, acht en dertig stuivers, om zes en dertig, enz. Nu worden eenige Japansche borden voorgebracht. --Die moet jij koopen, van Dorsen, allons, die bij opbod, een gulden voor van Dorsen, he? je moet de vrouw wat meebrengen jongen, voor de eerste, voor de tweede, niemand niet? voor--de--derde--maal, voor van Leeuwen. En de borden worden over de hoofden heen, van de eene hand naar de andere geduwd, tot zij toevallig nog heel bij den kooper belanden. Zoo gaat, het eene stuk voor, het andere na, de inboedel, die eens de omgeving, de kleine geliefde wereld van den eigenaar uitmaakte, uiteen, en verdwijnen daarmede de laatste sporen van het uitwendig bestaan van een mensch. Zoo wij de trapsgewijze verandering in de karakters der erven nagaan, zien wij ze hoe langer hoe wilder, inhaliger en baatzuchtiger worden, met die aardige klimming, die de belanghebbenden, zoo vaak belangstellenden, en deze belangzuchtigen doet worden, en de voorwerpen, zelfs tegen elkander, opjagen. Lustig gaat het onderwijl daarbuiten toe, onder de kwinkslagen van den klerk en de grappen der menigte, welke ieder stuk goed, dat wordt voorgebracht, vergezellen. Nu eens zijn het de kaarsen, die de klerk--afslager als "het nieuwe licht" aankondigt; als er eene porseleinen kom voorkomt en een uit de menigte vraagt, of er eene barst in is, roept deze grappenmaker: "neen,--twee;" of als het eene klok is, en zij vragen "loopt zij goed?" luidt zijn antwoord: "neen--zij hangt." Eindelijk is het boeltje op, en allen gaan naar huis, de notaris met zijne paperassen, de notarisklerk met de groote bel, en de koopers met de vogelkooi, en de hangklok, en de kaarsen van het nieuwe licht, en de gebarsten borden. Ook dit weefsel is weder afgeweven. In het huis wordt geverfd en getimmerd, en waar de oude man gezeten had met zijne hoop en zijne vrees, met zijne wenschen, zijne genoegens en verdrieten, daar spelen nu kinderen en werken een andere man en vrouw. Alles wisselt, en op de stof van den een groeien de vruchten, de bloemen, en het onkruid van den ander. * * * * * De heerweg leidde langs de begraafplaats, een hoog liggend stuk land, dat, met een eeuwenouden aarden wal en greppel omgeven, in later tijd met opgaande boomen omplant was. Voor den geest van een eenzamen wandelaar, die zich op den rand van een greppel had nedergezet, bouwde zich het verre verleden op, als de herinnering van een droom, stuksgewijze, nevelachtig, en toch levendig belangwekkend. Ontegenzeggelijk was deze omwalde ruimte van oude dagteekening. Een oud Germaansch kamp wellicht, waar wagons en paarden in de rondte geschaard, en ruwe tenten opgeslagen, waar nationale krijgsdansen uitgevoerd werden, en de drinkhorens met gerstebier rondgingen, en de goudgelokte Germaansche vrouwen de eenige zachtheid waren onder die ruwe kracht; het was misschien de tijdelijke verblijfplaats van een dier oude stammen, die wij bijna alleen kennen uit de overblijfselen, die hunne dood- en grafplechtigheden voor ons bewaard hebben; of van welke kleine bende hier ook geleefd mocht hebben uit die groote karavaan der menschheid, die de aarde doortrok en slechts wat beenderen en asch, wat steenen of ijzeren wiggen en spiespunten, wat broze urnen met haar eigen verbrand overschot achterliet. Wie weet wat die oude akker nog inhoudt! Nu rusten de moderne dooden te midden en op de overblijfselen van oude wapenen, gereedschappen en huisraad uit de jeugd der volken, van een der oude stammen, die zich hier eenmaal nederzette en leefde. Terwijl de geest aldus het een en ander van het verbrokkelde verleden weder opbouwde, dwaalde het oog over den akker en zag bij eene versch gevulde groeve, waar de spa nog naast lag, eene vrouw staan, arm, maar niet slordig gekleed, die een jongen van tien of twaalf jaren aan de hand hield. Ofschoon zij zich al lang verwonderd zal hebben, wat de eenzame wandelaar daar toefde en peinsde, zag zij hem nu eerst aan en hij haar, en het kind blikte beurtelings naar hem en naar haar. Wat een hevigen strijd kostte het haar misschien, om niet te bedelen, terwijl haar trouwste steun haar pas ontrukt was. Die zieletoestand sprak duidelijk genoeg uit haar gelaat, al hield zij woord en hand en elke beweging tegen, en al belette zij haar kind het vragen. De wandelaar ging naar haar toe. --Ach, wat heb ik met hem verloren! hij deed mij zoo veel wel! zeide zij droevig. --Kunt gij geen werk vinden? vroeg de wandelaar. --God geef van ja,--maar 't is voor eene vrouw niet altijd gemakkelijk, werk te vinden. --Gaf hij u werk? --Zoo veel hij kon, deed hij het; verleden jaar nog in den kwaden tijd bestelde hij mij ergens, maar ik moest er vandaan.... --Waar vandaan? --Van het veld mijnheer, antwoordde zij, den arm over de landen in de verte uitstrekkende;--ik had nog nooit op het veld behoeven te werken, zoo ver was 't nog niet met mij gekomen, maar alleen met mijne vier kinderen kon ik er niet tegen op, en toen ging ik meewieden.... (zij zeide dit met eenigen weerzin); eerst wiedden wij eenige stukken met gewas, dat goed te kennen was, en dat ging wel. Maar toen moesten wij jonge tarwe wieden ... (zij hield even op; wat al gedachten, nooden, en strijden kwamen haar bij dit eenvoudig verhaal weder voor den geest!) ... toen moesten wij jonge tarwe wieden, mijnheer! vervolgde zij, en ik had dat nooit gedaan en nooit op jonge tarwe gelet, en toen kende ik het onderscheid niet tusschen dat en het gras--het is bijna eender, mijnheer, als men er niet aan gewoon is, en honderdmalen haalde ik in plaats van het onkruid, tarwe uit, zooals zij mij zeiden, die naast mij liepen,--maar de baas zag dit niet. Ik deed dat acht dagen, want wij moesten eten maar eindelijk zeide ik, toen ik het niet leerde, bij mijzelve: neen! de baas betaalt mij, en ik haal zijne tarwe uit in plaats van het onkruid, en toen ging ik weg;--dat was niet pleizierig voor hem, omdat hij mij daar geplaatst had, maar toen kwam de ziekte van mijn jongen daarbij, en hij hielp en redde ons toch weer.... Er waren eenige oogenblikken van stilte. --Zij zullen hem wel gauw vergeten, maar bij ons zult gij nooit vergeten worden, zeiden zij, voor het heengaan een paar doode takken, die op het graf gevallen waren, daarvan verwijderende. Na deze eenvoudige hulde ging zij vertrekken. O Diogenes, dacht de wandelaar, ik weet niet of gij uwen mensch al gevonden hebt, en of uwe lantaarn nog brandt--maar als tot de eigenschappen van den ideaalmensch, dien gij zoekt, waarachtige kiesche dankbaarheid behoort, dan heb ik van uwen mensch al een niet verwerpelijk exemplaar gevonden. --Zoo er eenige onsterfelijkheid hier op aarde zoet is, zeide hij tot de vrouw, is het die van te leven in een dankbaar hart,--wilt gij iets van mij aannemen, en mijner gedenken? Zij dankte hem en ging haars weegs, naar het dorp; de wandelaar trad voort, den langen weg op, die voor hem lag. * * * * * EENE PREEK IN 1629. DE PREEK. _Hebt God lief met geheel uwe ziel. Hebt uwen medemensch lief als u zelven. Daar is geen grooter gebod dan deze twee_. Dit stond in den bijbel te lezen, die in het begin der 17e eeuw in de huiskamer lag, in den bijbel van het studievertrek des predikers in den bijbel, die op den lessenaar van den kansel was opgeslagen, in dien, waarop de regenten den eed aflegden, in dien, waaruit het volk onderwezen werd; maar het was alsof een noodlottige nevel over die schoone bladzijde heen waarde, alsof een kwade geest die bladzijde uit al deze boeken had weggescheurd. Het zag er treurig uit in Amsterdam met den geest der liefde en der verdraagzaamheid in de eerste jaren van zestienhonderd. Nog versch lag aan het levende geslacht de dwang in het geheugen, den gewetens onder de "Spaensche tyrannie" aangedaan. Nog leefde het geslacht, dat zoo kort geleden het juk had afgeschud, en zijne zonen, die het de vaderen hadden zien doen. Nog had de kling geen rust of roest gekend, en vlamde de lont der steeds geladene musketten. En de rouw over geliefden, door de zeis van den dood weggemaaid, had in de bloedende harten nog niet opgehouden, al waren de zwarte kleederen afgelegd. En toch, het ware zonder de sprekende feiten der geschiedenis bijna ongeloofelijk,--en toch, treurig gezicht! de voor zichzelf geeischte en nauwelijks verkregene, met de uiterste inspanning verkregene vrijheid van geweten werd slechts voor enkelen gehouden, maar aan anderen ontzegd, en men scheen zich alleen aan de onderdrukking van den geest ontwrongen te hebben, om haar aan zijn broeder--mensch, aan zijn broeder--christen, aan zijn broeder in lijden, streven en overwinnen, op te leggen. Nauwelijks is de strijd tusschen roomsch en onroomsch beslist, of in den boezem zelven van het vrij geworden volk ontvlamt een zelfde twist. Er is veel weemoedigs, maar tevens een bittere spot in de voorstelling, dat men reeds dertig, veertig jaren en langer had gevochten, gevochten met opoffering van alles, gevochten op leven en dood, met woede, met wreedheid zelfs, om het recht te hebben dien bijbel te lezen, en dat men nu de schoonste bladzijde der liefde ongelezen en onbetracht liet. Die booze, vijandige geest was een leelijk, giftig onkruid, dat overal woekerde en zich voortplantte, en een onkruid, dat reeds vroeg in de eeuw ontkiemd, met de jaren daarvan opwies en bij alle rangen en standen voorkwam. Als gij in de raadzalen komt, dan ziet gij het als eene vuile schimmel overal op; het ligt op de plakkaten, op de notulen, op het groene tafelkleed en de hooge stoelen met hunne kussens; het vermuft de kasten en loketten, het zit in de tabberden, tot in de harten en hoofden der Erentfeste Edelachtbare mannen. Daar had het veroorzaakt, dat de bijeenkomsten van andere geloofsbelijders dan die der staatskerk werden geweerd en, hunne predikanten uit de stad of in het tuchthuis werden gezet; dat elke andersdenkende ieder oogenblik kon vreezen aangetast, verbannen, met de zijnen zedelijk en maatschappelijk vernietigd te worden. En eene enkele stem, die zich verhief, versmoorde weldra in de vunzige lucht en verstikte onder het onkruid. Als eene ongezonde zwam kroop het onder de huizen, deed het goede hout vermolmen, klom achter behangsels en beschotten, en de bewoners erfden het over, tot het weldra gemoed en verstand benevelde, en met wrok, wraak en vijandschap vervulde. Onder de lagere klassen en onder het gepeupel, daar groeide het welig: dat volk, altijd gereed, waar anderen nog in de theorie verkeeren, tot de praktijk over te gaan, ziet gij de overal verspreide Onkruid--beginselen weldra ten uitvoer brengen; gij ziet ze, op het voorbeeld van dat onkruid, van die vuile woekerplanten, rooven en stelen. Als gij een oploop ziet waar men eenige lieden _Arminiaansche duivels, Belialskinderen, godloochenaars_ scheldt, hen met steenen en slijk werpt, hun leven bedreigt--dan ziet gij de vruchten van het onkruid. Als een paar dienaars van mijnheer den schout een kettersch gezin, nu broodeloos, ter stad uitzetten, en het gepeupel juichte en jubelde, dan was dat weder eene andere vrucht van het onkruid. Als gij ze ziet razen en plunderen en schenden, waar zij er kans toe zien, dan kunt gij zeggen: het groeit goed, het komt heerlijk en vruchtbaar op. Maar ook--waar gij dit het minst moest gezocht hebben--ook in de kerk is het onkruid welig opgewassen. Het heeft de stoelen en banken overdekt, den kansel beklommen en den bijbel niet gespaard, maar zit ook daar op de bladen en verduistert den zin voor wie ze openslaat. Als de getabberde mannen de bladen openen, stijgt er eene muffe champignonlucht uit; dan nemen zij een tekst, maar bezien alleen het vuil, dat er op gegroeid is; dan preeken zij uit hun hart vol onkruid en strooien de vergiftige zaden daarvan over de gemeente uit, en wanneer zij daarbij hunne mede-christenen als "_pesten, duivels, mammelukken_" afschilderen, en de gemeente ophitsen tegen die van hunne regenten, welke nog niet door het onkruid zijn overdekt, dan worden die zaden in alle harten opgenomen en schieten daar welig op. Sedert 1623 hadden zich aan dien duisteren hemel hier en daar lichtplekken gaan toonen, en vooral 1627 had met blijder hoop een liefelijker vooruitzicht geopend. Als wij zoeken, van welke zijde de mildere beginselen ontstonden en gekweekt werden, is het billijk, dat wij de eer daarvan aan de stedelijke magistraten geven. Er waren in 1627 reeds verscheidene steden, waar den remonstranten vergund werd te vergaderen, waar zij geduld werden en zij, of die hun niet ongenegen waren, in de regeering waren gekomen. Zijne doorluchtigheid de prins, hoewel voorzichtig en beide partijen tevreden willende houden, was als gematigd en hun niet vijandig bekend. Ook de Staten neigden tot rust en gematigdheid, en de plakkaten werden bijna nergens streng tegen de verdrukten gehandhaafd. Des te feller werden door deze "_tollerantie en moderatie_" de "_harde gereformeerden_" en hunne leeraars; des te heftiger werd de taal dezer laatsten, nu zelfs in het tot hiertoe zoo rechtzinnige Amsterdam gematigde regeeringsleden optraden, en met schimp klonk het van den preekstoel: "_dat de gansche vroedschap Arminiaansch was geworden, dat men het Trojaansche paard had binnengehaald!_" In de voortdurende botsing tusschen de patricische regentengeslachten den stadhouder, steunden deze heethoofden den laatste, omdat zij daarin hun voordeel zagen en bij hem wederkeerig heul vonden in hunne politieke aanmatigingen tegenover de macht der stedelijke magistraten; en zoo ging ook heel de kerkelijke partij, die in elke regeering, waarover zij niet heerscht, haar natuurlijken vijand ziet, geheel aan den kant des stadhouders, als het tegenwicht tegen de stadsregenten, en draaide altijd naar den Haag, als het middelpunt der hooge regeering. Alles uit zuivere Oranjeliefde en _ad majorem Dei gloriam_ zou men denken, zoo niet Vondel ze naakt ten toon had gesteld, toen hij in 1629 schreef: Malle Jantje Kerkgezantje, Ik u vraag: Waarom huilt gij? Waarom pruilt gij In den Haag? Is 't uit ijver? Krijt vrij stijver. Maar ik meen, Dat het kussen U zou sussen Wel in vreen. Zoo stonden de zaken, toen in het begin van Juli 1629 een biddag werd bevolen. De prins lag nog sinds Mei voor 's Hertogenbosch en graaf Hendrik van den Berge was, na vruchtelooze pogingen om hem van dat beleg af te trekken, met zijn leger opgebroken. Doch juist dit gaf bezorgdheid, en het vermoeden begon zich meer te bevestigen, dat de vijand iets tegen de Veluwe--met Amsterdam in het verschiet--in den zin had. Het was eene talrijke menigte, die, op den galm der klokken, van alle zijden naar de Oude Kerk te zamen vloeide. Het was alles wat maar eenigszins kon op zijn Zondags gekleed, en wie er van den Oud--Hollandschen eenvoud te hooge gedachten had, kon integendeel al ras bemerken, dat de verfijning der zeden een omkeer in dien eenvoud van dracht had veroorzaakt, en dat de meesten _opsen Brabans of opsen Frans_ een zwieriger snede of pronkender dos hadden aangenomen. Het is geene ijdele nieuwsgierigheld, als wij die kleeding eens in oogenschouw nemen--de zedenschildering zal niet juist wezen, zoo zij het uitwendige voorbijziet, en niet acht, hoe nauw de kleeding met den mensch samenhangt. Met den eersten oogopslag zullen wij kunnen zien, dat wij niet meer alleen den Hollander voor ons hebben, puriteinsch stroef, aartsvaderlijk eenvoudig, besloten in den beperkten gezichteinder van zijn klein land, als de Hollandsche Maagd in haar tuintje, en als de Zeeuwsche leeuw, worstelend om zich boven de baren te houden; maar reeds machtig, ontzien, rijk, die de wereld doorgereisd heeft, die al eene zekere mate van cosmopolitisme in zijne nationaliteit toelaat, wiens gezichteinder verwijd is, en dat een vrijer, ruimer, veelzijdiger blik in het veld der kennis die onbelemmerde werking van den geest begint voor te bereiden, welke later de roem dezer eeuw zal worden. Doch, al is er grond om in die grootere weelde en uitheemscher tooi een fijner beschaving, een ruimer en algemeener denkwijs te prijzen, niet minder waarheid is er in de geestige hekeling van de ijdele en dwaze modegrillen, die menig dichter dier tijden ons geeft. Ziet gij onder de vrouwelijke kerkgangers nog enkele, die _ouwe wets_ zijn, bij vele hebben de opgestreken haren, door het eenvoudige mutsje gedekt, voor sierlijker hoofddeksel, voor naalden en veeren, voor krullende lokken, "_eigen goed of aangekochte waar_", plaats gemaakt. Hier ziet ge, zooals Huygens, de scherpe satyricus, als hij het wezen wilde, ze ons naar het leven heeft afgeschreven--een stukje in den fijnen, uitvoerigen trant van Dou en Mieris: Een over-laden oor met oude-moeders beenen, Met verr- en diepgesocht, en daerom waerde, steenen; Een om-gebandden hals, trots eenigh brack-gespan; Een schuynsche rimpelkraegh, trots alter Boeren wan; Een rondom staelen arm, trots alter Krijgsluij vonden; Een open memmenhol, trots wind en winters wonden; Een stege Walvisch-romp, plat achter, spits van voren; Een opgetroste krans, trots eenig' Klocken-toren; Een omgehoepte pack, trots menig keernen-vat. Hij vergeet ook niet ..................... 't pinceel dat geven zal, Dat de natuur vergat ......................... Voeg er de klepperende muiltjes bij, den wijden vlieger, die, halverwege opgekoppeld, den bouwen of den eigenlijken rok laat zien, en, wat den rijkeren aangaat, de satijnen en fluweelen borstlappen met goud en paarlen en edele steenen gesierd, de in fluweel gebonden bijbels, met juweelen of goud bezet en aan gouden of zilveren kettingen aan den arm hangende, en daar hebt gij de vrouwtjes zooals zij ter kerk gingen. Scheen het donkere laken of fluweel van der mannen broek en wambuis, met den gewonen mantel en statigen rimpelkraag of platte, breede bef, van meer deftigheid en eenvoud te getuigen, de opmerkzame kon toch in de fijnheid der stoffen, in het _point d'Espagne_, dat hals en polsen sierde, in de borduurselen der handschoenen en wambuizen, in de breede rozetten, "_als doffers ruijge pooten_", die den steil en rood gehakten schoen overdekten, en in de veder, die den hoed omwuifde, sporen van verfijning ontdekken, en eene mode, die, vooral onder de jongere _Monseurtjens_, tot een zwieriger opschik begon te lokken. Het ruime schip der kerk was spoedig door de gemeente gevuld, terwijl de aanzienlijken de met eikenhout beschoten en door breede, rijk gebeitelde luifels overhuifde banken rondom de zuilen, bezetten. In de ruimte, tusschen de zuilenrij en de zijwanden, stond eene menigte van burgers, die nog met elkander fluisterden, voordat de prediker optrad, terwijl de hondenslager de viervoetige kerkbezoekers verjoeg. --Wie zal er prediken? vroeg een burger, die tegen eene kolom stond te leunen, aan zijn buurman. --Men zegt Smout, antwoordde deze. De eerste trok de wenkbrauwen op, als gaf die naam reeds veel te denken, en als waren die gedachten van minder opwekkenden aard. --De gemeente schijnt het geweten te hebben vervolgde de tweede spreker,--want in lang zag ik het zoo vol niet; een kloek prediker, vol ijver en vuur des geloofs, een gewijd vat.... De andere scheen eene aanmerking, die hij op de lippen had, wellicht deze, dat het een vat was, dat wel eens overkookte, terug te houden, want men moest voorzichtig zijn in die dagen. --Vol van ijver voor 't rechtzinnig geloof, dat nu vertrapt wordt, ging de andere weder voort,--maar dat is er een, die zich den mond niet zal laten snoeren, al hebt ge nog zooveel vendelen ingenomen, heeren burgemeesters! Dit zag op de versterking van de bezetting, die de regeering had aangevraagd, en die de tegenpartij het volk diets maakte, dat tegen de ware kerk dienen moest. --Hij durft den heeren de waarheid te zeggen, zeide de eerste spreker, op een toon, die lof noch blaam, aanduidde. --Niet waar? dat durft hij; ik ben nieuwsgierig hoe hij 't heden maken zal; hij is al zoo dikwijls gewaarschuwd en vervolgd, en al twee malen voor burgemeesters ontboden. --Men meende toen, dat hij wat heftig tegen de regeering had uitgevaren.... --Uitgevaren?... hij heeft ze met Gods Woord gekastijd, omdat zij blind zijn en den mond des Heeren door de predikanten niet willen raadplegen. --Is dat burgemeester Geelvink? --En Andries Bicker,--nu, die zullen daar ook niet voor niets komen en wel scherp luisteren of zij hem vangen kunnen. Zie daar Oetgens ook al met Boom, 't ziet er paapsch uit in die bank. --'t Ware toch beter, dat hij zich niet zoo scherp uitliet tegen den wettigen magistraat. --Men moet God meer dienen dan de menschen, sprak de andere kortaf en zijn buurman met wantrouwen aanziende. --Dat is waar--maar de vraag is of God gediend wil wezen op zulke wijze. --Arminiaan! riep de andere met bitterheid. Doch hij, wien het gold, had zich reeds omgekeerd om de kerk te verlaten. De vier genoemde burgemeesters en eenige leden der vroedschap hadden op de gezwollen kussens in het gestoelte over den preekstoel plaats genomen, toen de stormachtige prediker optrad; een man van een vijftigtal jaren, forsch, breed, bloedrijk. Noch in het voorhoofd, dat laag en puntig toeloopend was, noch in de uitdrukking van het gelaat, met de, zoo het in vuur geraakte, gezwollen aderen en de uitstekende wangbeenderen, lag iets edels of grootsch. Moed en vuur, doch met sluwheid gepaard, waren er wel in te lezen, maar tevergeefs zocht men, wat men zoo gaarne vindt, een frisschen, openen blik, die, zoo hij aller oog toelaat er in te lezen, ook zelf voor alle indrukken van het schoone en edele geopend is. Als hij gebeden heeft, een lang en bloemrijk gebed, en een van Datheens psalmen gezongen is, zal hij gaan spreken. Wat zult gij spreken, gij, die u een man Gods noemt en van Hem uw lastbrief zegt te hebben? Gij, met de Schrift vertrouwd, die de leiding der menschen op u neemt, gij zult er wel van doordrongen zijn, dat gij rekenschap zult moeten geven van uwe woorden; gij, die de misslagen van anderen wilt bestraffen, zult zeker diep in uw eigen boezem getuurd en geroerd hebben om u zelven te leeren kennen; gij, die anderen verbeteren wilt, gij zult toch wel alle eerlijke pogingen hebben aangewend om te beginnen met u zelven te verbeteren, en alle stootende vergelijking tusschen uw leer en uw leven te doen verdwijnen? Of is het onbillijk, dat wij van u, die u een censor boven allen, ook boven uwe overheid, acht, verwachten, dat gij ze in de deugd zult overtreffen? Voor u ligt de bijbel. Er zijn scherpe hoeken aan. Is het _onze_ schuld, zoo wij er bij denken, welk een vreeselijk wapen hij is, en hem met die metalen hoeken bij eene strijdakst vergelijken? Er zijn ook koperen sloten aan. Is het _onze_ schuld, zoo wij vragen of die moeten beletten, dat hij soms openvalle op, die bladzijde der liefde? De snede is rood gekleurd. Is het weder _onze_ boosheid, die daarbij denkt aan de bloedige ziels- en gewetensfolteringen, die zoo velen moeten lijden? Is het onze schuld en _onze_ boosheid alleen, die aldus doet vragen en twijfelen? Het is het oordeel der tijden, dat u die vragen in het aangezicht werpt. Sla dan den bijbel maar open; wij weten thans wel wat zij is, die vunzige schimmellucht, die er uit opstijgt; wij weten het al vooruit, dat gij bij voorkeur het oude testament zult opslaan, door u en de uwen in hooger waarde gehouden, om zijn meer theocratischen geest, omdat uwe geestelijke heerschzucht naar een hierachischen invloed haakt zooals gij dien daar vindt, omdat daarin vele gevallen voorkomen van booze koningen, die door profeten en priesters worden terechtgesteld, omdat gij er vooral een tuighuis zult vinden van scherpe wapens ten behoeve van uwe zaak. De prediker heeft den tekst gelezen: 1 Kon. XII: 8: _Maar hij verliet den raad der oudsten, die hem geraden hadden_. Terwijl Smoutius breedvoerig den tekst verklaart, van het kleine kluitje zeep een groote zeepsop kloppende--want de deugdelijkheid van een tekst is als die van de zeep, hoe kleiner en hoe meer schuim, des te beter zijn ze--dwalen onze gedachten een oogenblik af naar de dingen van den dag. En wat was meer het ding van den dag dan de schutterstwisten? Zeker, de remonstrantsche en contra--remonstrantsche beroeringen waren nog steeds de _question brulante_, de grootste bewegende kracht dier dagen, maar nu was er iets nieuws, dat daarmede in verband stond. Het was in October van het vorige jaar, dat Jan Klaasz. Vlooswijk, tot kapitein van een burgervendel gekozen, aan de schutters werd voorgesteld, en dat een aantal van hen weigerde hem te ontvangen. Voor burgemeesteren ontboden, verklaarden de belhamels, dat Vlooswijk een Arminiaan en een vijand van den godsdienst was, dat zij onder geen paapschen kapitein wilden staan, en dat hun eed hin niet verbond ook de vijanden der kerk te beschermen. Burgemeesteren waren inschikkelljk, gaven hun acht dagen van beraad. Maar het complot wies aan en men werd stouter, omdat de predikanten hen openlijk en in het geheim ondersteunden en den eed onverbindbaar achtten. Vergaderingen--opruiende schotschriften onder de gemeente verspreid--petitien--en de gemoederen waren weldra in rep en roer. Wat een schuttersoneenigheid was van geheel beperkten aard, kreeg door de bekende invloeden het dubbel karakter van eene godsdienstige en staatkundige beweging, die op verandering van regeering doelde. De roervinken--en daarbij de twee predikanten Beijerus en Kloppenburg voorop--moeiden er nu de Staten te 's Gravenhage, de synode, en zelfs de godgeleerde faculteit te Leiden in, welke laatste adviseerde, dat de eed niet bond om iets tegen de ware religie te doen en men dien niet mocht afleggen aan een kapitein, die een vijand van die religie was. Toen de regeering een dertigtal burgers van den eed ontsloeg en ontschutterde, leverden de meesten daartegen protest in, vervoegden zich weder bij de Staten en bij den stadhouder, en het word eene veel vertakte beweging en beroering, die van allerlei geheime kanten en invloeden gestookt werd. Was het scherp, niet onwaar was Vondels hekelvers, dat men in dezen tijd, onder den titel van _Boeren Cathechismus_, in de boekwinkels ten toon had zien hangen: _Boer_. Zijn dan dees ezels zonder reden? _Student_. 't Blijkt als zij 't volk ontslaen van eeden, Gezworen aen haer overheden. B. Dat dient als onkruid uitgewied, Ons Zalichmaeker leert dit niet, Die 't volk gehoorzaemheit gebiet. Wie port haar aen tot zulke ranken? S. De boden van Synodes banken. Wat ruw voor onze teedere ooren en preutsch geworden taal, maar minder ruw, toen men de roede niet met bloemen omwond, was het slot: S. 't Zou Kloppenburg te bijster passen, Stadsbeedlaar die nu opgewassen Zijn voesterheeren wil verbassen. B. Al was 't ondankbaar kreng gestroopt, Gebraden en met Smout gedroopt, 'k Wed zich geen hont om 't aes verloopt. En zoo komen wij weder op Smout terug, nog niet als vet met zijn medekemphaan gebraden, maar aan het eind zijner tekstverklaring, zoodat wij ook de onze zullen besluiten. De zaak was nu te ver gekomen dan dat de regeering daaraan niet een einde moest maken. Burgemeesteren vroegen en verkregen zes vendelen garnizoen ter bewaring van de rust: de voornaamste raddraaiers werden vervolgd, sommige, tot langer of korter verbanning of in boeten veroordeeld, andere om blootshoofds God en den gerechte vergiffenis te vragen--alle welke personen dadelijk door den kerkeraad werden vereerd en gecanoniseerd. De amnestie, die de regeering eindelijk afkondigde, zou de wond verder kunnen heelen. Maar het was nog eene teedere plek en de minste ruwe aanraking zou ze weder openrijten. * * * * * Smoutius had den tekst breedvoerig uiteengezet, en naar den smaak van dien tijd overvloedig met Grieksche en Latijnsche aanhalingen doorspekt: hij had de geschiedenissen van Israel verhaald, hoe Rehabeam koning geworden, gehoord had den raad der ouden en den raad der jongen; hoe de ouden geraden hadden het volk te ontzien (hier de rechtzinnigen) en hoe hij het niet deed; hoe de jongeren geraden hadden zijn volk te onderdrukken, en den raad der ouden (hier de kerkeraad en de predikanten) in den wind te slaan; hoe krijg en rampen daarop waren ontstaan; en hoe het volk hem daarop was afgevallen, en opgestaan; (was dat in dit geval de raad van Smout aan het volk?) Daarna betoogde hij twee stellingen: hoe ten allen tijden in Israel de ouden en de mannen Gods de macht hadden gehad den koningen te raden en hen te bestieren, en hoe het in den wind slaan van dien raad altijd rampen over het volk had gebracht. En nu volgde de toepassing, waarbij hij zich naar burgemeesters bank wendde: --Wij zijn de geroepenen en de gezalfden om de waarheid te verkondigen, sprak hij:--Wat moet er worden van een land, welks hoofd de ware religie verdrukt en den vijanden des geloofs voet geeft? De Heere bezoekt ons met zware plagen. De vijand ligt voor de grenzen, en wie weet, wanneer hij in het land, in uwe stad zal zijn! Wie is, de oorzaak van deze bezoeking? Ziet, het geschiedde, als koning Achab Elia zag, dat hij hem zeide: zijt gij de beroerder Israels? Toen zeide Elia: lk heb Israel niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, omdat gij den Heere verlaten hebt en de Baaelim navolgt. Wie zijn de beroerders in Israel? Gij zijt oorzaak, dat God den vijand tot straffe over ons brengt! Gij hebt gedaan als Rehabeam, gij hebt den raad der ouden versmaad, omdat gij ons gering en als kwajongens acht! Gij luistert naar een hoop poeten en orateurs en juristen, die hunne dingen uit heidensche boeken en wetten halen, maar wij zeggen u: _de Heere zegt_! Wij hebben de wet en de profeten; pleegt dan met ons raad en volgt onze vermaning. Wij zijn uwe herders; zal ook het schaap zijnen herder regeeren? Wee den afvalligen, zegt Jesajas, die zonder mij raadslagen! Herstelt dan die voor de ware religie onrecht geleden hebben, herstelt die gij ontschutterd hebt! Volgt niet na de voetstappen Rehabeams, want de Heer strafte Rehabeam, en het volk viel van hem af. Keert dan terug van uwen zondigen weg, en laat het niet van u gezegd worden: na deze geschiedenissen en keerde Jerobeam niet van zijnen zondigen weg!-- * * * * * Wat burgemeester Oetgens en zijn collega Bicker hebben opgeschreven gedurende de preek? Wij zullen later zien, hoe zij er over dachten. Wat de gemeente aangaat, een enkele slechts daarvan, bij wien de rede geen grooten indruk had gemaakt, dien de wilde soort van geheel uiterlijke welsprekendheid niet had medegesleept. Gij hebt weder ruimschoots gezaaid, Smoutius, en wie het zaad hier opnam zal het weldra ook zelf daar buiten verspreiden,--zij zullen wel rijpen, die zaden, zij zullen wel spoedig rijpen en vrucht dragen. * * * * * DE MAGISTRAAT. Het nieuwe stadhuis, _des werelds achtste wonder_, was nog niet eens als kunstgedachte in van Campens geest ontkiemd, en hoewel reeds lang de klacht rees, dat het oude te klein was en de vroedschap er op zinde een nieuw te stichten, deed men het nog maar met het Aeloud Stadhuis, verminkt Stehuis, Gewoon van ouderdom te bukken. Dat bestond eigenlijk uit drie deelen. Rechts, als men er voor stond, was het oude gebouw, met zijn geheel onversierden, puntigen gevel, beneden van grauwe bergsteen, boven van gebakken steen opgebouwd; links de latere aanbouw, waar, in de vensterbogen en nissen der eene zich boven eene open bovengang verheffende verdieping, de gothische klaverfiguur als eenig versiersel zichtbaar was; en tusschen deze twee de van zijn klokwerk, en zijne spits met de oude kogge in top, beroofde toren. Het geheel, meest uit de 15e eeuw herkomstig, was zeker zeer nederig, en stak in eenvoud af bij de omringende huizen, die reeds meerendeels in den vroolijken, frisschen trant van geschakeerde roodkleurige baksteen en grijze houwsteen, en met slanke spitse trapgevels waren gebouwd. In dezen toren was burgemeesters kamer, en het was daar, dat Smoutius eenige dagen na de preek, die wij bijwoonden, binnentrad. Als wij hem vooruitgaan, zien wij de vier burgemeesters reeds aan de groene tafel gezeten, waarop, behalve eenige papieren en boeken, een hamer lag, van een tafelbel en inktkoker vergezelschapt. De voorzitter vatte de bel, wier klinkende klepel een bode deed binnentreden; en deze, het behangsel voor de deur opgelicht hebbende, bleef staan. --Is de weleerwaarde heer Smoutius present? --Edelgrootachtbare heeren, de weleerwaarde is in de secretariskamer wachtende; zal hij-- --Geleid hem bij burgemeesteren. Zwijgend en strak--als waren zij veeleer een tooverachtig uitvloeisel van de hand van Rembrandt of Thomas de Keyser, of van een der velen, die, karakteristiek en echt nationaal kunst--genre, hun vermaarde regenten vereeuwigd hebben--zwijgend en strak zaten zij, toen de prediker binnenkwam, en zoolang hij van de deur tot de tafel voorttrad. Geen geluid dan het kraken der zandkorrels op den vloer onder Smouts schoenzolen. Eenen minder onvervaarde mocht de moed in de schoenen gezakt zijn--bij hem toonde geene spierbeweging aan, dat het gerekte en pijnlijke stilzwijgen hem raakte. Hoe luttel kans op gunst er was voor hem, die hier werd opgeroepen, zoo hij aan de orthodox--kerkelijke zijde stond, kon de eerste, oogopslag toonen. Daar zaten niemand minder dan Jan Corneliszoon Geelvink, naar den regel de van het vorige jaar aangebleven burgemeester en de drie nieuwe: Abraham Boom, gedurende deze drie maanden voorzitter, Anthony Oetgens van Waveren en dr. Andries Bicker Gerritszoon, allen uit patricische regentengeslachten gesproten, en die met de overlevering van het gezag ook den wil om het uit te oefenen geerfd hadden; allen reeds dikwijls met elkander als burgemeester of in de vroedschap opgetreden. Bicker en Van Waveren, die met Beuningen en Hooft, des drossaarts vader, reeds in 1622, toen het nog gevaarlijk was, vrijzinniger taal hadden doen hooren en den openlijken schimp der predikanten tegen de vroedschap uitgelokt hadden; van Waveren, later de groote tegenstander van Willem II, die in 1625 en 1627 met Geelvink en Bicker die zelfde vrije en gematigde beginselen in burgemeesters kamer hadden overgebracht, en tegen wie dan ook bij de vernieuwing van den magistraat, een alom verspreid schotschrift waarschuwde: Dit zijn de Quanten Die oprechten willen de Arminiaansche Santen, enz. allen de verklaarde en machtigste vijanden van wat zich in den name van God en den rechtzinnigen godsdienst, het recht gegeven waande over der medemenschen gewetens te beschikken, en van den heerschzuchtigen dwang der geestelijken. Bicker zal de stilte het eerst breken. Hij is in de volle kracht en zelfstandigheid van een leven, dat nog geen vijftig jaren telt, met het kloeke, beraden gelaat, den strengen blik, de vaste, bij wijlen sarcastische lijnen van den mond in den grooten knevel en spitsen baard niet verborgen: dezelfde zooals dertig jaren later Van der Helst hem schilderen zal. --Heer predikant, burgemeesteren hebben u voor zich ontboden. --Ik ben bereid den Edelgrootachtbaren Heeren ter wille te zijn, zoo ver in mijn vermogen is, antwoordde de toegesprokene, wien geen wenk zelfs een zetel had gewezen, den ongevederden breedgeranden hoed in de hand houdende, en buigende met een eerbied, waar geen deemoed, maar slechts vormelijke beleefdheid in lag. --Zooveel dat in uw vermogen is--gij kondt daarmede eene achterdeur openhouden, waarmede burgemeesteren niet gediend zullen zijn. Wij willen opheldering en verantwoording van uw gehouden tale in de laatste biddagpreek. --Ik heb gesproken tot opwekking en stichting van de gemeente. De mensch is een arme, ellendige zondaar, geneigd tot alle kwaad, en zoo hij daarom dikwijls iets hooren moet wat zijn trots en eigenliefde kwetst, het is het Woord des Heeren, dat wij niet mogen terughouden. Ik weet niet met woorden iets misdreven te hebben,--sprak hij met den grootsten eenvoud. Het was behendig de zaak dus te draaien alsof hij niets buitengewoons gezegd had. Bickers voorhoofd fronste zich en de samengenepen lippen toonden de ingehouden drift. --Het is niet de eerste maal, Weleerwaarde, dat wij u hier spreken, en wij kennen uwe procedures, die ons echter niet van den weg zullen brengen. In tijden als deze, waarin liet gemeenebest van buiten in oorlogen gewikkeld is, kan geen twiststoken van binnen geduld worden, en zal men strengelijker te werk moeten gaan, dan men anders doen zou. --De kommerlijke tijden, waarop gij doelt, zijn Gods vinger, die waarschuwend dreigt; en het is de plicht van de dienaren des Woords, dit der gemeente onder 't oog te brengen. --Daarover willen wij niet twisten; de zaak is, dat burgemeesteren, zoo zij besloten, u nogmaals over uwe heftige predikatien te onderhouden, tevens besloten met kracht en ernst daar een eind aan te maken, te meer daar vroegere vermaningen zonder invloed zijn gebleven. Het is niet over uwe prediking van Gods Woord, dat wij u willen spreken--maar over uwe politieke bemoeiingen, en uwe beoordeeling van den magistraat. --Als burgemeester Boom het mij vergunt, sprak Oetgens, eenige met potlood geschrevene aanteekeningen voor zich nemende--zal ik de geincrimineerde uitdrukkingen ter sprake brengen. De voorzitter knikte toestemmend.--Heer Adrianus Smoutius, vervolgde Oetgens, wij wenschen de gehoudene predikatie aan ons overgeleverd te zien, opdat wij haar nader kunnen onderzoeken. --Het doet mij leed, zeide Smout, beleefd buigende en met een gebaar van verontschuldiging,--dat ik hieraan niet voldoen kan; de kerkeraad heeft daartoe geen verlof gegeven. --Uwe weigering zal ons het recht niet uit de hand nemen, dat stuk te beoordeelen. --Het bleek nu wat burgemeesteren hadden zitten schrijven onder de preek. De geschrevene aanteekeningen kwamen ter sprake. Smout aarzelde eerst en draaide er omheen, doch eindelijk op den man af daartoe opgeeischt, erkende hij, dat hij met de beroerders van Israel den magistraat, met Rehabeam de burgemeesters bedoeld had. Nu zal men moeten bekennen, dat het minder vleiend is openlijk een beroerder van Israel genoemd en met een boozen koning vergeleken te worden; en, is het dus in burgemeesteren te begrijpen, dat zij daarmede niet gediend waren, dan strekt het hun tot lof, dat zij hem met gematigdheid vroegen of hij dan niet op andere wijze zijn beklag had kunnen doen, en hoe hij meende te kunnen verantwoorden, dat hij aan de gemeente aldus het recht tot opstand predikte. --De ergernis is publiek gegeven en moest ook publiek gestraft worden, zeide Smout. Hij trad daarop in een lang betoog over den schutterseed, over de Arminiaansche ketterijen, en sinds wanneer, vroeg hij, sinds wanneer weigert men der kerk het recht om in kerkelijke zaken te beslissen en over predikanten te oordeelen,--sinds wanneer zou een predikant niet meer het recht hebben de gemeente te vermanen over hare afdwalingen? De heer Oetgens vroeg, waarom ik niet elders beklag gedaan; meent hij daarmede bij den prince? Dat is meermalen zonder vrucht geschied--en het schijnt we, dat Zijne Doorluchtigheid ook in Amsterdam niet alles kan of durft. Dat was een stout woord. Der Amsterdamsche regeering--de kern dier autocratische en oligarchische macht, die steeds rijzende was naar het toppunt van schier onbeperkte heerschappij, en in wier hand de prediker thans geheel was als een schaap onder de wolven--al konden de herders het naderhand wreken--, aan die regeering in het aangezicht te durven zeggen, gij, die mij van heerschzucht beschuldigt, gij ziet den balk in uw eigen oog voorbij! Een stout woord, en zoo dit uwe bedoeling geweest is, dan hebt gij, "de hand in de tasse gestoken ende eenen steen daar uyt genomen, ende dien geslingerd en getroffen den Philistijn in zijn voorhoofd." Of het een schoen was, dien men zich aantrok, omdat hij scheen te passen, dan wel of het alleen om de beleediging was, burgemeester Boom zag den spreker strak in het gelaat en vorschte naar het doel. Dat gelaat loog niet--het was rood, de grijze oogen schitterden onder de gefronste wenkbrauwen. Boom richtte zich op in zijn armstoel, en de saamgenepen hand wat zwaar op de tafel leggende, zeide hij langzaam: --De heer Smout vergete zich niet--en bedenke, dat hij voor burgemeesteren van Amsterdam staat. Dat was zeker geene kleinigheid, en er was geen zweem van snorkerij in deze woorden. Menig stout spreker zou hier wat ingebonden, menig hoofd hier gebogen hebben. Burgemeesteren van Amsterdam--die heeren en meesters van Amstels macht en rijkdom, die in de weegschaal tegen de stadhouders zoo dikwijls de zwaarste bleken, die slechts de Staten boven zich rekenden, wier besluiten zij toch zoo vaak verlamden, en die zoo dikwijls tot de heerschzuchtigste willekeur vervielen; maar ook, men moet het nooit vergeten, de mannen, die rusteloos den lande dienden, mannen, die minder geleerd en welsprekend dan men er thans zoo velen vindt, maar gewoon waren zelve, nu te velde, dan op de vloot, dan als gezant of in de raadzaal, alles te gelijk te wezen, mannen van de pen, van het woord en van het zwaard. Het was een stout woord, Smoutius, en zoo wij u eene deugd moeten toekennen, is het zeker die van onversaagd uwe meening te uiten. Maar ook Smout stond niet alleen; mocht hier voor het oogenblik de kans niet gelijkstaan, op den duur en op een anderen grond was zij dit wel, want achter den eenvoudigen prediker stond de kerkeraad, maar vooral het volk, dat zich laat opwinden en als werktuig gebruiken, en dan met blinde kracht voortholt. Belangrijk was het, die twee machten tegenover elkander te zien, de wereldlijke en de geestelijke, de wet en de kerk, strijdende wie heerschen zou. Toen Smout bemerkte, dat het ernst werd, kwam hij met een voorslag aan; de kerkeraad namelijk had twee predikanten willen afvaardigen om burgemeesteren de bewijzen af te vragen, die zij tegen Smout hadden, en hij betoogde weder, dat het alleen aan den kerkeraad stond in deze geheel kerkelijke zaak te oordeelen. Het was gedurende dit geheele onderhoud zijn streven, de kern der zaak te ontwijken. De voorzittende burgemeester gaf hem dit duidelijk te kennen. --Noch de verbindbaarheid van den schutterseed, zeide hij,--noch de strijd tusschen Dordt en de remonstrantsche societeit, noch het recht der kerk om over hare predikanten te oordeelen, zijn punten in quaestie, maar uwe politieke bemoeiingen en openlijke beoordeeling uit den preekstoel van daden des magistraats. Daarom zullen wij niet dulden, dat de zaak kerkelijk behandeld worde, maar ze _politiek_ behandelen en zonder vorm van proces alle seditieuze predikatien weren. Daar dit zooveel gezegd was als:--wanneer wij het morgen goed vinden, zetten wij u de stad uit, en het voorbeeld van collega Kloppenburg[3] hem voor den geest kwam, meende Smout nog eene poging te moeten wagen op hun gemoed, daar hij tegen verstand en wil tevergeefs had gestreden. --Ach, mijne heeren! zeide hij--komt nog tot bekeering, werpt u voor des Heeren voeten, buigt u neder voor den Heere van Israel, gij zult het moeten verantwoorden, zoo gij de ware religie in gevaar stelt,--doch de hartstocht en het fanatisme, waarmede hij vasthield aan wat hij de goede zaak meende, sleepten hem weder mede:--Gij zult de verdrukking der kerk moeten verantwoorden, vervolgde hij scherper; denkt aan Jerobiam, als hij de hand tegen den man Gods uitstrekte, zoo verdorde zijne hand: --wat mij aangaat, ik zie wel, hier geen recht te zullen erlangen en dat elders te moeten zoeken. --Heer predikant, antwoordde Boom met kalmte en waardigheid, ook wij hebben te verantwoorden--de rust van stad en gemeente. Elders recht zoeken, zegt gij; bij wie? Meent gij, dat gij de zaak wederom op den kansel zult brengen en het volk opruien? Dan weten burgemeesteren wat hun te doen staat, en dan zullen zij het volk en de waarachtige religie tegen dergelijke seditieuze procedures beschermen; het is niet voor niets, dat nieuwe vendelen zijn ingenomen, en zoo het tot het ergste komen en daarvan mocht gebruik gemaakt worden, burgemeesteren zullen zich voor God en hun geweten kunnen verantwoorden. --Uwe zaak zal in advies gehouden worden. Het verhoor werd gesloten. Smout vertrok zooals hij gekomen was, en terwijl burgemeesteren nog eene wijl "in het torentje" beraadslaagden, werd de draad, waaraan het zwaard boven zijn hoofd hing, al dunner en dunner. NOOT: [3] Vroeger om gelijke reden de stad uitgezet. * * * * * DE VRUCHT DER PREDIKING. En geen Monarch zoo gau Zijn heir brengt op de been, als wij het woeste graau Kalchas in Vondels _Palamedes_. Welig opgeschoten onder de broeiende hitte van het steeds opwekkende woord was het zaad rijkelijk voortgewassen en droeg weder vruchten tienvoud en honderdvoud. Wat in de eerste jaren van 1600 een strijd was geweest tusschen twee theologen, maar toen althans (voordat hij zich over hunne leerlingen ging uitstrekken) binnen de wetenschap bleef, was allengs van alle zijden in het leven ingedrongen en was ook onder het volk geraakt met zijn nasleep van verblinden hartstocht en woeste driften. Evenals in het algemeen deze twist dier eeuw geen zuiver theologische bleef, maar tevens een staatkundige was geworden, was dat ook onder het volk. De handhaving van de ware religie was altijd de hefboom, en de meest blootliggende reden, maar daaronder school voor de groote heeren, de burgers en het gepeupel, naar ieders aard, een wereldscher inzicht. Het volk had natuurlijk evenveel begrip van de stadhouderlijke en staatsche politiek, als van Drebbels toen pas uitgevonden pepetuum mobile: maar dat groote gemoedsleven, door geen verstandsleven verlicht, wordt zoo gemakkelijk in beroering gebracht door eenige woorden, die het nauw begrijpt. Vandaar dat er altijd zooveel gezeten burgers gevonden werden onder het muitende gepeupel, dat alleen troebel water verlangde. In eene der achterstraten in den omtrek van het noordelijk deel der Prinsegracht, was eene herberg, _het Moriaentje_ genaamd naar een beeldje, dat boven den luifel als uithangbord uitstak, en dat met de traditioneel--nationale kenteekenen van zijn ras, zwarte bloote beenen en armen, een koolzwart gezicht met dikke, roode lippen, veel wit in de verbaasde oogen en een vederbos op het hoofd, was uitgedost. Deze personage, zoo hij eenmaal in zijn vaderland gruwelen gezien had, zag er thans niet minder, want zijn waard en meester kon zich beroemen het beste bier en den besten sterken drank te schenken (welk een sarcastisch woord is dat _schenken_!) aan het slechtste gespuis, dat er toen in Amsterdam te vinden was. Het Moriaentje was tegenwoordig eene politieke club; daar kwamen nu gewoonlijk, behalve al die heidenen, die eene groote stad in de kelders en zolders harer stegen bewaart, ook nog de helden en staatslui van de kan en de kroes, en die ontevredenen, die zich van de troebelen iets beloofden. Onder die groepen, op de bierbank gezeten, was er eene van de anderen eenigszins onderscheiden; te zeggen, dat die drie mannen van beter gehalte waren dan de rest, is wellicht te gunstig gesproken; misschien waren zij nog slechter dan de overigen, omdat zij beter hadden kunnen zijn. De een zag er half als een krijgsman, half als een burger uit; de breede groef dwars over zijn bruin gezicht had hij zeker niet door de kan of het mesje, maar op eerlijker wijze, wellicht onder Maurits in het open veld opgeloopen; eenige zorg aan baard en knevel besteed, en een platte, vrij zindelijke halskraag toonden, dat hij niet tot het laagste gemeen behoorde. Half vrijbuiter, zooals de toenmalige soldaat was, kon hij zich nu buiten dienst moeielijk rustig houden; even dapper als hij dronk, schonk hij van het krasse bier aan zijne kameraads, waarvan de een, een klein gezet kereltje, met een burgerlijk rood gezicht, en de dichte kroeze door eene muts met eene haneveer gedekt, reeds vrij opgewonden was. De derde had eene soort van deftigheid over zich, daaruit voortspruitende, dat hij de geleerde van de bent was, en de man ijverig in het besturen van geheime bijeenkomsten, in het opstellen en doen onderteekenen van petities en dergelijke karreweitjes. Deze drie personen genoten in dit gezelschap eenig aanzien en zaten ook afzonderlijk. De vierde, die bij hen kwam, was een theologische geestdrijver, lang en schonkerig, een groezelig gezicht vol schaduwen, die men niet wist van waar zij kwamen, met dat leelijke soort van vel, dat nooit schoon wordt, alsof er in plaats van bloed inkt in zijne aderen zat en door het vel doorscheen. Op het tijdstip, dat wij hen nu zien, waren de drukte en het rumoer op het hoogst gestegen. De laatst binnengekomene, met het vuile gezicht, had onder die groepen in het voorbijgaan eenige woorden gestrooid--vonken in het buskruid. --Wat is er aan de hand? vroeg hem de eerste van de drie personen, die wij meer bijzonder beschouwden. --Er is sprake, hoe die Arminiaansche Belialskinderen weer aan den gang zijn, antwoordde de toegesprokene, zij houden eene groote bijeenkomst van avond. --Naar den Satan met de Arminianen! klonk het onder de menigte. --Sint Velten schen ze! zij hebben eergisteren ook al gepreekt; zij komen van avond weer bijeen. --Bisschop is in de stad gezien; die komt ze weer opruien. --Waar--waar komen ze van avond? --Bij Joris Klaaszoon. Jaagt ze uiteen! Dat kruiste elkander uit dertig monden. --Wat voert de magistraat uit, als hij dit niet belet bulderde onze gewezen soldaat. --Steek me de moord! riep het driftige, kleine kereltje met de haneveer, opstaande en zijn kroes zwaaiende,--dan moeten wij er tusschen komen, als de magistraat het niet doet! Er uit mannen, jaagt het paapsche koventikel uiteen! --Wat zou de magistraat doen? vroeg de politieke zendeling,--de magistraat is zelf Arminiaansch. --Hoezee! klonk het, juist gesproken, leve Meester Jansen! De geleerde voelde zich daardoor aangespoord om nog een woordje te zeggen, en hij ging, op de bank staande, eene redevoering houden. --Wat moet er met den paapschen magistraat gedaan? Hem dwingen, de goeden te beschermen tegen de Arminiaansche scheurmakers--of anders hem zelf wegjagen.... --Er is geen heil meer, bromde de sombere stem van het vuile gezicht er tusschen, dan voor libertijnen en ongodisten; "Maranatha!" --Weet gij wat het drijven der regeering is? sprak de andere door. Zij heulen met den Spanjaard, om het volk weer paapsch te maken; daarom willen zij den prins ook weghebben.... --Altijd beter een prins in de verte dan burgemeesters dichtbij! riep de opgewonden kroeskop. De redenaar gaf hem een trap om deze onvoorzichtige woorden, die het publiek, meer dan noodig was, in hun kaart liet kijken. --Wat heb jij op den prins! riep de soldaat, uit een oud zwak, tegen zijn al te democratischen makker;--leve de oude tijd, Toen mijnheer de Prins Gommers zijd' die boven hing Troostte met zijn stalen kling. --Leve de stalen kling, dat is de beste bezem om ze van 't kussen te vegen! --Wee wee, wee over de boozen, die heulen met den Satan, die het ware geloove vervolgen; zij zullen uitgeroeid worden die hoereeren met de Baaelim! klonk weer de sombere tusschenzang, die zich telkens te midden van het gekrijsch der andere stemmen liet hooren. --Houd op met dat uilengekras! riep de woelige en verhitte kroeskop tegen den viezen boetprediker, die hem bijzonder, begon te vervelen,--houd op, dat is alles mooi en wel; maar hier zitten wij onder ons, en weten wel beter; we hebben die vroomheid niet van noode; hei, licht liever de kan eens op, hoezee! Leeg ze op den stalen bezem--kling meen ik,--hoezee! nog eens, zwarte raaf! omhoog met de kan en giet haar in je rechtzinnigen gorgel op het lange leven van alle vroolijke hanzen en de eeuwige verdoemenis van alle krassende uilen--zooals jij! De ruwe luidruchtigheid van dezen oproermaker had een troep der aanwezigen om hem verzameld; de dweper, zooals hij daar zat, met den breedgeranden hoed, waaronder nooit de heldere zon hem in de oogen kon schijnen, somber door de vuile kleur van geheel zijn gedaante, en stokstijf door een ruggegraat, die in plaats van uit wervels uit een stuk gemaakt scheen, leverde een potsierlijke vertooning op bij den andere, die hem de kannen biers deed inzwelgen, den hoed nog dieper in de oogen sloeg en hem eindelijk omhelsde. Terwijl de wijsheid bij de mannen in omgekeerde evenredigheid stond met het ledigen van de kannen, bracht dit tooneel niet weinig bij om de woeste opgewondenheid hooger te doen stijgen. Wij zullen het vuur laten voortsmeulen; wij hebben nog maar den rook gezien, straks zal de vlam met lichterlaaie uitslaan. De zon, veer de huizen in de straten reeds ondergegaan achter de woningen der overzijde, verlichtte nog de toppen der westelijke geveltoppen en verguldde de ruitjes der bovenvensters. De burgers, die na het eind van het dagwerk, rust van den arbeid, of verademing van de warmte binnenshuis, in den koelen dampkring daar buiten zochten, en die, onder den luifel op de bank, de nieuwtjes bepraatten, welke de laatste _loopmaren_ of _courante novellen_ hadden medegedeeld over de vorderingen van den prins voor Den Bosch, maar helaas ook over de dreigende nadering van den keizerlijken en Spaanschen vijand in het land, begonnen zich weldra over ongewone beweging en rumoer te verwonderen onder eenige horden volks, die hen voorbijtrokken. Als een loopend vuur ging het al ras rond, dat het volk op de been raakte om eene Arminiaansche vergadering uiteen te drijven. Het leed dan ook niet lang of de kleine kern, die wij zich hebben zien vormen, dijde tot eene van alle zijden aanwassende volksmassa uit. Elke steeg, die zij doorkwam, leverde nieuwen aanwas, en al wat zich op straat bevond voegde zich er bij, gedreven door die onweerstaanbare kracht van aantrekking en opwinding, die elke oploop voor het volk bezit en waardoor zoovele beteren met het gespuis worden mede gesleept. Aan het eind van een paar lange straten gekomen, steeg de menigte de Prinsegracht op, en hield daar weldra stil voor een huis van vrij aanzienlijke gedaante, waar Joris Klaasz., de verdachte, woonde. --Hier zijn de Arminianen! krijschten de stemmen, hier zijn zij ter preek! --Er in mannen, valt aan! slaat dood! trapt de deur in! rijt luiken open! Een aantal vuisten rammeide op deuren en vensters, terwijl men schreeuwde om den huisheer. Er verliep eenige tijd, waarna een der bovenvensters geopend werd en Joris Klaasz. de onstuimige menigte tot stilte wenkte, die zich als eene golvende watermassa beneden hem bewoog. --Hier ben ik mannen--wat wilt gij van mij?--wat heb ik ulieden misdaan? --Lever den Arminiaanschen prediker uit! riepen een paar stemmen.--Neen, klonk het van eene andere zijde, dat is niet genoeg, laat ons binnen--er wordt hier gepreekt--wij moeten ook wat van de mis hebben!--de deur open of je huid is er mee gemoeid! --Gij bedriegt u, goede vrienden--men bedriegt u;--er wordt hier niet gepreekt--er is hier geen Arminiaansche vergadering. --Dat lieg je--de deur open--of het gaat in brand! --Welaan, dat twee of drie van u hier komen--die kunnen zien.... Een steen zwierde door de lucht en rukte, de ruit des vensters doorvliegend, den burger de muts van het hoofd. Toen sleet hij het luik, twijfelend wat te doen. Een oogenblik later stoof hij de trap af, naar de binnenkamer; grooter schrik nog, dan de aanval verwekt had, joeg hij zijne vrouw aan, toen hij het boven de schouw hangende geladen roer afnam. Hij had besloten zich te verdedigen; de luiken waren stevig, de deur was goed voorzien van klink en ketting, en hij kon het uithouden tot wellicht de schout of een korporaalschap der bezetting zou opdagen. Zoo stond hij in het voorhuis, de wakkere burger, de kogeltasch om de schouders en leunende op het lange roer, gereed den eerste, die de schendende hand aan zijn huis zou slaan, door het raam neer te schieten,--zoo stond hij als tegenover een vreemden vijand, als in een bolwerk of walgang. Doch wat hij niet zoo spoedig gewacht had gebeurde; met een langen balk door het muitende gespuis ingeramd, splinterde de deur en bezweek ten halve. Toen bemerkte hij door het half geopende paneel, dat hij weinig kans had zich tegen de woedende gezichten, die hij ontdekte, te verdedigen. Hij wierp zijn musket op den grond, want hij dacht om de zijnen; naar het achterhuis te vliegen, vrouw en kinderen den tuin in te drijven en over den muur bij een buurman te redden--dat was de oogenblikkelijke uitvoering van een kort beraad, en werd hem nog vergund door de belemmering, die de half ingevallen deur den binnendringenden aanbood. Toen het grauw binnen was, vond het geen Arminianen, geen predikant, geen kettersche vergadering,--niets dan een verlaten huis. Het was nog bezig met de meubelen uit de ramen te werpen, blinden en vensters af te rukken, ja zelfs tot van het dak pannen en sparren naar beneden te slingeren, toen eindelijk eenig krijgsvolk aanrukte. De schout was al eens komen kijken, maar op zichzelven niets kunnende doen, weder vertrokken, en het had lang opgehouden, eer men overeengekomen was een korporaalschap musketiers van de bezetting, of wat ruiters van de wacht te doen oprukken, want zooals men eenerzijds machten had, die telkens in elkander ingrepen, was er ook somtijds weder zulk eene vrees voor de grenzen van elks gezag, dat men in het geheel niet handelde. Zoo onze aandacht niet geheel op het huis gevestigd ware geweest, hadden wij aan den zoom der tierende volksmenigte een jongen man kunnen opmerken, die er naar scheen te kijken en tevens geheel in de beschouwing verzonken was. Die in zijn binnenste had kunnen lezen, zou er een vergeten van het gruwelijke van het feit, en eene zonderlinge soort van welgevallen in die beweging, in die koppen en figuren vol hartstochtelijke uitdrukking, in die door elkander woelende groepen hebben opgemerkt. Door een gedrang om zich heen werd hij uit zijne studie gerukt. Er was een bejaard man, reeds grijs van haren, en met een wijden tabberd met bonten zoom, als beschutting tegen de avondkoelte, gekleed, dien eenigen uit den hoop bezig waren te beleedigen. De krijschende stem van een woest wijf had geroepen:--ik ken hem, hij is ook al van 't hondje gebeten! En--een kettersch predikant, dat liep als een vuurtje rond. Men trok hem reeds bij den tabberd, toen de jonge man hem onder den arm vatte en het wijf ter zijde duwde. --Weg! riep hij. Die man is zoo rechtzinnig als Smout--of als jij en ik, liet hij er op volgen, terwijl de knevel den sarcastischen trek om zijn mond bedekte,--op zij! Of men opzag tegen de forsche en breede gestalte, het scherpe en vaste oog, en de fiksche vuist, die uit de mouw van het wambuis stak, of dat men door een vernieuwd getier aan de zijde van het geplunderd wordende huis word afgetrokken, toen--hij zich met den linkerarm ruim baan maakte en met den rechter--den andere medevoerde, zeker was er niemand, die zich daartegen kantte. --Gij hebt een goed werk gedaan, God loone u! zeide de oudste, onder het voortgaan, kent ge mij? --Neen, was het antwoord. --Ik heet Sylvius, predikant alhier. De jongeling lichtte den hoed even van het hoofd. --Geen dank, heer Sylvius, wat ik deed is niet meer dan natuurlijk. --Woont gij hier? Wie zijt gij? --Ik woon niet hier--doch hoop dit met het volgende jaar te doen. Vaarwel, heer Sylvius, daar ginder ligt de schuit, ik moet naar Leiden. --Kom bij mij, zoo gij hier wederkeert, zeg mij toch uw naam. --Rembrandt van Rhijn, zeide de andere, de hand ten afscheid schuddende en den hoed afnemende. Ziehier wellicht de eerste aanleiding tot hunne kennismaking: toen de schilder in 1630 zich te Amsterdam gevestigd had, leed het niet lang of hij vond bij dien predikant zijne Saskia van Uylenburgh, het zusterskind van Sylvius' vrouw. * * * * * Doch zoo wij u naar die trekschuit leidden, het was niet om er Rembrandt te zien instappen, maar om er u den weg te wijzen. Wij moeten den 8sten Januari van het volgende jaar, 1630, weder naar dit veer, om er weder eene trekschuit te zien afvaren. Het is nacht, maar men kan toch zien, dat er dichte groepen van nieuwsgierigen staan, die zich hierheen begeven hebben. Er wordt daaronder op velerlei wijze gedacht en gemompeld over het gebeurde. Dat gebeurde, het was dat de kerkeraad op aanvraag der regeering geweigerd had iets tegen Smout en de zijnen te doen; dat deze nog eens bij burgemeesteren ontboden was, omdat hij, wel verre van zich in te toomen, had verkondigd vroeger algemeen gesproken te hebben, doch nu bijzonderlijk te zullen spreken, van inquisitie en persecutie had gewaagd en gezegd had: gij geveinsden werpt den balk uit uw oog, gij, die de religie onderdrukt;--het was, dat burgemeesteren weer vergeefs wachtten, dat de kerkeraad daartegen iets deed; het was eindelijk, dat burgemeesteren, met advies der vroedschap, besloten de zaak nu ten leste politiek, dat is buiten vorm van proces af te doen. * * * * * Het is ten gevolge van dit alles, dat in den nacht van 8 Januari de woelgeest, dien wij kennen, te midden van de nieuwsgierigen doorgaat, en in de schuit stapt om daarmede de stad te verlaten. Dat hij dit zoo gedwee doet, het komt daarvan, dat de dunne draad, waaraan boven zijn hoofd het zwaard hing, gebroken was, en hij een papier in den zak draagt van dezen inhoud: * * * * * Burgemeesters ende Regheerders der Stadt Amsterdam belasten D. Adriaen Smout, om redenen, op morghen voor 't ondergaen van de Sonne, de Stadt en de Vryheydt van dien te ruimen, sonder daer weder in te komen, op pene indien hy voor de voorsz. tydt niet en vertreckt, van door den Heere Officier daer uitgeleyt te worden. Actum den Sevenden January 1630. Ter ord. van haer E.E. D. MOSTART. * * * * * BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK. Het leven is al zoo dikwijls bij een boek vergeleken, dat het mij verwondert die vergelijking zelfs in de verte nog te durven aanroeren. Maar als het leven een boek is, dan is het een boek, dat de meeste menschen niet lezen. Men moet ook bekennen, dat vele van die boeken het lezen, ja zelfs het opensnijden nauwelijks waard zijn. De meesten kennen noch het levensboek van anderen, noch zelfs hun eigen. Dit laatste leggen zij achteloos ter zijde, of zetten het netjes ingebonden in eene pronkkast; somtijds zien zij naar den rug en titel, maar zelden in de bladen. Ik voor mij, als alle boeken, heb ik ook die levensboeken lief; het is mij een genot te bladeren zoowel in het mijne, als in dat van anderen. En als ik dan soms een prentje ontmoet, of eene plaats, die mij doet lachen of weenen, leg ik daar een vouwtje bij en laat ze wel eens aan anderen kijken. Zoo gaat het ook nu. Ik neem mijn levensboek van een der boekenplanken af en blader daarin. Het is een tamelijk groot boek en nauwelijks een derde is met letters gevuld. Zal de beschrijving hier gestaakt worden en zullen de overige vellen wit blijven?--Of zal het aan dit boek vergund worden, zijne geschiedenis ten einde te zien brengen? --Weet ik het? zegt een lezer, _passons outre_. Welnu, het is dan in de eerste bladen, dat mijne vingers en oogen thans dwalen, en mijn geest, daardoor geleid, doet een terugblik naar de vervlogene jaren. Met al zijne verbazende en onnaspeurlijke verscheidenheid heeft de geschiedenis van het menschelijk hart zooveel, dat van algemeenen aard is; er is zooveel in, dat alle menschen met elkander, al is het dan in verschillende maten en schakeeringen, gemeen hebben, dat, hoe verscheiden de vormen en het bijwerk zijn van al die levenstoestanden en gemoedsontwikkelingen, het _wezen_ daarvan voor vele duizenden hetzelfde blijft, en vele duizenden in het leven van eenen trekken uit hun eigen leven terugvinden. Ik zal er mij daarom niet over verontschuldigen, indien ik u met mij zelven en die eerste bladen uit mijn levensboek ga bezighouden. Misschien toch ziet gij er op sommige plaatsen u zelven als in een spiegel weder, en hoe streelend en aangenaam het is, zich in een spiegel te beschouwen, bewijst de eer, waarin dat meubel bij wilden en beschaafden gehouden wordt. Het is geen opvolgend en volledig levensverhaal, dat gij moet verwachten, het zijn slechts bladen, die ik u laat kijken, zooals zij, een voor een of bij meerdere te gelijk omgeslagen, zich aan ons voordoen. Hoe zou ik ze u ook alle kunnen laten lezen? De eerste bladzijden zijn maar met hanepooten gevuld, van de overige zijn er daar de inktkoker over is gevallen, sommige zijn er uit gescheurd; ook zijn er, die ik getracht heb uit te wisschen, maar die telkens weer opkomen, als een oude vlek op een kleed; andere weder zijn te zeer in overstelpend geluk en verheffing geschreven, om niet bespot te worden in de dagelijksche wereld, want het staat zoo dom, gevoel te hebben, en het is alleronfatsoenlijkst het te toonen. Ook zijn er, die nauwelijks leesbaar zijn, omdat zij in duisternis of op reis, of op mijne knie, of in het geheel niet geschreven werden. Stelt u voor, dat ik in dat dikke boek zit te bladeren, en u de bladen voorlees, als ik ze bij een of twee, drie, vier en meer te gelijk omsla.... Gij krijgt daardoor als eene bloemlezing uit het boek: Het is waar, gij krijgt op die wijze niet _alles_ te weten, maar.... Deze manier heeft het groote voordeel, dat de nieuwsgierigheid wel geprikkeld, maar niet oververzadigd wordt. En vervolgens heb ik zoodoende eene waarschuwing van Voltaire in acht. genomen: _Le secret d'etre ennuyeux c'est de tout dire._ Ik heb voor mijne geboorte zoo ontzettend veel beweging en opschudding gemaakt in de wereld, dat ik er bijna aan wanhoop, ooit meer zoo gewichtig op deze aarde te zullen worden, als toen ik er nog niet op was. Op die wijze en met de jaren _sempre crescendo_ voortgaande, had ik op zijn minst een schok en omkeering als Mohammed, Alexander, Napoleon, Karel de Groote, Luther, Confucius of de typographie moeten teweegbrengen. Waarlijk het eerste woord, dat ik kon spreken, had wel een woord van verontschuldiging mogen zijn aan al de lieden, die ik zoo in beweging gehouden en naar mijne pijpen heb laten dansen. Zoo heb ik maanden lang mijne gansche familie in rep en roer gebracht; tantes en nichten aan het werk gesteld; betreffende het peterschap de moeilijkste strijdvragen veroorzaakt; de medische faculteit en het gilde der bakers onder de wapenen gebracht; een tal van nieuwe goederen en meubelstukken te mijnen behoeve doen aanschaffen; en nu zal ik maar zwijgen van al de physische en metaphysische redeneeringen, waartoe ik aanleiding gaf, door vrouwelijke deskundigen met mijne moeder of onder elkaar over mij gehouden, over het vraagstuk of ik een meisje zou zijn dan wel een jongen, en dergelijke. Het geheele huis werd het onderstboven gekeerd, geen kamer bijna, die hare oorspronkelijke bestemming of schikking behield; ja, op het laatst heb ik zelfs mijn vader, om voor een vreemde persoon plaats te maken, gejaagd uit het bed, waar hij volgens burgerlijk en natuurlijk recht, ja, volgens Indisch, Mohammedaansch, Egyptisch, Israelietisch, Hottentotsch, Kaffersch, Kamschatdaalsch, Mongoolsch, Hunsch, Romeinsch, middeleeuwsch en nieuw recht, de bevoegdheid had, zijn hoofd ter ruste te leggen, en naar eene akelige, holle kamer aan het eind, van het huis gezonden om daar alleen te slapen en te peinzen over de gezelligheid van den huwelijken staat. Maar alsof dit alles nog niet genoeg ware--er was geen tak van menschelijke kennis en wetenschap, dien ik, ofschoon nog ongeboren, niet in werking bracht; het waren genealogische nasporingen en onderzoekingen voor het bepalen van mijne namen, het was opvoedkundige geleerdheid door mijne moeder te bestudeeren, burgerlijk recht en usantien in acht te nemen en letterkunde voor de advertentien en de brieven, alle mogelijke en al of niet te voorziene gevallen der _ars medica_ te bepeinzen; metaphysische, phychologische (de odontologische kwamen er naderhand ook nog bij) incidenten, te behandelen; ja, eindelijk deed ik zelfs chronographische en astronomische quaestien, en daarbij de systema's van Julius Caesar en Sosigenes, van Gregorius XIII en Ludovico Lilio weer wakker worden, doordat ik ter wereld kwam in een schrikkeljaar, op den 29sten Februari. Wat eene geleerdheid voor een kind, dat nog niet geboren is! en wat is Baco, hierbij vergeleken; Baco, die alle takken van menschelijke wijsheid omvatte! Ik zou haast vergeten te melden, dat ik mijn vader in gevaar bracht eene lastige boete te beloopen, daar hij bijna vergat mij bij den burgerlijken stand aan te geven. --Te duivel! zei dokter Vijzel, toen ik geboren was, het deksel zijner snuifdoos met kracht toeslaande,--door welke daad hij aan zijne redenen klem placht bij te zetten,--het verwondert mij niet, dat het kind niemand durft aanzien, en wel mag het zich schamen negen maanden lang zooveel opschudding gemaakt te hebben! --Atsjiaaaah! zeide ik, zoodra ik ter wereld kwam. Het is allerbelangrijkst te weten, wat bij het binnentreden in dit ondermaansche de meeningen, gewaarwordingen en gezegden der menschen geweest zijn, omdat dit de eenige gelegenheid is, waarbij zij een onpartijdig oordeel kunnen vellen en den juisten indruk mededeelen, dien de wereld op hen maakt! Later komen vooroordeel, gewoonten, partijzucht, systeem en allerlei a