The Project Gutenberg EBook of De Groote Pyramide, by H.J. van Ginkel This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: De Groote Pyramide Author: H.J. van Ginkel Release Date: February 2, 2007 [EBook #20502] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GROOTE PYRAMIDE *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Typ. Duwaer & Van Ginkel, Bloemgracht 8, Amsterdam.
| Hoofdstuk I. | Inleiding | 1 |
| Hoofdstuk II. | Ligging, Bouwer | 14 |
| Hoofdstuk III. | De Bouw | 24 |
| Hoofdstuk IV. | Beschrijving van het Inwendige | 33 |
| Hoofdstuk V. | Over de bestemming der Pyramide | 41 |
| Hoofdstuk VI. | Over de bestemming der Pyramide II | 50 |
| Hoofdstuk VII. | Nog enkele theoriën over de bestemming en symboliek der groote pyramide | 63 |
| Hoofdstuk VIII. | Mystieke theoriën | 71 |
| Hoofdstuk IX. | Mystieke theoriën II | 81 |
| Hoofdstuk X. | Mystieke theoriën (slot) | 92 |
| Appendix. | ||
| Maten der Pyramide | 105 | |
| De vijfpuntige ster het geometrisch symbool der groote Pyramide | 110 | |
| Waarom de Bouwers den π hoek in de Pyramide vastlegden | 118 | |
| Lijst van geraadpleegde boeken | 119 | |
| Maten | 121 |
De inhoud van dit boekje verscheen grootendeels reeds in het maandblad Theosophia en ik kan dus volstaan met een zeer kort voorwoord ter inleiding.
Gaarne had ik meer tijd besteed aan het omwerken van de grondstoffen, doch de gelegenheid daartoe ontbreekt mij; aangezien echter velen mij verzochten de artikelen toch in boekvorm te doen verschijnen om de er in verkondigde denkbeelden in ruimer kring hier te lande bekend te maken, ben ik er toe overgegaan dit boekje uit te geven.
Met mijn oprechten dank aan mijne vrienden die mij op verschillende wijzen bij mijn arbeid steunden en de uitgave mogelijk maakten en in de hoop dat de reeds opgewekte belangstelling in het behandelde onderwerp moge toenemen zend ik dit boekje de wereld in.
H. J. van Ginkel.
Laren, April, 1908.
Het is een vastgesteld feit dat elk belangrijk onderwerp van studie beschouwd kan worden van twee zeer uiteenloopende—dat wil zeggen schijnbaar uiteenloopende—standpunten, namelijk van het standpunt van hen die oordeelen volgens voor hen vaststaande feiten en van het standpunt van hen die oordeelen volgens hunne gevoelszienswijze. De eerste beschouwing wordt genoemd de wetenschappelijke, met de tweede bedoel ik die van hen, die door innerlijke kennis—door kennis van de ziel, niet door kennis van het tegenwoordig hersenverstand—weten van de werkelijke waarheid der dingen. En nu is het een treurige gewoonte geworden dat zij, die oordeelen volgens vaak zeer betrekkelijk vastgestelde feiten, hoegenaamd geen waarde hechten aan de beschouwingen, die omtrent zekere dingen bestaan, van hen die een innerlijk besef van de gnosis dezer dingen hebben. Bovendien is de eerstgenoemde school van denkers heden ten dage in de meerderheid doordien de groote massa nietdenkende menschen met hen meegaat, niet uit overtuiging, maar uit gemakzucht of onwetendheid.
In de eerste plaats dan zou ik mijnen lezers de vraag willen voorleggen: Berust de eerste beschouwing eigenlijk ook niet op een vooraf opgevat gevoelen omtrent zekere dingen? En dan zou ik hier zeker op antwoorden: ja. Want de geleerde die eene massa feiten, stoffelijke feiten verzameld heeft, en deze louter bijeengezameld heeft met het denkbeeld ze te analyseeren, aaneen te voegen enz., met de bedoeling een geschiedenis dier dingen op te bouwen, heeft behalve zijn denken als geleerde ook zijn gevoel als mensch, welk laatste niet alleen is opgebouwd gedurende zijn omgang in dit leven met verwante denkers, vrienden en bekenden, maar ook door zijn denken en omgang in voorafgaande levens. [2]En het kan niet uitblijven of zelfs geheel tegen zijn willen in, zal ook een geleerde een onderwerp beschouwen door de glazen van zijn gevoelsbril, welke glazen niet in dit éene leven doch reeds ten deele in levens daaraan voorafgaande gevormd zijn.
Nu iets met betrekking tot de feiten zelf volgens welke zij hunne wetenschappelijke beschouwing vormen, bijvoorbeeld omtrent de geschiedenis der oudheid. De tegenwoordige onderzoekers hebben op dit punt zeker niet veel om mede te werken en allerminst op het punt van geschreven verslagen. Tot op een betrekkelijk kort geleden tijdstip was de beschouwing van hetgeen geschreven stond geheel onderworpen aan en beperkt door kerkelijke leerstukken, en was een vrije eigen gedachte over een onderwerp als het onderhavige louter onmogelijk. Wat dus in verschillende richtingen er over gedacht of geschreven is, kon eerst vrij ontwikkelen in de laatste eeuw en in die eeuw zijn juist belangrijke feiten eerst begonnen aan het licht te komen, en een ieder die weet hoe weinig feitenkennis er tot nog toe is, en ook de theorieën kent die door verschillende wetenschappelijke onderzoekers op deze feiten gegrond zijn, zal inzien dat deze theorieën niet door de feiten onaantastbaar worden gelaten. Wanneer, zooals bekende verslagen ons doen zien, de geschiedenis van het menschdom is na te gaan tot op een tijdperk van ettelijke duizenden jaren vóór Chr., en de feiten van het begin dier geschiedenis aantoonen dat er toen hooge beschavingen waren, is het misschien wetenschappelijk, maar zeker niet logisch, te zeggen dat dit de aanvang der menschelijke beschavingsgeschiedenis was, vooral met het oog op een ander wetenschappelijk vaststaand feit, dat de aarde millioenen jaren vóór dat tijdstip bestond. Want wij hebben te kiezen tusschen twee zienswijzen omtrent de dingen vóór dat tijdstip waarvan onze gegevens dagteekenen, namelijk de menschheid verkeerde gedurende duizenden, ja wellicht millioenen jaren in wilden staat, en dan was de ontwikkeling der volgende enkele duizenden jaren daarmede geheel in strijd, òf er bestonden beschavingen lang vóór dat tijdstip. Nu berust eene zienswijze omtrent dit tijdstip, tenminste als men er zich eene zienswijze van vormen wil, bij gebrek aan voldoende feitenkennis, geheel op gevoel en heeft voor dat tijdperk de Theosofische theorie evenveel waarde als de wetenschappelijke. Is dat dan voor een later tijdperk niet even waar, zal men vragen en niet ten onrechte. Ik voor mij vind dat dit zeker het geval is, maar alvorens dit te kunnen staven moet men in staat zijn de [3]bekende feiten overeen te brengen met de theorie, en dit vereischt dus meer dan men van een leek verwachten mag. Hiertoe is noodig een wetenschappelijk man met theosofische theorieën, en deze ontbreekt op verscheidene gebieden van wetenschap nog. Doch wanneer wij, die niet in staat zijn voldoende feitenkennis te verzamelen om onze theorieën wetenschappelijk te staven, slechts volhouden op grond van ons innerlijk weten, zal de drang zoo groot worden dat ook dit overeenbrengen van de feiten en de theorieën welhaast niet meer tot de schoonste droomen zal behooren.
En omdat ik dit voel en weet waar te zijn, durf ik mijn onderwerp hier te behandelen van een standpunt dat berust op gegevens die grootendeels geput zijn uit “onwetenschappelijke” boeken, geschreven door meerendeels “onwetenschappelijke” menschen, maar die voor mijn gevoel meer werkelijke kennis, en daardoor recht van spreken hadden over deze dingen, dan een feitenverzamelaar. Wanneer iemand iets voelt voor een zaak, is dit een bewijs dat er in zijne aura skandha’s zijn van uit een tijd toen hij zeer na betrokken was met die zaak en die zaak kende, en wanneer hij dezen skandha’s den vrijen loop laat, zal hij mijns inziens meer weten van die zaak dan eenig iemand die slechts van buiten af beoordeelt.
Doch reeds te ver dwaalde ik hier af van hetgeen ik wenschte te zeggen, namelijk welke twee groote theorieën wij met betrekking tot de oudheid en de geschiedenis van de menschheid hebben. De wetenschappelijke theorie dan beweert dat alle vooruitgang der menschelijke beschaving op een geleidelijke evolutie van den stoffelijken mensch en zijn stoffelijk hersenstelsel berust, en dat de mensch van het standpunt van den wilde zonder hulp van buiten af gekomen is tot het huidig standpunt van beschaving, dat men thans met den aan onzen tijd eigen zijnden eigenwaan als een zeer hoog, zoo niet het hoogste te bereiken punt van beschaving beschouwt. En wij willen nu hier niet er over uitweiden of er werkelijk eenige grond bestaat om onze hedendaagsche beschaving te beschouwen als een zeer hoogstaande, doch liever opsommen wat de hiertegenoverstaande of Theosofische theorie zegt. Deze dan leert dat de menschheid tot op een betrekkelijk kort geleden tijdperk geheel van buiten af geleid werd, evenals een jeugdig kind leert loopen aan de hand zijner ouders, en dat zij eerst nu begint te trachten alleen te staan. In deze jeugd der menschheid hebben groote beschavingen bestaan, die geheel geleid en opgebouwd werden door de Oudere Broederen der Menschheid, [4]die van andere plaatsen in ons zonnestelsel kwamen om onze evolutie te leiden. Zij waren de Koningen, Ingewijden en Priesters in deze oude beschavingen en hadden alle kennis die binnen ons stelsel bestaat, te Hunner beschikking. Vandaar dat Zij de menschheid eene beschaving konden voorhouden als voorbeeld ter latere navolging. Nu beweer ik niet dat de jonge rassen welke Zij leidden geheel voldeden aan de plannen die deze hoogstaande Wezens met hen vóór hadden. Neen, want wij kunnen maar al te goed weten uit hetgeen ons geleerd wordt, dat Zij de menschen nimmer konden noch mochten dwingen Hunne plannen geheel ten uitvoer te brengen, en al was Hunne enkele tegenwoordigheid voldoende om een ras tot hooge beschaving en hoogen bloei te brengen, zoo verviel het evenzeer nadat Zij zich wederom terugtrokken. Het nut van Hunne tegenwoordigheid kon dan ook niet anders zijn dan de stoot die de machine der menschheid aan het werk bracht, doch thans zijn wij zoover als menschheid ontwikkeld, dat wij uit eigen aandrang tot dezelfde resultaten moeten trachten te komen.
Een duidelijk beeld van zulk een leiding en op de kleinere schaal van een onderdeel der evolutie, vinden wij bijvoorbeeld in de kunst.
In Griekenland hebben in onze bekende oudheid enkele groote ingewijden beeldwerken gewrocht, die niemand van hunne latere navolgers heeft kunnen benaderen, en die ook zelfs nu niet benaderd worden. Toch zijn zij daar als een beeld van hetgeen mogelijk is in die richting, en moet het betrekkelijk einddoel van onze kunstenaars zijn, hen te evenaren om op een toekomstig tijdstip tot hetzelfde standpunt te komen. Ook hier is dus schijnbaar eerst een ongewone en abnormale ontwikkeling en beschaving, vervolgens achteruitgang en een te komen beschaving die tot het eerste punt terugkeert, plus de innerlijke ontwikkeling door die navolging verkregen.
In ieder geval, hetzij wij dit nu kunnen aantoonen en staven door feiten of niet, de Theosofische theorie zegt ons dat de eerste beschavingen van onze menschheid, dus die van vóór het bekende geschiedkundige tijdperk en waarvan de eerst bekende Egyptische beschaving slechts een vervallen overblijfsel was, geleid werden en opgebouwd waren door Adepten of in enkele gevallen zelfs door zeer verheven Wezens van andere bollen in ons zonnestelsel.
Wanneer wij ons aan deze beschouwing houden, kan bij ons geen twijfel bestaan of alle zaken die wij omtrent deze beschavingen en bijvoorbeeld omtrent de ons bekende Egyptische beschaving [5]eveneens gissen of kennen, moeten wij in een geheel ander licht zien dan zulks gedaan kan worden door een wetenschappelijk onderzoeker.
Wanneer wij nu in het licht van deze theorie het onderwerp beschouwen, dat ik mij voorstel in dit boek te behandelen, namelijk de verschillende theorieën die omtrent de Groote Pyramide, hare Bouwers, en het waarom van haar bouwen, enzoovoorts, bestaan, dan kunnen wij zeker niet de woorden beamen van een der grootste hedendaagsche Egyptologen, E. A. Wallis Budge, waar hij met betrekking tot dit onderwerp in zijn laatst verschenen werk1 schrijft:
“In de volgende bladzijden wordt geen melding gemaakt van de verscheidene vernuftige theorieën die zich steeds om ‘de Groote Pyramide’ verzameld hebben en die aan dat uitgebreide grafgedenkteeken verborgen doeleinden en beteekenissen zouden willen toeschrijven, want door alle bevoegde gezaghebbenden wordt nu erkend dat zij gebouwd werd voor een graftombe en niet om eenigerlei esoterische leeringen die in verband staan met de Hebreeuwsche Patriarchen en anderen te verduidelijken”2.
Deze uitspraak moge groot gezag hebben en heeft dit zeer zeker ook voor iedereen die de gewone wetenschappelijke beschouwingswijze toegedaan is, maar even zeker is het dat er velen zijn die, al mogen zij niet behooren tot de “bevoegde gezaghebbenden” over dit onderwerp, het toch stellig niet eens zullen zijn met deze uitspraak, en het nimmer zullen worden, omdat zij andere theorieën huldigen, en ook omdat zij in vele gevallen het gezag van de aangehaalde feiten niet zullen erkennen.
Doch om ons een juist denkbeeld te vormen van enkele der theorieën omtrent de Groote Pyramide, is het in de eerste plaats noodzakelijk te zien welke de theorieën en de gegevens zijn omtrent de bewoners van Egypte gedurende het tijdperk van den bouw der Groote Pyramide.
In de eerste plaats dan de wetenschappelijke. In zijn voorwoord van het reeds aangehaald werk zegt Budge: “dat de archeologen langen tijd beweerden dat het tijdperk van drie of vierduizend jaren, dat velen voldoende achtten voor de opkomst, den groei, de rijpheid en het verval van de oude Egyptische beschaving, [6]onvoldoende was, en dat de schoone reliefwerken en schilderingen, en de reusachtige Pyramiden, die het werk waren der Egyptenaren van de IVe Dynastie, nooit voortgebracht konden zijn door een volk dat enkele honderden jaren tevoren volkomen of nagenoeg wild was. De juistheid van deze zienswijze is nu bewezen, en het is bekend dat Menâ of Menes niet de eerste Koning van Egypte was3, en dat het beschavingstijdperk dat ons onthuld wordt door de werken der dynastische Egyptenaren, niet als het ware pasklaar te voorschijn sprong gedurende de regeering van dien koning. Het is ook zeker dat een aantal onafhankelijke koningen zoowel in de Delta als in Boven-Egypte moeten geregeerd hebben lang vóór Menâ, hoewel het zeer wel mogelijk is dat hij de eerste geschiedkundige koning was, die er in slaagde zich tot koning van zoowel het Zuiden als het Noorden te maken4”.
Nu stemt dit zeer zeker in één opzicht goed overeen met onze Theosofische theorie van voorhistorische beschaving, want behalve het hier aangehaalde is het ook een bekend feit dat Menes, hoewel hij enkele groote publieke werken deed uitvoeren (zooals het verleggen van den loop van den Nijl door het opwerpen van een grooten dijk) en in verderen algemeenen zin een groot heerscher was, die veel deed voor de stoffelijke welvaart en den bloei van zijn volk, ook in dezen te ver ging en groote weelde en overdaad invoerde bij zijne hofhouding, waardoor blijkt dat hij reeds materialistisch en in geen geval een Koning-Ingewijde was, tenminste niet van dien graad als wij gewoonlijk bedoelen met die benaming. Zeker is het, dat het invoeren van een weelderig leven bij een groot volk steeds het kenmerk geweest is van een begin van verval, getuige het ons bekende geschiedkundige Romeinsche Rijk, zoodat wij mogen aannemen dat het hoogste punt van bloei van het rijk niet was ten tijde van Menes, doch lang vóór dien tijd, en dat dus de aanvang van die beschaving nog veel verder in de grijze oudheid terugligt. Wij zien tot dusver nog geen verschil tusschen beide theorieën omtrent de oudheid der Egyptische beschaving. Echter komt een groot verschil aan het licht, wanneer [7]wij nagaan wat de wetenschap leert omtrent de bestanddeelen van de bevolking en de wijze waarop het land bevolkt werd. Op één punt zijn de Egyptologen het vrijwel eens, namelijk dat het bekende geschiedkundige Egyptische ras een mengeling was van Afrikaansche negerstammen en Aziatische kolonisten, doch dat gedurende het bekende geschiedkundige tijdperk de Egyptenaren niet meer bekend waren met hunne eigenlijke voorvaderen, dat de typen zeer vermengd waren, en dat in hun type dat van alle rassen, die beurtelings Egypte overheerschten, gevonden werd. Prof. Maspéro brengt de Egyptenaren terug tot de proto-semitische rassen5, die uit Azië kwamen over de landengte van Suez en aan de oevers van den Nijl een ander ras, dat waarschijnlijk een negerras was, vonden,—hetwelk zij in de binnenlanden terugdrongen. Wanneer dit nu plaats vond is moeilijker te zeggen, en wij bevinden dat de Egyptologen zooals Flinders, Petrie, Budge, Maspéro, Wiedemann e.a. geen datums geven en eerst een bepaalde tijdrekenkunde volgens dynastieën invoeren sedert Menes. Dat het zeer lang vóór Menes plaats vond, blijkt uit het voorgaande. Deze kolonisten schijnen zich het eerst gevestigd te hebben in Boven-Egypte, ten zuiden van het geschiedkundige Thebe, zelfs vóór het vormen van de Nijldelta, en zich langzamerhand meer en meer naar het Noorden hebben uitgebreid. Dat dit zoo was, kan ons nog blijken uit de legenden die onder de bekende mededeelingen der latere priesters voorkomen omtrent de bewoners van het Zuiden, die zij als een soort voorouderlijke Goden beschouwden, genaamd de Zonen van Horus of Schesoo-Hor. Deze waren de bewoners van de landen gelegen in de nabijheid der bronnen van den Nijl, genaamd Poent, en waarvan gesproken werd als het heilig land van Khent. Altijd bleef voor de noordwaarts getrokken volkeren het zuiden het groote Heilige verblijf en al hunne legenden zijn vol verwijzingen er naar. Blijkbaar niet zonder reden, al moeten wij deze zoeken in Theosofische en niet in wetenschappelijke geschriften. H. P. Blavatsky zegt in de Geheime Leer6 dat deze oorspronkelijke bewoners van Poent een Arische stam waren die van uit Azië naar de bronnen van den Nijl trok.
Zij beschrijft dezen kolonisatietocht zeer uitvoerig. Een nadere beschrijving, wie de Koningen van de voorouders der Egyptenaren waren, geeft zij in de Geheime Leer, deel II, blz. 402, 403. [8]
“In dit tijdperk nu moeten wij zoeken naar het eerste optreden van de voorvaderen dergenen, die wij de oudste volkeren der wereld noemen—thans onderscheidenlijk genaamd de Ârische Hindoes, de Egyptenaren en de eerste Perzen aan de eene en de Chaldeeën en Phoeniciërs aan de andere zijde. Deze werden door de Goddelijke dynastieën bestuurd, d.w.z. Koningen en Heerschers die van den sterfelijken mensch slechts zijn stoffelijk uiterlijk, zooals dat toen was, bezaten, doch wezens waren van Bollen, hooger en hemelscher dan onze Bol nog over vele Manwantara’s zijn zal. Het is natuurlijk nutteloos te trachten het bestaan van dergelijke wezens aan sceptici op te dringen.”
Hoe de Aziatische stammen, namelijk de Oostersche Ethiopiërs—de machtige bouwers—van uit Azië trokken naar hun nieuwe vaderland, Egypte, verhaalt H. P. B. ons eveneens duidelijk in de Geheime Leer, waar zij eene verklaring geeft van de fabel van Io, weergegeven door Prometheus.
“Io is de Maan-godin van de voortbrenging—want zij is Isis, en ook Eva, de Groote Moeder”, zegt zij, en geeft dan de navolgende verklaring van deze legende. “Io is de moeder en het zinnebeeld van de fysieke menschheid.7 In de legende nu worden de zwerftochten (der rassen) zoo duidelijk weergegeven als woorden het maar kunnen. Zij (Io) moet Europa verlaten en naar het vasteland van Azië gaan, tot zij den hoogsten berg van den Kaukasus bereikt,.... vervolgens moet zij, na den ‘Kimmerischen Bosporus’ overgetrokken te zijn naar het Oosten reizen, en trekken over hetgeen klaarblijkelijk de Wolga en het tegenwoordige Astrakan aan de Kaspische zee is.... en van die plaats naar het land der ‘Arimaspische schare’ (ten oosten van Herodotus’ Scythië)”. H. P. Blavatsky zegt verder dat Prof. Newman terecht vermoedt dat hiermede de Oeral bedoeld is. De legende zegt verder iets dat een raadsel is voor alle Europeesche vertolkers, nl. Io moet nu een kolonie stichten, en daarom “oostwaarts reizen tot zij aan de rivier Ethiops komt, die zij volgen moet tot deze in den Nijl valt.” De oudste Grieken meenden dat “de Nijl, ergens in Indië ontspringend en door vele woeste streken stroomend, waarbij hij zijn naam Indus verliest,.... vervolgens door bewoond land vloeide en thans door de Ethiopiërs van die streken en later door de Egyptenaren Nijl genoemd werd.8”. [9]
Dit denkbeeld is klaarblijkelijk ontstaan omdat men geen andere Ethiopiërs kende dan die welke Noord-Afrika bewoonden, doch H. P. Blavatsky zegt dat de bedoelde rivier zeer zeker de Indus is, die door de Oostersche Ethiopiërs de Ethiops, of ook wel Nîl en Nîlâ genoemd werd.9
En verder: “Indië en Egypte waren twee verwante volkeren, en de Oostersche Ethiopiërs—de machtige bouwers—zijn uit Indië gekomen, zooals naar wij hopen, in Isis Unveiled tamelijk wel bewezen is.”10
“Het ras van Io, de ‘de koehoornige jonkvrouw’, is derhalve eenvoudig het eerste ras van pioniers der Ethiopiërs, dat zij van den Indus naar den Nijl bracht, die zijn naam ontving ter herinnering van de Moederrivier der kolonisten uit Indië. Daarom zegt Prometheus tot Io, dat de heilige Neilos—de God, niet de rivier—haar naar het drie-hoornige land zal voeren, namelijk naar de Delta, waar het voor hare zonen voorbeschikt is die verafgelegen volkplanting’ te stichten. Aldaar zal een nieuw ras (de Egyptenaren) een aanvang nemen11”.
Wij hebben thans zeker genoeg stof in deze gegevens van H. P. Blavatsky met betrekking tot de vorming van het nieuwe ras om over te denken en in verband te brengen met andere gegevens omtrent de Egyptenaren, doch om zoo volledig en duidelijk mogelijk op dit punt te zijn, geef ik hier nog iets dat met betrekking tot deze immigratie van Atlantiërs gezegd wordt in het merkwaardige boekje The Story of Atlantis:
“Wij moeten nu verwijzen naar Egypte, en de beschouwing van dit onderwerp moet een zee van licht op zijn vroegste geschiedenis doen vallen. Alhoewel de eerste nederzetting in dat land niet in den volstrekten zin van het woord een kolonie was, werd uit het Toltek-ras daaraanvolgend de eerste groote massa immigranten getrokken, die bedoeld waren zich te vermengen met het wilden-ras en het te overheerschen.
In de eerste plaats was het de overplaatsing van een groote Loge van Ingewijden. Dit vond plaats omstreeks 400.000 jaar geleden. Het gouden tijdperk der Tolteken was lang geleden. De eerste groote aardramp had plaats gehad. De zedelijke verlaging van het volk en de daaropvolgende beoefening van de ‘zwarte [10]kunsten’ werden sterker en meer verspreid. Egypte was afgelegen en dun bevolkt, en daarom werd Egypte uitverkoren. De aldus gestichte nederzetting beantwoordde aan haar doel en onverstoord door tegenwerkende invloeden deed de Loge van Ingewijden gedurende 200.000 jaren haar werk.
Ongeveer 210.000 jaar geleden, toen de tijd rijp was, stichtte de Okkulte Loge een rijk—de eerste ‘Goddelijke Dynastie’ van Egypte—en begon het volk te onderrichten. Toen werd de eerste groote massa kolonisten uit Atlantis overgebracht en te eeniger tijd gedurende de tienduizend jaren die leidden tot de tweede aardramp, werden de twee groote Pyramiden van Gizeh gebouwd [ik cursiveer, v. G.], gedeeltelijk om als blijvende Zalen van Inwijding te dienen, maar ook om als bewaarplaats te dienen van een of anderen talisman van groote kracht gedurende de overstrooming, waarvan de Ingewijden wisten dat zij ophanden was.”12
Nu valt er met betrekking tot hetgeen in het aangehaalde boek vermeld wordt weinig meer te zeggen dat ons belangrijk kan voorkomen in verband met ons onderwerp. Een ieder die er belang in stelt raad ik aan het geheele werkje te lezen. Maar wel belangrijk is het, te vermelden dat mijns inziens met de twee groote Pyramiden van Gizeh niet de Groote Pyramide bedoeld werd, maar de beide andere die bekend zijn als die van Kephren en Menkaura. De eerste werd, voorzoover ik dat begrijp, gebouwd meer dan 400.000 jaar geleden, hetgeen men zal kunnen nagaan uit hetgeen gezegd wordt in de Geheime Leer, Deel I, blz. 558, en waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen.
A. P. Sinnett heeft in zijne Verhandeling over De Pyramide en Stonehenge uitvoerig dit punt betreffende de bevolking van Egypte gedurende dit tijdperk behandeld13 en ik kan niet beter doen dan hier in het kort weergeven wat hij uit okkulte bronnen omtrent dit deel van het onderwerp bijeenverzameld heeft.
In de eerste plaats dan brengt een onderzoek naar den oorsprong van de Egyptische beschavingsgeschiedenis ons tot het Atlantisch ras terug. Ongeveer een millioen jaren geleden was dit Atlantische ras het overheerschende ras in nagenoeg alle bewoonbare landen, hoewel de hoofdmassa natuurlijk op het vasteland van Atlantis woonde. Egypte zelf werd bewoond door een volk dat verre beneden deze beschaving stond. Gedurende het verval van Atlantis nu [11]trokken de Adepten, en in het algemeen de meer geestelijk verlichten van het Atlantische ras, weg van het groote vasteland en vestigden zich in afgelegen streken, vaak te midden van half wilde stammen, welker nabijheid echter minder schadelijk was voor het bederf der atmosfeer door booze daden en gedachten, dan die van hunne verbasterde en ontaarde rasgenooten, op wie zij hunnen invloed niet langer konden doen gelden. Van veel meer nut zouden zij kunnen zijn voor de nog onontwikkelde rassen, die echter onbedorven waren. Overal, in verschillende landen, vinden wij teekenen van dat verblijf dezer Adepten in den vorm van nagelaten en thans vervallen bouwwerken, voornamelijk tempels; zoo bijvoorbeeld de Pyramiden in Amerika, Stonehenge in Engeland, de Pyramiden in Indië, en voornamelijk de meest bekende, de oudste Pyramiden van Egypte.
De Adepten die zich in Egypte vestigden vonden daar, niet meer het half wilde ras, maar een zich ontwikkelend ras dat een mengeling was van de oude rassen en Aziatische emigranten, de zoogenaamde Roeta-Atlantiërs. H. P. Blavatsky zegt van deze rassen: “Niettemin schijnt zelfs in de dagen van Plato niemand behalve de priesters en de ingewijden eenigerlei bepaalde herinnering aan de voorafgaande rassen bewaard te hebben. De allereerste Egyptenaren waren gedurende eeuwen en eeuwen van de Atlantiërs gescheiden geweest; zij zelve stamden af van een uitheemsch ras, de Roeta-Atlantiërs, en hadden zich 400.000 jaren vroeger in Egypte gevestigd”14.
Toen gedurende het verblijf van de later inkomende Adepten het geestelijk zaad wortel schoot bij het opkomende ras, schijnen deze Adepten het bestuur wereldlijk en geestelijk ter hand genomen te hebben. Zij waren de goddelijke Koning-Ingewijden die voorafgingen aan de menschelijke dynastie na Menes, en Egypte brachten tot een stoffelijken en geestelijken bloei, waarvan de ons bekende Egyptische beschaving slechts een flauwe weerspiegeling was.
Gedurende hun bestuur—en het is onmogelijk hier van jaren te spreken met betrekking tot tijd, dus kunnen wij volstaan met te zeggen dat het halverwege het tijdperk was tusschen de eerste emigratie der Atlantische Adepten en het huidig tijdperk—werden de eerste pyramiden gebouwd, niet als een oorspronkelijk iets, maar als een algemeen aangenomen bouw van tempels van inwijding en woonplaatsen van Adepten in dien tijd; want H. P. Blavatsky zegt [12]dat Egypte geenszins eenig was in het hebben van pyramiden, doch dat deze in alle vier hoeken der wereld bestonden, hoewel te dien tijde de hoofdzetel der Adepten in Egypte gevestigd was. Dit nu was volgens Sinnett ongeveer 200.000 jaar geleden15.
En thans ben ik tot een punt gekomen in deze verhandeling, waarop ik met verwijzing naar al het voorvermelde en een beroep doende op het okkulte gezag van deze mededeelingen, gevoeglijk kan komen tot eene bespreking van de reden waarom ik het nuttig en wenschelijk acht een onderwerp als het onderhavige te behandelen. Wanneer wij uit het voorgaande zien dat de Adeptkoningen de leiders waren van de volken door wie deze pyramiden gebouwd werden, kunnen wij Theosofen, met hetgeen wij bij benadering ons kunnen denken van zulke hooge wezens, niet aannemen dat deze pyramiden gebouwd werden als “graftomben”. Er bestaat voor ons geen twijfel of deze pyramiden hadden een verheven doel, en wij kunnen dan ten volle aannemen hetgeen A. P. Sinnett zegt in de meer aangehaalde verhandeling16 dat deze pyramiden, en inzonderheid de groote Pyramide, bedoeld waren als tempels van inwijding, en dat de Groote Pyramide zelfs nog een doel had dat nuttig was boven dit, namelijk het beschermen van tastbare magische voorwerpen die in den rotsgrond verborgen werden, en die noodig waren bij de okkulte mysteriën. Men zegt dat deze in den rotsgrond begraven waren, dat de Pyramide er boven opgetrokken werd, om door haar vorm en reusachtige grootte ze te beveiligen tegen aardbevingen en tegen de gevolgen van de groote overstroomingen, die Egypte en andere gedeelten der aarde bedolven onder groote watermassa’s.
Maar nu deze okkulte theorie geheel en al tegenover de gezaghebbende en conventioneele graftheorie der pyramiden staat, moeten wij niet uit het oog verliezen dat gedurende het verval van de Egyptische beschaving, dat is gedurende het aan ons bekende geschiedkundige tijdperk, de esoterische kennis natuurlijk verdween met de Adepten, die gedurende een meer en meer materialistisch wordend geslacht zich terugtrokken naar weer andere streken, en dat ten opzichte van de toen volgende mode van pyramidenbouwen voor graftomben de theorie stellig meer waarde heeft en gestaafd wordt door bewijzen. Want zeker bouwden de latere koningen ze niet als plaatsen van inwijding, en er zijn overvloedige bewijzen dat [13]zij ze voor graftomben bedoelden;—het feit dat zij de pyramidale bouworde volgden, vindt zijn reden in het navolgen van de bestaande oudere pyramiden.
Wij moeten dus de waarde der pyramiden uit een okkult oogpunt zoeken in gegevens die niet berusten op feiten die ontdekt zijn in verband met latere pyramiden, doch geheel in die, welke ons verstrekt worden door helderziend okkult onderzoek, zooals A. P. Sinnett ons die verschaft in zijne verhandeling, en waaromtrent wij eveneens voldoende wenken vinden in de Geheime Leer.
Doch afgescheiden van de okkulte waarde der oudste pyramiden in het algemeen, kan die van de groote Pyramide voor ons bijzonder belangrijk zijn, wanneer wij een gepasten eerbied hebben voor hetgeen H. P. Blavatsky ons hieromtrent zegt in de Geheime Leer17, nl.:
“De Groote Moeder lag met den
, en de |, en het
, de tweede en de
18 in haar schoot, gereed hen voort te brengen, die de dappere Zonen van de ![]()
|| [of 4.320.000, de Cyclus] wier Ouders de
[Cirkel] en het . [Punt] zijn.
Bij het begin van elken cyclus van 4.320.000 dalen de zeven, of zooals enkele volkeren meenden, acht groote Goden neder om de nieuwe orde van zaken te vestigen en den stoot te geven aan den nieuwen cyclus. Die achtste God was de vereenigende Cirkel, of Logos, in het exoterische dogma van zijne schare gescheiden en onderscheiden, evenals de drie goddelijke hypostases der oude Grieken thans in de kerken voor drie onderscheiden personen gehouden worden. Een toelichting zegt:
De Machtigen verrichten hunne groote werken en laten telkenmale wanneer zij binnen onzen mâyâwischen sluier (dampkring) doordringen, eeuwigdurende gedenkteekenen achter tot gedachtenis aan hun bezoek.
Zoo wordt ons geleerd dat de groote pyramiden onder hun onmiddellijk toezicht gebouwd werden, ‘toen Dhruwa (de toenmalige Poolster) in zijn laagste culminatie was, en de Krittikâ’s (Pleiaden) over zijn hoofd heen zagen (op denzelfden meridiaan, maar hooger, stonden) om het werk der reuzen te bewaken.” [14]
Zeker moet het ons de moeite waard zijn om te trachten aan te toonen, dat er gronden zijn om te bewijzen dat de Pyramiden hooger waarde en nut hadden dan die van “praalgraven voor ijdele koningen”, en dit stel ik mij voor te doen. Achtereenvolgens wensch ik te behandelen: de ligging der Pyramide, hare Bouwers en hare astronomische waarde; dan eene beschrijving te geven van het wonderbaarlijk ingewikkeld en belangwekkend gangen- en zuilenstelsel; een overzicht van enkele der vele (ongeveer 40), meer of minder waarde hebbende theorieën; en ten slotte een uitvoerige beschouwing omtrent hetgeen voor de Theosofische theorie pleit; terwijl wij eindelijk zullen trachten, de symboliek van dit wereldwonder te begrijpen.
Moge het mij gelukken mijnen lezers een indruk te geven van de ontzaglijk groote mystieke waarde van dit geschenk der Goden!
1 Books on Egypt and Chaldea. A History of Egypt from the End of the Neolithic Period to the Death of Cleopatra VII, B.C. 30, by E. A. Wallis Budge, London, 1902, 8 Vol.
2 In het aangehaalde werk, deel II, Voorwoord, blz. viii en ix.
3 Volgens Manetho’s lijsten zou dit wel het geval zijn, en eenvoudig om die reden zijn er velen toe gekomen hem als een soort oerkoning te beschouwen. Nu zijn deze lijsten absoluut niet gezaghebbend, omdat slechts de brokstukken van deze lijsten door enkele klassieke schrijvers aangehaald worden. De oorspronkelijke lijsten van Manetho zijn naar alle waarschijnlijkheid verbrand bij den grooten brand van de bibliotheek te Alexandrië. [v. G.].
4 t.a.p., Voorwoord, blz. xii.
5 Histoire Ancienne des Peuples de l’Oriënt, l’Egypte Primitive, blz. 17.
6 Geheime Leer, Deel II, blz. 510, 511.
7 Geheime Leer, Deel II, blz. 510, noot.
8 Geheime Leer, Deel II, blz. 511, vgl. Prometheus Bound, blz. 385, noot.
9 t.a.p.
10 Deel I, 569, 570.
11 Geheime Leer, Deel II, blz. 512.
12 The Story of Atlantis, blz. 37, 38.
13 The Pyramid and Stonehenge, blz. 10 en 15.
14 Geheime Leer, Deel II, blz. 923, 924. Zie ook Geheime Leer, Deel II, blz. 510, 511.
15 The Pyramid and Stonehenge, blz. 13.
16 t.a.p., blz. 13.
17 Geheime Leer, Deel I, blz. 558.
18 3,1415 of π, de samenvatting of de schare, één geworden in den Logos.... volgens H. P. Blavatsky, t.a.p. Het zal den lezer dus geen verwondering kunnen baren, wanneer wij bij de verdere behandeling der Groote Pyramide veel op dit getal π terugkomen. [v. G.]
In het vorig hoofdstuk heb ik in algemeene trekken iets medegedeeld wat ons door verschillende gezaghebbenden geleerd wordt omtrent den ouderdom van Egypte, zijne bewoners, en de Pyramiden. Thans zullen wij in de eerste plaats overgaan tot eene meer bijzondere beschouwing van de Groote Pyramide, als een op zichzelf staand monument. Een ieder die met de literatuur over de Pyramide eenigermate bekend is, zal weten dat het juist de Groote Pyramide was, die steeds de belangstelling trok, niet de Pyramiden in het algemeen; en daar de Groote Pyramide zooveel eigenaardigheden vertoonde, die geheel afweken van die der overige Pyramiden, kenmerkende eigenaardigheden welke niet overeen te brengen zijn met geschiedkundig bekende Egyptische gegevens, is een der bekendste schrijvers over dit onderwerp, Prof. Piazzi Smyth, er in zijn werk Our Inheritance in the Great Pyramid zelfs toe gekomen, de Groote Pyramide te beschouwen als een anti-Egyptisch bouwwerk. Wij komen op dit belangrijke punt later echter uitvoeriger terug bij het behandelen van den Bouwer. [15]
De Pyramide is gelegen op het plateau van Gizeh, een woeste reusachtige bergvlakte, 100 voet boven het Nijldal, in de nabijheid van Kaïro, eene plaats die niet ver verwijderd ligt van het oude Memphis. Men moet niet denken dat hier thans 3 pyramiden gevonden worden, want over het geheele plateau liggen ongeveer 70 pyramiden verspreid, waarvan echter vele tot niet meer dan louter reusachtige puinhoopen vervallen zijn. In het zoogenaamde vóór-geschiedkundig tijdperk, dat echter van Theosofisch standpunt nog als geschiedkundig beschouwd kan worden, zou dan eerst de Groote Pyramide daar gevonden zijn en later de beide andere, die in de onmiddellijke nabijheid liggen; de drie pyramiden zijn onderscheidenlijk bekend als die van Khoefoe, Kephren en Menkaura. Wij kunnen ons voorstellen dat de overige nabootsingen waren van de oorspronkelijke godenmonumenten, en behooren tot het geschiedkundige tijdperk der Egyptologen. Met betrekking tot de aardrijkskundige ligging der Groote Pyramide op genoemd tijdstip kunnen wij natuurlijk geen gebruik maken van wetenschappelijke gegevens; en wij kunnen ons van deze ligging alleen een begrip maken wanneer wij de vervorming der aardoppervlakte nagaan, zooals deze beschreven wordt in The Story of Atlantis.
Hieruit blijkt ons dat de Groote Pyramide geenszins afgelegen lag. Egypte was als het ware het middelpunt van het bewoonde land, en voor zoover wij dit kunnen nagaan, het kruispunt van de groote wegen, langs welke de Adepten trokken van uit Centraal-Azië naar Zuid-Atlantis, en van Lemurië naar Noord-Atlantis. Deze wegen zijn nog naspeurbaar in overblijfselen van Pyramiden in Mexico en Indië en de daartusschen verspreid liggende. Met betrekking hiertoe is de volgende aanhaling van belang:
“De Groote Draak ontziet alleen de Slangen van Wijsheid, de Slangen wier holen zich thans onder de driehoekige steenen bevinden.”
Of met andere woorden, ‘de pyramiden aan de vier hoeken der wereld’.
Dit zegt duidelijk, wat meer dan eens op andere plaatsen van de Toelichtingen vermeld wordt, namelijk dat de ‘Adepten of Wijzen, van het Derde, Vierde en Vijfde Ras’ in onderaardsche woonplaatsen leefden, gewoonlijk onder een of ander bouwwerk van pyramide-vorm zoo niet werkelijk onder een pyramide. Want dergelijke ‘pyramiden’ bestonden aan de ‘vier hoeken der wereld’ en zijn nooit het monopolie van het land der Pharao’s geweest, al hield men ze inderdaad algemeen voor het uitsluitend eigendom van [16]Egypte, voordat zij overal over de beide Amerika’s verspreid, onder en boven den grond, aangetroffen werden. Al treft men in Europeesche landen ook geen ware, wiskundig zuivere pyramiden meer aan, toch zijn vele vermeende oude neolithische holen, van de reusachtige driezijdig pyramidale en kegelvormige ‘menhirs’ in Morbihan en Bretagne in het algemeen, vele der Deensche ‘grafheuvels’ en zelfs veel ‘reuzengraven’ van Sardinië met hun onafscheidelijke gezellen, de ‘nuraphi’s’ evenveel min of meer ruwe nabootsingen van de pyramiden. De meeste hunner zijn het werk van degenen die zich het eerst op het pasgeboren vasteland en de eilanden van Europa hebben neergezet, de ‘enkele gele, enkele bruine en zwarte en enkele roode’ rassen, die 850.000 jaar geleden, na het verzinken van de laatste Atlantische landen en eilanden—met uitzondering van Plato’s eiland—en vóór de komst der groote Ârische rassen overgebleven waren, terwijl andere door de eerste landverhuizers uit het oosten gebouwd zijn”1.
Uit deze aanhaling en uit hetgeen reeds vroeger vermeld werd omtrent de Groote Pyramide, zien wij in, dat deze laatste als het ware de kern was waar de groote Adeptverkeerswegen op uitliepen, en dit gegeven omtrent hare ligging is mijns inziens belangwekkender dan de vermelding dat zij op zooveel graden breedte en zooveel graden lengte lag, waartoe natuurlijk de meeste schrijvers over het onderwerp zich bepalen. Een uitzondering hierop maakt Piazzi Smyth in zijn werk Our Inheritance in the Great Pyramid, waarin hij zeer uitvoerig nagaat waarom de Groote Pyramide juist daar en niet ergens anders gebouwd werd. Hoewel wij later uitvoeriger op zijne theorie terugkomen, is het voor een goede opvatting zijner gegevens noodig zijn standpunt in het kort na te gaan. Hij dan beweert dat de Groote Pyramide een bouwwerk is, dat door een Joodsch koning, geïnspireerd door God, gebouwd werd als een grondslag der maten en dat in het algemeen de Groote Pyramide ons drie sleutels tot kennis verschaft:
a. Den sleutel der wiskunde in haar belichaming van het getal π,
b. Den sleutel der toegepaste wiskunde of sterrekundige metingen,
c. Den sleutel tot de geschiedenis van het menschdom, zooals deze ons door goddelijke Openbaring in het Oude en Nieuwe Testament wordt gegeven.
Hij vindt dan in Jesajah XIX : 20 een tekst, namelijk: “tot een [17]teeken en een getuigenis voor den Heer der Heirscharen in het land van Egypte” en verder eene “in het midden van het land van Egypte en op de grenzen daarvan”, die de ligging van dit bouwwerk zouden aanduiden, en is dus genoodzaakt te bewijzen, dat de Groote Pyramide aan deze vereischten voldoet; en dit doet hij dan ook op eene wijze die geheel aan zijn doel beantwoordt, maar die voor ons van geen belang kan zijn in verband met onze beschouwingen. Wij moeten echter niet vergeten dat Piazzi Smyth spreekt van een tijdperk van eenige duizenden jaren vóór Christus, terwijl wij ons volgens de Theosofische opvatting eenige honderdduizenden jaren terug moeten denken. In ieder geval kunnen wij van een Theosofisch standpunt weinig meer zeggen omtrent de ligging dan het bovenstaande, omdat ons daartoe de gegevens ontbreken; alleen kunnen wij uit hetgeen ons omtrent de aardkorst in die tijden medegedeeld wordt opmaken, dat de zee spoelde tegen den voet van het plateau waarop de Groote Pyramide stond.
Voorloopig zij dit genoeg met betrekking tot hare ligging; daar waar verschillende theorieën, vooral omtrent de symboliek van het monument, het noodzakelijk maken er op terug te komen, zullen wij die punten welke in verband staan met oriëntatie en astronomische symboliek, uitvoerig behandelen in verband met die theorieën zelve. Thans zullen wij trachten iets naders omtrent den bouwer aan te geven.
In breede trekken hebben wij reeds nagegaan wie de bouwers waren, toen wij met betrekking tot den ouderdom eene aanhaling uit de Geheime Leer gaven die daarmede verband hield. Geen “wetenschappelijk” mensch, geen vrijdenker en geen geloovige zal dit eenigermate met ons eens zijn, doch de meesten geven den uit de geschiedenis der menschelijke dynastieën bekenden Khoefoe als den bouwer aan. Hij zou een zeer hardvochtig heerscher geweest zijn, die de tempels sloot en den Egyptenaren verbood aan de Goden te offeren; in plaats daarvan moesten zij steeds hard werken aan zijn groote werk, dat zijn roem moest verbreiden en waarin hij na zijn dood wenschte begraven te worden2. H. P. Blavatsky zegt echter in de Geheime Leer dat “hetgeen Herodotus ons mededeelt, in twijfel kan getrokken worden, aangezien hij wel beter en meer wist, maar gebonden was door godsdienst, geloof en [18]belofte”, en dus blijkbaar wel wist wat de Groote Pyramide was en waarvoor zij diende, doch dit niet aan de profanen wenschte bekend te maken.
De bewijzen welke aangevoerd kunnen worden om aan te toonen dat Khoefoe de bouwer was, zijn inderdaad zeer gering en berusten hoofdzakelijk op het vinden van een tablet in de Pyramide waarop zijn naam voorkomt, zoodat wij het in geen geval een wetenschappelijk feit kunnen noemen dat Khoefoe de bouwer was. Uit okkulte bron wordt ons medegedeeld dat Khoefoe enkele gedeelten der Pyramide, welke beschadigd waren, herstelde en ook, om voor ons onbekende redenen, enkele der kamers, die vroeger toegankelijk waren, afsloot3. Dat het zijn begraafplaats niet was, is zoo goed als zeker. Tenminste nooit is zijne mummie er gevonden; en Prof. Greaves deelt ons mede dat Diodorus in zijne verhandeling over Egypte eene merkwaardige bijzonderheid omtrent Khoefoe vermeldt. Hij zegt dat deze, hoewel hij de Pyramide als zijn begraafplaats bedoelde, er nimmer begraven werd, omdat hij vreesde dat zijn mummie door de bevolking, die hem haatte, verscheurd en vernietigd zou worden. Bij zijn sterven beval hij daarom zijn vrienden, hem op een verborgen plaats te begraven. Piazzi Smyth nu meent dat deze 1000 voet ten Zuid-oosten van de Pyramide ligt, omdat de daar gevonden begraafplaats overeenkomt met de beschrijving van de bedoelde verborgen plaats.
Hoewel er dus niets met zekerheid bekend is omtrent het bouwen der Groote Pyramide door Khoefoe of Cheops, wordt hij vrij algemeen beschouwd de bouwer te zijn en wordt zij dan ook meestal naar hem genoemd. Behalve deze bouwer worden er natuurlijk tal van anderen genoemd, meestal in verband met de meest fantastische verhalen omtrent de reden van den bouw en omtrent den bouw zelf. Wanneer wij deze verhalen in het licht der Theosofie beschouwen, ligt er gewoonlijk in elk een zekere waarheid verborgen. Over het algemeen kunnen wij bij de Grieken niet veel vinden dat ons eenige zekerheid omtrent den bouwer geeft. Enkele belangwekkende verhalen omtrent hem vinden wij echter bij Arabische schrijvers. John Greaves, een van de bekendste bezoekers van en schrijvers over de Pyramide, geeft ons een van deze verhalen, door hem uit het Arabisch vertaald.
“De schrijver van het boek, genaamd Morat Alieman schrijft: ‘Zij verschillen met betrekking tot dengene, die de Pyramide [19]bouwde. Enkelen zeggen Joseph, enkelen zeggen Nimrod, enkelen Dalukah de Koningin, en enkelen dat de Egyptenaren ze voor den Vloed bouwden, want zij voorzagen dat deze komen zou, en zij brachten hunne schatten derwaarts, maar het gaf hun niets.’ Op een andere plaats vertelt hij ons dat volgens de Kopten (of Egyptenaren) deze twee groote pyramiden en de kleinere, welke gekleurd is, graven zijn. In de oostelijke pyramide is Koning Saurid begraven, in de westelijke pyramide zijn broeder Hougib en in de gekleurde pyramide Farfarinoun, de zoon van Hougib. De Sabæën verhalen dat een er van het graf van Shub (dat is Seth) is, en de tweede het graf van Sab, den zoon van Hermes, waarom zij Sabæën genoemd worden. Zij maken er bedevaarten naar toe en offeren hem een haan en een zwart kalf en offeren hem wierook.”4
Een andere Arabische geschiedschrijver, Ibn Aba Alkokm, geeft denzelfden naam van den bouwer namelijk Saurid, en zegt eveneens dat zij voor den vloed gebouwd werden.
In deze verhalen vinden wij dus niets dat de Theosofische mededeeling omtrent den bouwer bevestigt, alleen—dit zij terloops gezegd—bevestigen zij dat zij gebouwd werden vóór den zondvloed, dus vóór de overstrooming die Atlantis onder de golven bedolf.
Josephus, de Joodsche geschiedschrijver, zegt dat de Israëlieten gedurende hunne gevangenschap aan pyramiden moesten werken. Waarschijnlijk is dit echter geweest dat zij aan enkele der latere pyramiden werkten, ofschoon Yeates5 zegt dat zij nooit te Gizeh waren, doch elders hunne steenen pyramiden kunnen gemaakt hebben. T. Gabb in The Origin of Measures zegt dat zij “het voortbrengsel waren van de onmiddellijke afstammelingen van Seth” en dat “de onmiddellijke afstammelingen van Seth van grooter gestalte dan wij waren”. Dit laatste nu is de eenige aanduiding in niet-theosofische beschrijvingen van de werklieden die bij den bouw gebezigd werden, welke aan hen een grootere gestalte dan de onze toekent. Met betrekking tot den bouwer vinden wij ook hier echter niets om onze theosofische gegevens te staven.
Thans komen wij echter tot eene reeks theorieën omtrent den bouwer, die dit wel doen. John Taylor, de beroemde schrijver van The Great Pyramid, Who built it and Why was it built? zegt: [20]“Aan Noach moeten wij het oorspronkelijke denkbeeld, het overheerschend denkvermogen en het edele doel toeschrijven. Hij die de ark bouwde was van alle menschen de meest bekwame om het bouwen van de Groote Pyramide te besturen”.6 Nu ligt het mijns inziens voor de hand dat de Ark en de Groote Pyramide een en hetzelfde gebouw waren, indien wij de mythologische verhalen omtrent het doel van het bouwen van beide nagaan. Doch alvorens verder in te gaan op John Taylors uiting, wensch ik eerst een anderen naam te noemen, die gegeven wordt door andere schrijvers, welke dezelfde theorie—namelijk die der Pyramide als eene goddelijke openbaring—toegedaan zijn.
Eene uitweiding is hier echter noodzakelijk om te laten zien hoe zij aan dien naam komen. Wij moeten dan in de eerste plaats nogmaals terugkeeren tot het verslag van Herodotus. H. P. Blavatsky is blijkbaar niet de eenige die zegt dat Herodotus meer wist dan hij schreef of zeide, want ook Bonwick zegt: “Herodotus, de vader der geschiedenis, schijnt soms meer te weten dan hij wijs acht in eenvoudige taal te vertellen, en hij heeft een esoterische beteekenis achter de woorden”7. Herodotus nu zegt: “Geen Egyptenaar wil hunne namen vermelden [die der Bouwers; v. G.]; maar zij schrijven hunne pyramiden altijd toe aan een zekeren Philition (Philitis), een schaapherder die zijn vee op deze plaatsen weidde.”8 Verder wordt verhaald dat deze man Egypte verliet met een gevolg van 24.000 menschen, naar Judaea ging en aldaar vervolgens Jeruzalem stichtte. Volgens verschillende schrijvers nu zou deze Philitis niemand anders zijn dan de bijbelsche Melchizedek.
Volgens mijne persoonlijke opvatting is de mededeeling van deze uitwijking uit Egypte met tallooze families naar een vreemd land niet anders dan de geschiedenis van een der pogingen van den Manoe tot het vormen van het nieuwe Vijfde Ras, doch ik geef deze opinie geheel voorwaardelijk. Het zal echter belangwekkend zijn, alvorens na te gaan of deze vermelde bouwer identisch is met Noach en met dien welken de Theosofische gegevens ons als den bouwer aanduiden, iets meer te vermelden omtrent dezen schaapherderkoning Philitis. In ieder geval is er van het Theosofisch standpunt gezien, hier een zeer groote verwarring van tijdstippen, want Melchizedek kan nimmer ten tijde van Khoefoe geleefd hebben, [21]en wij zullen, wanneer wij de door de laatstgenoemde schrijvers gebezigde bijbelsche tijdrekenkunde willen toepassen, nimmer tot overeenbrenging van feiten of personen kunnen geraken. Zoo ook nu zullen wij het tijdstip van Melchizedek’s verblijf in Egypte buiten rekening laten en ons bepalen tot het constateeren van het feit dat door deze schrijvers Noach en ook Melchizedek als de vermoedelijke bouwers der Pyramide aangegeven werden, daartoe door den Allerhoogste uitverkoren.
Van Melchizedek wordt gezegd dat hij was “zonder vader, zonder moeder, zonder afstamming, hebbende geen begin noch ook eind van leven, maar gemaakt als een evenbeeld van den Zoon van God”. Van een okkult standpunt beschouwd, kunnen wij hierin lezen dat hij dan in ieder geval een zéér hoog Ingewijde moet geweest zijn, doch waarschijnlijk was hij eene verpersoonlijking van den Tweeden Logos, zooals wij zoo dadelijk zullen zien. Dit wordt ons duidelijker nog wanneer wij hooren dat daar waar bijv. Piazzi Smyth Melchizedek als den bouwer aanneemt, Tracey Christus als den bouwer noemt. Dit nu klinkt uiterst wonderlijk en onmogelijk wanneer wij dit zouden opvatten zooals velen dit doen, en de schrijver niet het minst, in den zin, dat met al deze namen altijd de personen van dien naam bedoeld worden en niet het beginsel of het Hooger Wezen of de Wezens welke zij steeds vertegenwoordigen. Dan kan het ons ook geen verwondering baren, wanneer volgens Kabbalistische getal-waarden bewezen wordt dat Melchizedek = Melchizadek = Vader Sadik = Christus is9, en in nauw verband staat met diepzinnig okkulte feiten van groote waarde, waarop wij meer dan eens gelegenheid zullen hebben terug te komen bij het behandelen van de Symboliek der Pyramide, welke feiten in verband staan met de groote rol, die getalwaarden van namen spelen in verband met den siderischen cyclus van inwijding in de Groote Pyramide.
Nu wil ik geenszins beweren dat het de bedoeling is van de genoemde schrijvers, welke Melchizedek aannemen als den vermoedelijken bouwer, om tot de conclusie te komen welke ik thans zal trekken; zij zouden dit nimmer kunnen, daar zij aan de personen blijven hangen evenzeer als aan de geschiedkundige feiten, terwijl Theosofen kunnen weten dat alle geschiedkundige en bijbelsche personen ook kosmische grootheden voorstellen, [22]wanneer wij de verhalen en gebeurtenissen aan een tweede lezing onderwerpen. Zoo ook hier.
Waar wij reeds zagen dat Melchizedek = Christus als de bouwer wordt genoemd, en John Taylor Noach vermeldt als volgens hem den vermoedelijken bouwer, leert H. P. Blavatsky ons dat Noach = Melchizedek, Vader Zadik. En wanneer wij dus niet aan geschiedkundige persoonlijkheden blijven hangen, hebben wij reeds eenigermate den weg gebaand tot overeenstemming omtrent den bouwer, want thans rest ons alleen aan te toonen dat Noach (= Melchizedek = Christus) dezelfde is als de Acht groote Goden10 en mijn doel zal voor ditmaal bereikt zijn, namelijk te doen zien dat ook hier, waar blijkbaar zeer onmogelijke dingen werden verkondigd met betrekking tot den bouwer, welke zeer moeilijk op eenigerlei wijze waren overeen te brengen of te verklaren, deze gegevens door het licht der kennis, ons door H. P. Blavatsky gegeven, in harmonie gebracht en duidelijk gemaakt worden. Zij dan zegt:
“Doch wij kunnen nog enkele woorden in het midden brengen over Noach, die bij de Joden de plaats van nagenoeg elken heidenschen God in een of andere gedaante inneemt. De zangen van Homerus bevatten in dichterlijken vorm al de latere fabels over de aartsvaders, die allen siderische, cosmische en getallen-zinnebeelden en teekens zijn. De poging om de twee stamboomen van Seth en Kaïn van elkander te scheiden en de daaropvolgende even onbeduidende poging om te bewijzen dat zij werkelijke, historische menschen geweest zijn, heeft slechts tot ernstiger onderzoek naar de geschiedenis van het verleden geleid en tot ontdekkingen die de vermeende openbaring voorgoed aan het wankelen gebracht hebben. Nu bijvoorbeeld vastgesteld is dat Noach en Melchizedek dezelfden zijn, is verder de identiteit van Melchizedek, of Vader Sadik, met Kronos-Saturnus eveneens bewezen. Dat dit zoo is, kan gemakkelijk aangetoond worden. Geen enkel Christelijk schrijver ontkent het. Bryant11 is het eens met al degenen die van meening zijn, dat Sydic, of Sadic de aartsvader Noach was en ook Melchizedek was en dat zijn naam Sadic, met het hem in Genesis vi: 9 toegeschreven karakter overeenkomt.”12
En verder:
“Nu is het Sanchuniathon, die aan de wereld mededeelt dat de [23]Kabiri de Zonen van Sydic of Zedek (Melchi-Zedek) waren. Aangezien deze mededeeling langs de Preparatio Evangelica van Eusebius tot ons gekomen is, kunnen wij haar weliswaar met zekere achterdocht beschouwen, daar het meer dan waarschijnlijk is dat hij met de werken van Sanchuniathon op gelijke wijze gehandeld heeft als met de synchronistische tafelen van Manetho. Doch laten wij veronderstellen dat de vereenzelviging van Sydic, Kronos of Saturnus met Noach en Melchizedek op een der vrome hypothesen van Eusebius gegrond is. Laten wij haar als zoodanig aanvaarden en met haar de omschrijving dat Noach een rechtvaardig man was, alsook zijn vermeende dubbelganger, de geheimzinnige Melchizedek, ‘koning van Salem en een priester des allerhoogsten Gods naar zijn eigen ordening’, en ten slotte, na te hebben nagegaan wat zij uit een geestelijk, sterrekundig, psychisch en cosmisch oogpunt waren, zien wat zij volgens de Rabbijnen en de Kabbala geworden zijn.
Sprekend van Adam, Kaïn, Mars enz., als verpersoonlijkingen, zien wij den schrijver van The Source of Measures in zijn kabbalistische onderzoekingen onze eigene esoterische leerstellingen verkondigen. Zoo zegt hij:
Mars nu was de Heer van geboorte en dood, van voortbrenging en vernietiging, van ploegen, bouwen, beeldhouwen of steenhouwen, van de bouwkunst,.... kortom van alles wat onder het woord kunsten verstaan wordt. Hij was het oerbeginsel, dat zich in de wijziging van twee tegengesteldheden ter wille van de voortbrenging oploste. Ook bekleedde hij in de sterrekunde de plaats van de geboorte van den dag en het jaar, de plaats van zijn krachtsvermeerdering, den Ram, en evenzeer die van zijn dood, den Schorpioen. Als geboorte was hij het goede, als dood het kwade. Als goed was hij licht, als kwaad de nacht. Als goed was hij de man, als slecht de vrouw. Hij nam de Kardinale punten in, en als Kain, of Vulkanus of Vader Sadic of Melchizedek, was hij de heer der ecliptica of weegschaal of lijn van evening en daarom was hij de Rechtvaardige. De ouden waren van meening dat er zeven planeten of groote goden waren, gegroeid uit acht, en Vader Sadic, de Rechtvaardige of Gerechte was Heer van de achtste, die de Moeder Aarde was.”13
Voor den lezer is het thans mogelijk te zien dat de bouwers, wanneer zij kosmisch beschouwd worden, volgens verschillende verhalen als dezelfde bedoeld worden. Skinner geeft ons nog in het meer vermelde werk aan, dat zijn symbool was de omgrensde [24]vorm van de pyramide met haar top en basishoekpunten, zoodat wij het beeld van den bouwer zien in zijn werk.
In een volgend hoofdstuk zullen wij trachten te zien, hoe dit beeld uitgedrukt werd in dit majestueuse bouwwerk, wanneer wij de symboliek er van begrijpen.
1 Geheime Leer, Deel II, blz. 432.
2 Herodotus. Hfdst. CXXIV, 124.
3 The Pyramid and Stonehenge, blz. 16, 17.
4 Bonwick, Pyramid Facts and Fancies, blz. 71.
5 A Dissertation on the Antiquity, Origin and Design of the Principal Pyramids of Egypt, blz. 16.
6 In het aangehaalde werk blz. 228.
7 Pyramid Facts and Fancies. blz. 75.
8 Rawlinson, Herodotus, Deel II, blz. 207.
9 J. Ralston Skinner, The Source of Measures. Appendix II § 89 blz. 208, 209, 210, 211.
10 Zie Hoofdstuk I.
11 Analysis of Ancient Mythology, ii 760.
12 Geheime Leer, Deel II, blz. 480, 481.
13 Geheime Leer, Deel II, pag. 481, 482 en The Source of Measures § 85 blz. 186.
Het is thans mijne bedoeling, na te gaan wat door verschillende schrijvers der oudheid en der latere tijden geschreven is met betrekking tot de wijze van bouwen der Pyramide. Gaarne had ik gezien dat een bouwkundig theosoof dit in mijne plaats gedaan had, en er zijne beschouwingen aan had vastgeknoopt, maar aangezien mijn wensch in dezen niet vervuld is, hoop ik dat het hier geschrevene den een of anderen bouwkundige zal aanmoedigen zulks nog te doen, en zal zelf volstaan met zoo volledig mogelijk de verschillende verhalen der schrijvers over dit deel van mijn onderwerp op te sommen.
Allereerst dan Herodotus. Hij schrijft:
“Cheops liet eerst de tempels sluiten en verbood iedere soort van offering. Vervolgens veroordeelde hij de Egyptenaren zonder onderscheid tot het uitvoeren van openbare werken. Een gedeelte werd gedwongen steenen te houwen in de steengroeven en ze tot aan den Nijl te voeren; een ander gedeelte om deze steenen in ontvangst te nemen, den stroom over te steken op booten en ze in de bergen te brengen aan de Lybische zijde. Honderdduizend mannen, die elke drie maanden afgelost werden, waren voortdurend bezig met deze werken; en tien jaren, gedurende welke het volk onophoudelijk met nieuwe moeilijkheden werd belast, werden in beslag genomen enkel om een weg te maken om de steenen te vervoeren, een werk dat zelf niet minderwaardig is aan het oprichten van een pyramide.”1
Vervolgens beschrijft hij de grootschheid van dezen weg, en merkt tevens op hoe gelijktijdig daarmede in den rotsgrond waarop [25]de Pyramiden staan onderaardsche kamers werden uitgehouwen, die bestemd waren voor het begraven van de mummies der Koningen. Daarna komen wij in zijne reisbeschrijving van Egypte aan dat gedeelte, hetwelk de wijze van bouwen der Pyramide beschrijft. Merkwaardig is het, alvorens dit gedeelte aan te halen, nog even te vermelden hoe hij zegt dat “zij [de Pyramide] geheel overdekt is met gepolijste steenen, met de grootste zorg aanéén gevoegd, van welke steenen geen enkele minder dan dertig voet is.”
“Volgens de wijze van werken die aangewend werd bij het opbouwen van de pyramide vertoonden hare zijden eerst een soort van trap in den vorm van een graadsgewijs opklimmend amphitheater. Toen zij volgens dit plan afgewerkt was, en het noodig werd haar te overdekken, bezigde men, om achtereenvolgens de steenen op te heffen die tot deze bekleeding moesten dienen, werktuigen die van hout gemaakt waren en eene kleine afmeting hadden. Een van deze werktuigen lichtte den steen van den grond zelf op en bracht hem over naar den eersten trap; wanneer hij daar aangekomen was bracht een ander dien over naar den volgenden trap, en zoo vervolgens; of er evenveel werktuigen waren als trappen, of dat hetzelfde werktuig, dat gemakkelijk te verplaatsen was, tot het vervoeren der steenen diende, ik moet het verhalen zooals het een en ander mij gezegd is. Op deze wijze begon men met de bekleeding van het bovenste gedeelte en men ging voort met werken, al afdalende, eindigende met het onderste gedeelte dat tot aan den grond kwam.”2
Verder zegt hij dan nog hoe op een der zijden van de Pyramide in hieroglyfen vermeld werd het loon der arbeiders, en maakt daaruit op den duur van den bouw, waarvan hij dan zegt dat hij “nog al lang heeft moeten duren.”
In ieder geval kunnen mijne lezers hieruit wel zien dat men uit Herodotus niet heel veel wijzer wordt en niemand is dat dan ook ooit geworden. Alleen heeft men mijns inziens te veel geloof gehecht aan hetgeen hij wel zeide, en men heeft vaak in latere boeken zijn beschrijving van den bouw als de ware aangenomen en zich in allerlei gissingen verdiept over de vraag wat die “werktuigen, die van hout gemaakt waren” dan toch wel waren, en bijna elk schrijver vindt dan een ander werktuig uit, of beweert dat de beschrijving die door een ander schrijver gegeven wordt niet deugt. Allen komen echter hierin overeen, dat het een soort van hefboom moet geweest zijn en de verschillen komen dan in een bespiegeling van de wijze waarop zulk een hefboom werkte, want een dergelijk ding moet toch een steunpunt hebben. En wanneer wij dus maar losweg zeggen dat met hefboomen gewerkt werd, volgen wij in [26]dezen een weinig Archimedes na, die zeide dat hij de wereld wel opheffen kon, als hij maar een steunpunt voor zijn hefboom had.
Wij zullen het er dus over eens moeten zijn, dat indien de hefboomlegende als de ware beschrijving van het oplichten der buitenste steenen beschouwd moet worden, er aan Herodotus’ beschrijving toch nog wel iets ontbreekt dat tot beter begrip aanleiding kon geven. Met opzet? Als Herodotus er bij gezegd had dat hij ook wel eens had gehoord van een opheffen van de zwaartekracht, vrees ik dat hij zulk eene uitlating niet goed met zijn geweten overeen had kunnen brengen en haar daarom maar wegliet, ofschoon zijne beschrijving voor het nageslacht er niet duidelijker op geworden is. Tenminste, om steenen van 15 ton met een hefboom op te tillen in een beperkt bestek....!
Ik vrees dat onze volgende schrijvers het er niet beter afbrengen met hunne beschrijving; meestal halen zij Herodotus aan of spreken in het algemeen over hetgeen zij bij overlevering vernamen. Zien wij thans wat Diodorus zegt, hoewel zijne beschrijving nog vager is dan die van Herodotus:
“De basis van de grootste is een vierkant, waarvan elke zijde zeven honderd voet is. De hoogte is meer dan zeshonderd voet. De zijden nemen af naarmate zij opwaarts gaan, zoodat zij nog slechts zes el zijn bij den top. Zij is geheel opgebouwd uit steenen die zeer moeilijk te bewerken, maar ook van eeuwigen duur zijn; want hoewel het meer dan duizend jaar geleden is, volgens hetgeen men zegt, dat de pyramide gemaakt werd, en hoewel anderen zelfs verzekeren dat het meer dan vier en dertig honderd jaar geleden is, is zij tot op onze dagen bewaard gebleven zonder op eenigerlei plaats beschadigd te zijn. Men had de steenen laten komen van uit het hart van Arabië, en daar men nog niet de kunst verstond, steigers op te richten, zegt men dat men zich van terrassen bediende om ze op te heffen. Maar wat het meest onbegrijpelijke in dit werk is, is dat men geen enkel spoor bemerkt noch van vervoer, noch van het afhakken van de steenen, noch van de terrassen waarvan wij gesproken hebben; zoodat het schijnt alsof de goden, zonder de hand der menschen te leenen, die altijd erg langzaam is, plotseling dit monument te midden van het zand geplaatst hadden.3
Eenige Egyptenaren voeren te dien einde eene verklaring aan, die even fabelachtig en ruwer is dan deze. Want zij zeggen dat deze terrassen gemaakt waren van een grondsoort die vol zout en salpeter was en dat de stroom ze door buiten hare oevers te treden, vormde en weder deed verdwijnen zonder hulp van arbeiders. Dat zal wel niet waar zijn; en het is veel verstandiger te zeggen dat dezelfde handen die gebezigd werden om dien grond aan te dragen, gebruikt werden om dien weg te voeren [27]en om den grond in denzelfden toestand als tevoren te brengen; temeer omdat men zegt dat drie honderd zestig duizend werklieden of slaven bijna twintig jaren met dit werk bezig waren.”4
Diodorus is de eerste die van de pyramiden spreekt als wereldwonderen, maar hoe bitter weinig zegt hij ons. Niets dan “men zegt“s en dan zeer uiteenloopende “men zegt“s en in niets overeenstemming met Herodotus dan in den duur van den bouw, de gedane uitgaven en de regeering van den koning. Over het tijdstip van den bouw is hij al bijster in het onzekere, “1000 jaar of 3400 jaar geleden”, en over den bouwer van de derde pyramide brengt hij ons alweer in het onzekere door de fabel van Rhodopis aan te halen, hetgeen Herodotus eveneens doet, alsook Strabo.
Strabo is bijzonder kort in zijne beschrijving en met betrekking tot den bouw zelf helpt hij ons ook niet veel verder. Hij zegt daarover hoegenaamd niets. Alleen maakt hij eene vermeldenswaardige opmerking met betrekking tot de eerste of Groote Pyramide nl.: “Zij heeft op een der zijden op eene middelmatige hoogte, een steen die weggenomen kan worden.”5
Van Plinius kunnen wij nagenoeg hetzelfde zeggen als van Strabo. Hij zegt: “De grootste van de Pyramiden is geheel voortgekomen uit steengroeven in Arabië; men beweert dat 360000 mannen 20 jaren gewerkt hebben om haar saam te stellen.” Uit eene verdere opmerking in zijn verslag kan men echter opmaken dat de gepolijste bekleeding op de buitenzijde der Pyramide nog bestond. Verder haalt hij met betrekking tot de wijze van bouw Diodorus aan. Plinius is echter de eenige schrijver die spreekt van een “put” welke onder de Groote Pyramide zoude zijn: “deze put vangt het water van den stroom op, flumen illo admissum arbitrantur”, op eene diepte van 86 ellen (39,8 M). Deze put is echter, voorzoover uit de door Plinius aangegeven maten is na te gaan, niet de bekende put. Plinius is de eerste schrijver die eenigermate juiste afmetingen aangeeft en het schijnt dat hij deze uit aan hem bekende documenten ontleende, aldus meent M. Jomard in zijn Remarques et Recherches sur les Pyramides d’Egypte.
De overige Latijnsche schrijvers werpen ook geen licht op dit deel van ons onderwerp en ik bepaal mij tot het even aanstippen van enkele merkwaardige uitingen in hun korte en onzaakkundige verslagen. Solinus zegt: “daar zij de maat der schaduwen te boven [28]gaan werpen zij geen schaduw” en Cassiodorus herhaalt deze uitlating in prozaïschen vorm. Aristides zegt dat hij van de priesters gehoord heeft dat de Pyramiden even diep in den grond doordringen als zij er zich boven verheffen.
Bij de Arabische schrijvers vinden wij uitvoerige verhalen en legenden die echter alle eveneens op overlevering berusten, en wel van belang zijn met betrekking tot een geschiedkundig overzicht, maar ons geen belangrijke mededeelingen verschaffen wat aangaat de wijze van bouw. De meest bekende verhalen zijn die van Ebn Abd el Hokm, El Koday, Ibrahim ben Ouessif, Abd-el-latif. Hunne beschrijvingen bepalen zich tot het vermelden van den naam van den bouwer, Saurid geheeten, de reden waarom de Pyramiden gebouwd werden (nl. het opbergen van alle schatten aan kennis en aardsche goederen ter beveiliging tegen komende overstroomingen), hoe zij er uitzagen enz. Wij zien dus dat de andere schrijvers ons niets mededeelen dat ons helpen kan tot een begrijpen van de wijze waarop met “kleine houten werktuigen” de groote steenmassa’s op hunne plaats gebracht werden.
Het was eerst in de latere tijden dat men zich in beschouwingen hieromtrent ging verdiepen. Reeds de Fransche Savants waren in groote bewondering over de wijze waarop met geringe mechanische hulpmiddelen een bouw verkregen was, die zelfs tot op deze tijden niet geëvenaard werd. Door hun nauwgezet wetenschappelijk onderzoek zagen zij de moeilijkheden die de bouwers te overwinnen hadden gehad, beter in dan de oude bezoekers dit ooit gedaan hadden en zij waren dan ook verbaasd over de wijze waarop alles tot stand was gebracht. Om deze verwondering te begrijpen zal ik eerst trachten mijnen lezers een beeld te geven van de enorme hoogte, den omvang en de massa der Pyramide, en van die der samenstellende steenblokken. De lengte van elke zijde van het grondvlak was oorspronkelijk 764 voet (1 voet = 12 duim, 1 duim—25.4 mM.), de loodrechte hoogte was iets meer dan 480 voet. Hare massa zou 6.840.000 ton bedragen (1 ton = 1000 K.G.). Dit zegt alleen iets voor hen die met maten omgaan of er goed mede bekend zijn; voor mijne overige lezers haal ik eenige vergelijkingen aan die ik ontleen aan Sir Rawlinson’s Egypt. Hare hoogte is dus zes voet meer dan die der Kathedraal van Straatsburg, dertig voet meer dan die van de St. Pieter te Rome, honderdtwintig voet meer dan die van de St. Paul te Londen. Haar grondoppervlak is ruim viermaal zoo groot als een vrij groot stadsplein. Om ons [29]een denkbeeld te vormen van den inhoud diene het volgende. Men denke zich een huis met muren van een voet dikte, twintig voet breed en dertig voet diep. Verder een aantal tusschenmuren tot een volume van een derde der buitenmuren. Dit huis bevat dan vierduizend kubieke voet metselwerk. De kubieke inhoud nu van de Groote Pyramide is voldoende om twee en twintig duizend zulke huizen te bouwen. Legt men het metselwerk in een lijn van een voet hoog en een voet breed dan kan men gaan tot een lengte van zeventienduizend mijlen of twee-derde van de lengte van den equator. En men moet tevens bedenken, dat de samenstellende deelen niet alle kleine steenen waren, hoewel een groot deel daar wel uit bestond. Er zijn echter—en vooral is dat bij de buitenlagen het geval—steenen bij, die dertig voet lang, vijf voet hoog en vier of vijf voet breed zijn. Zulke steenen wegen 40.000 à 60.000 K.G. Ook de steenen die inwendig geplaatst zijn, bijvoorbeeld boven de Koningskamer, zijn van reusachtige afmetingen. Rawlinson zegt dan ook: “Over het algemeen zijn de buitenblokken van eene grootte, welke hedendaagsche bouwers nauwelijks ooit durven gebruiken.”6
En wanneer men bedenkt dat deze steenmassa’s niet ruw op elkaar gestapeld, maar op wonderbare wijze zoodanig aaneengevoegd waren, dat men eer de steenen zelf kan verbreken dan ze van elkander scheiden, dan kan men begrijpen dat vele der onderzoekers in stomme verwondering betuigden, dat deze bouwkunst tot op heden nog niet geëvenaard is. Trouwens, dat lijkt mij toe met vele kunsten en nijverheden van deze oude beschaving het geval te zijn; doch het zou mij buiten mijn bestek voeren, hier in een lofzang te vervallen op de verschillende kunsten en nijverheden in Egypte die ons treffen als op een hooger peil dan de moderne staande. In verband hiermede is het echter voor een bewonderaar van het oude Egypte een genot, in Isis Unveiled H. P. Blavatsky hierover na te slaan. Met betrekking tot dit onderwerp haalt zij o.a. Kenrich aan:
“De voegen zijn nauwelijks waarneembaar, niet wijder dan de dikte van zilverpapier, en het cement is zóó houdend, dat brokstukken van de deksteenen nog op hunne oorspronkelijke plaats blijven, niettegenstaande het verloop van vele eeuwen en het geweld waarmede zij weggerukt werden.” Wie onzer hedendaagsche bouwkundigen en scheikundigen zal wederom het onvernietigbare cement van de oudste Egyptische gebouwen ontdekken?7
[30]
Enkele Egyptologen zijn op het denkbeeld gekomen dat de steenen op de plaats zelve vervaardigd werden. Door een ingewikkeld werktuig zou water tot op de vereischte hoogte zijn gebracht, daar vermengd zijn geworden met zand enz., om te worden gevormd tot blokken van den juisten vorm en de juiste grootte.
Om terug te keeren tot den bouw zelf. De Fransche savants geven hunne meening niet te kennen doch halen eenvoudig de reeds door mij genoemde oude schrijvers aan. Van de latere schrijvers vermelden wij alleen de gezaghebbenden. Sir Gardner Wilkinson, de welbekende schrijver van Manners and Customs of the Ancient Egyptians, zoowel als Colonel Howard Vyse, (1831 en 1837), waren van meening dat het door Herodotus bedoelde werktuig een “polyspaston” was, of een werktuig dat veel in gebruik was bij de Romeinen, en dat beschreven wordt door Vitruvius. Het is een werktuig van vele takels voorzien. Als bewijs voor het gebruik van deze werktuigen haalt Vyse aan dat “in de blokken van elken omgang gaten zijn van 8 duim middellijn en 4 duim diep, waarschijnlijk om de werktuigen te ondersteunen welke Herodotus beschrijft.”
Perring in zijn werk The Pyramids at Ghizéh zegt dat hij vermeent dat houten steigers gebezigd werden. Met betrekking tot de buitenlagen merkt Wilkinson op dat de uitstekende hoeken van de opgestapelde rechthoekige steenblokken van boven af naar beneden weggekapt werden en aldus het zijvlak glad maakten. Hij grondt deze meening op eene uitlating van Herodotus.
Dr. Lepsius heeft met betrekking tot den bouw eene theorie opgeworpen die vrij algemeen vermeld wordt en bekend is. Deze is als volgt:
“Bij den aanvang van de regeering werd de rotskamer, die voor het graf van den vorst bestemd was, uitgehouwen en één laag metselwerk er op aangebracht. Stierf de koning in het eerste jaar zijner regeering, dan werd een buitenlaag er op aangebracht en eene pyramide gevormd; maar indien de koning niet stierf, werd een andere laag metselwerk er aan toegevoegd en twee van dezelfde hoogte en dikte aan iederen kant; aldus nam in verloop van tijd het gebouw den vorm aan van een reeks regelmatige trappen. Deze werden overdekt met steenen, al de hoeken opgevuld, en steenen als trappen geplaatst. Dan, zooals Herodotus ons reeds lang geleden mededeelde, werd de Pyramide van boven af naar beneden gereed gemaakt doordien al de uitstekende hoeken weggehouwen werden en een volkomen driehoek overbleef.”
Tegen deze theorie heeft Rawlinson bezwaren, want hij merkt [31]terecht op dat dit glad maken van de buitenzijde een werk van jaren moest zijn en dat als een koning stierf, het zeer te betwijfelen viel of zijn opvolger dit werk op zich zou nemen; in ieder geval zou hij aan zijn eigen pyramide hebben moeten beginnen.
Wij hebben nu enkele der voornaamste schrijvers over dit onderwerp aangehaald, en het zal ons niet baten meerdere aan te halen aangezien zij geen nieuw licht werpen op de wijze van werken. Eene aardige samenvatting van de verschillende opvattingen van “de kleine houten werktuigen” en een beschrijving er van met vele platen vinden wij in een belangwekkend werkje van T. M. Barker, geheeten The Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians. Ook vinden wij hierin eene uitvoerige beschouwing van de werkwijze zooals die door Diodorus vermeld werd, namelijk met behulp van hellende vlakken, eene methode die ook in Indië werd gebezigd. Dit hellende vlak zou dan 3000 voet lang en 120 voet hoog zijn geweest en de helling zou 1 voet op de 25 bedragen hebben. Deze steenen helling, met vet besmeerd, zou hebben gediend om met verminderde kracht de zware steenen aan te slepen. Enkele archaeologen beweren dat gedeelten van deze hellingen nog te vinden waren in het begin der achttiende eeuw. De zwaarste steen in de pyramide van ± 60.000 K.G. zou dan getrokken moeten zijn door een bende van 900 man. De weg was 60 voet breed, dus konden er drie tegelijk naar boven.
Wie dit alles gelooven wil, hij kan bewijzen vinden blijkbaar, maar er ontbreekt veel aan om overtuiging te schenken.
Wanneer wij de bekende feiten goed onder het oog zien en overdacht hebben, kunnen wij thans zien, wat ons uit okkulte bron wordt medegedeeld omtrent den bouw. Wij vinden dan in de reeds meer door mij aangehaalde verhandeling The Pyramids and Stonehenge, het volgende:
“De hanteering van de reusachtige steenen, die bij dit bouwwerk gebruikt zijn en ook inderdaad de samenstelling van de groote Pyramide zelf, kan alleen verklaard worden door het toepassen op deze werken van eene kennis aangaande de Natuurkrachten, welke voor de menschheid verloren ging gedurende het verval van de Egyptische beschaving en het barbarisme van de middeleeuwen, en die door de hedendaagsche wetenschap nog niet teruggevonden is.”
En verder:
“Maar hoe kwamen zij de moeilijkheden te boven, deze reusachtige steenmassa’s te hanteeren, waarvan alleen de bovenelkanderplaatsing [32]werktuigkundige hulp vereischt schijnt te hebben, welke wij in verbeelding nauwelijks met eenig ander tijdperk dan het onze kunnen samendenken? Wat dat aangaat, kan in Atlantis zelf gevonden worden, wanneer eindelijk een voller licht op zijn geschiedenis geworpen wordt, dat werktuigkundige hulpmiddelen van zeer vergevorderden aard beschikbaar waren voor elk werk, waarvoor zij noodig waren; maar de bouwers van dien tijd waren niet uitsluitend afhankelijk van middelen van dien aard, als waarvan wij nu gebruik maken, om groote massa’s te hanteeren. In de rijpheid van Atlantische beschaving waren enkele Natuurkrachten, welke nu slechts onder het bestuur van adepten in okkulte wetenschap zijn, in algemeen gebruik. De adepten van dien tijd waren onder geen verplichting het geheim van haar bestaan angstvallig bewaard te houden; en onder hen bestond het vermogen, thans zoo zelden uitgeoefend dat het bestaan zelf er van minachtend ontkend wordt door de alledaagsche massa—het vermogen om die kracht welke wij zwaartekracht noemen, te wijzigen.”
Hierna gaat A. P. Sinnett er toe over, het bestaan van dit vermogen te verdedigen en zegt dat, hoewel de groote massa’s der menschheid natuurlijk lachen om zulk een vermogen, waarvan zij nog nooit iets gehoord of gezien hebben, op dit geval het gezegde van Galilei, e pur si muove, zeer van toepassing is. En zeker is de geheele oplossing van het raadsel van den bouw van die oude bouwwerken in dit vermogen te zoeken. Helderziende waarnemers hebben in de ákashaïsche beelden den bouw gezien en onderzocht, en zij zeggen ons dat deze reusachtige blokken steen op hun plaats gebracht werden met behulp van steigers, zooals wij die zien gebruiken bij den bouw van een klein huis.
En hier vinden wij dus, om tot de Pyramiden terug te keeren, hoe men te werk ging bij den bouw er van. De adepten, die den bouw er van leidden, vergemakkelijkten het werk door de gedeeltelijke opheffing van de te gebruiken steenblokken, en de bouwers die onder hunne leiding werkten, bevonden dat de te gebruiken steenen gemakkelijk gehanteerd konden worden. Misschien viel het hun zelf niet eens op, dat dit vermogen door de adepten werd uitgeoefend. En dit nu is eene eenvoudige, hoewel ongetwijfeld zeer geheimzinnige, verklaring van het feit dat de reusachtige moeilijkheden, die zich voordeden bij den bouw van zulke kolossale bouwwerken, overwonnen konden worden. Hoe vreemd deze verklaring moge schijnen voor een leek, en hoe ongelooflijk zelfs, is niet de door de oudheidkundigen tot dusver aangenomen verklaring even ongelooflijk, wanneer men er over nadenkt? Zij toch zijn tevreden met aan te nemen dat de bouwers van dergelijke reuzenwerken en dus ook van de Groote Pyramide een onbegrensd aantal arbeiders [33]jarenlang lieten arbeiden om de reusachtige steenen langs sleephellingen en door middel van balken, rollen en katrollen op de een of andere wijze op elkaar te stapelen. En wanneer wij nu weten dat bij deze bouwwerken de meeste steenen 2 of 3 honderd ton wegen en dat bijvoorbeeld bij den tempel van Baalber in Syrië steenen gebruikt zijn van 1500 ton, dan vergt deze hypothese der oudheidkundigen meer van ons geloof dan zelfs de okkulte verklaring. Zij willen ons iets laten aannemen wat wij weten dat physisch onmogelijk is, maar omdat zij het zeggen in ons bekende termen, en omdat zij spreken over dingen die wij zien kunnen met betrekking tot kleine gewichten, nemen wij het onnadenkenderwijs al te licht aan. Maar deze reusachtige werken van de oudheid staan voor ons als een blijvend bewijs, dat ten tijde van hun bouw de wereld getuige was van een bouwkunde, welke hare overwinningen niet behaalde door ruwe kracht, maar door de toepassing van een subtieler kennis dan heden ten dage bezeten wordt.
Na den bouw thans zoo ver mogelijk behandeld te hebben, rest mij het inwendige gangen- en zalenstelsel te beschrijven, om dan tevens over te gaan tot het eigenlijke doel dezer verhandeling, namelijk het nagaan van de verschillende theorieën die met betrekking tot de beteekenis van dit bouwwerk ontstaan zijn.
Wij zijn gekomen tot een gedeelte van ons onderwerp dat wij kunnen beschouwen als eene inleiding tot de bespreking der verschillende theorieën die langzamerhand ontstaan zijn omtrent het doel der Groote Pyramide. Immers, indien zich onder de Pyramide, dus in het rotsvlak waarop zij staat, eene grafkamer had bevonden, en de Pyramide zelf een massief geheel met een daarheen leidende gang ware geweest, zooals dit bij andere pyramiden het geval is, zou er weinig reden bestaan hebben om zich in gissingen omtrent het doel der Pyramide te verdiepen. Maar juist door de bijzondere en eigenaardige afwijking, die de Groote Pyramide in dit opzicht [34]vertoont, is zij geworden tot een onderwerp van de meest uiteenloopende beoordeelingen en gissingen, en was zij aanleiding tot heel wat geschrijf.
Met betrekking tot haar inwendige vertoont de Groote Pyramide een eigenaardigen aanblik. Het feit dat zich zulk een uitgebreid gangen- en kamerstelsel daarin bevindt is slechts sedert betrekkelijk korten tijd bekend en de schrijvers der oudheid vermelden er niet veel van. Niet eerder dan sedert de groote Fransche expeditie onder Napoleon werd dit een feit van meer algemeene bekendheid en wij vinden in Pancoucke’s werk over deze expeditie een vrij nauwkeurige beschrijving van deze gangen en kamers. Eerst in latere werken werden zeer uitvoerige beschrijvingen er van gegeven, naarmate dit noodzakelijk bleek tot staving van de theorieën der schrijvers aangaande de symboliek of het doel der Pyramide.
Volgens de oudste verhalen was de Pyramide geheel gesloten tot het jaar 830 n. Chr.. Kalief Al-Mamoen zou de eerste geweest zijn die zich met geweld een toegang deed banen, daar hij de eigenlijke opening en den ingang niet wist en ook niet vond. Deze laatste is thans wel bekend en bevindt zich op ongeveer 47,5 voet boven de basis, tusschen den vijftienden en zestienden trap; zij schijnt eveneens bekend geweest te zijn bij enkele Grieken. Ook Strabo maakt er melding van. Hij zegt: “In de hoogte als het ware, in het midden tusschen de twee zijden, is een steen die weggenomen kan worden, en wanneer deze er uitgenomen is, is er een hellende ingang tot het graf.” Op een andere plaats zegt hij: “Deze ingang werd geheim gehouden.”
In hoeverre het verhaal van den Arabischen schrijver Ibn Abd Al Hokm over het forceeren van den ingang waarheid bevat, is moeilijk na te gaan. De meeste schrijvers hechten er weinig waarde aan, daar er te veel feiten tegen spreken, en het verhaal blijkbaar zeer veel fantasie bevat. Wel is het waarschijnlijk dat gedurende deze poging om de Pyramide inwendig te onderzoeken wegens de schatten die, naar men veronderstelde, daar verborgen waren, de andere gangen en kamers ontdekt werden. Dit is ook de meening van Piazzi Smith en hij geeft een vrij uitvoerig verslag van het Arabisch verhaal omtrent deze gebeurtenis, waaraan ik het volgende ontleen.
Al-Mamoen liet zijne werklieden dertig voet boven den grond in het midden der noordelijke zijde aanvangen met breken. Het was evenwel een oneindig veel zwaarder werk dan de Kalief gedacht had en zijne [35]lieden werden oproerig en wilden dit blijkbaar onmogelijke werk opgeven. Doch de Kalief dwong hen tot weder opvatten van de taak die hij zich gesteld had en maanden en maanden werd er gewerkt; schijnbaar zonder dat men veel verder kwam. Daarna wilden zijne werklieden het in ieder geval opgeven, toen zij als bij een toeval een zwaren steen niet ver van hen vandaan hoorden neerploffen; dit deed hen met vernieuwden moed in die richting werken, waarop zij kort daarna doordrongen tot de benedenwaarts leidende gang, die waarschijnlijk vaak betreden was door Grieksche en Romeinsche bezoekers vóór hen. Doch thans lag daar de steen die het geluid veroorzaakt had, een steen waarvan de onderkant tevoren een deel uitmaakte van het dak van de benedenwaarts leidende gang. Blijkbaar was deze steen de afsluitsteen geweest van een opwaarts leidende gang. Dit was ook zoo. Echter was deze gang nog steeds verstopt door reusachtige wigvormige steenen die achter den gevallen steen een plaats gevonden hadden. De Arabieren zagen geen kans deze op te ruimen, dus hakten zij zich een weg door den veel zachteren kalksteen daar omheen; op deze wijze zich een weg banende tot de opwaarts leidende gang, een doorgang die ook heden nog benut wordt door bezoekers. Thans stond hun de weg open tot de verdere gangen en kamers der Pyramide, doch van schatten geen spoor.
De Kalief wist nu slechts één middel om zijn verwoede volgelingen tot bedaren te brengen; in den nacht liet hij aan het einde van het geboorde gat een schat begraven in het steenwerk der Pyramide en liet hen den volgenden dag daar verder houwen. Natuurlijk vonden zij het goud en toen het geteld werd bleek het juist het bedrag te zijn dat verbruikt was voor de onderneming. Daar nu de werklieden hun werk betaald kregen, hield hun opstand spoedig op en de Kalief keerde terug naar El Fostat.
Eén ding was echter bereikt. Sinds dien tijd was het inwendige der Pyramide opengelegd voor latere bezoekers, en enkele van deze drongen daar dan ook in door; en een der geschiedschrijvers verhaalt dat “enkele van deze er veilig weer uitkwamen en andere stierven.”1
Het verhaal omtrent deze doordringing tot het inwendige der Pyramide heeft in handen van latere Arabische schrijvers wonderlijke veranderingen ondergaan en een van deze weergevingen vermeldt o.a. dat de Arabieren, toen zij tot de Koningskamer doordrongen, in de sarcofaag een steenen beeld vonden, dat hol was en waarin zich een lichaam bevond van een man met een gouden borstplaat, bezaaid met juweelen. Een zwaard van onberekenbare waarde lag op het lichaam. Nabij het hoofd bevond zich een karbonkel van de grootte van een ei.

Inwendige van de Groote Pyramide.
Naar een gravure in Marsham Adams’ House of Hidden Places door J. L. M. Lauweriks.
Latere schrijvers hechten weinig waarde aan deze verhalen, en sommigen twijfelen er zelfs aan of het Al-Mamoen was, die de openbreking leidde en zeggen dat hij voor de uitvoering van zulk [36][37]een werk te kort in Egypte verbleef. Hoe dit ook zij, de Pyramide is thans reeds geruimen tijd open voor een inwendig onderzoek en het bekende gedeelte is dan ook herhaalde malen onderzocht, opgemeten enz., en de teekening, die hierbij gevoegd is geeft een juiste weergave van de ontdekte gangen en kamers.
In de eerste plaats zien wij dan de benedenwaarts leidende gang, die tamelijk steil afloopt. De helling is 26° 28′2, de geheele lengte bedraagt 320 voet en 10 duim en moet oorspronkelijk toen de ingang nog gaaf was ongeveer 343 voet geweest zijn. De hoogte is 47 duim, de breedte ± 41 duim. Na 63 voet gedaald te zijn komt men aan den ingang tot de opwaarts leidende gang. De helling hiervan wordt nogal verschillend opgegeven, het gemiddelde van deze opgaven is ± 26°. De lengte van deze gang is 124 voet, de breedte en hoogte nagenoeg gelijk aan die van de benedenwaarts leidende gang; aan het einde er van bevindt zich een sousplatform, rechts daarvan is de put, in zuidelijke richting strekt zich de gang uit die naar de Koninginnekamer leidt, terwijl de Galerij een vervolg van deze gang is. De horizontale Galerij is ± 109 voet lang, de breedte 3 voet en 5 duim, de hoogte 3 voet en 10 duim in het eerste gedeelte en 5 voet 8 duim in het laatste gedeelte. De put is 191.5 voet diep; hiervan is 148.5 voet in de vaste rots uitgehouwen. Aan de wanden bevinden zich aan drie kanten uithouwingen om met behulp van handen en voeten naar boven te klimmen. De Koninginnekamer is 17 voet 10 duim lang, 16 voet 1 duim breed en 19 voet 5 duim hoog. Aan de oostelijke zijde in de Koninginnekamer bevindt zich eene uitholling. Sommige schrijvers denken dat de Arabieren dit gedaan hebben, andere denken dat hierachter een verborgen gang leidde naar de Sphinx of een andere verborgen plaats.
Van het platform af leidt verder opwaarts de galerij die de merkwaardigste is van de geheele Pyramide, en algemeen bekend staat als de Groote Galerij. Zij is ± 150 voet lang (± 50 M.) en 27 voet 6 duim (± 9 M.) hoog. Het inwendige is zeer fraai afgewerkt. John Greaves, de tevoren aangehaalde schrijver over de Pyramide, was er reeds over in bewondering. Hij zeide: “Zij doet in merkwaardigheid in kunst en rijkheid van grondstoffen niet onder voor de prachtigste gebouwen” en kenschetst haar verder als “den arbeid [38]van een uitstekend bekwame hand.” Opmerkenswaardig is vooral het dak, dat bestaat uit zeven lagen, waarvan elke volgende voorbij de vorige uitspringt, terwijl verder aan weerszijden op den vloer eene verhooging of bank is, die over de geheele lengte van de Galerij loopt. In deze verhooging bevinden zich aan de eene zijde 26 gaten of uithakkingen, aan de andere zijde 28.
In den vloer zijn als het ware ruwe treden gehakt, natuurlijk in latere tijden, voor het gemakkelijker omhoog komen der bezoekers, iets wat anders zeer bezwaarlijk zou gaan. Aan het einde van de Galerij bevindt zich een zeer hooge steen van 7.5 voet. Eenmaal hierop geklommen, komt men eerst aan een kleinen nauwen doorgang, vervolgens in een soort voorkamer en daarna in een korte gang. Hierin is een lage doorgang van graniet en men moet onder den steen die daar als het ware tusschen de wanden in de lucht hangt, en een soort opgehaalde valdeur vertegenwoordigt, doorkruipen; hierna weder een nauwen doorgang door, en men bevindt zich in de Koningskamer. De hangende steen wordt beschouwd als een die ter afsluiting zou hebben moeten dienen. De geheele lengte van dezen toegang is 22 voet. In de voorkamer ziet men aan de zijwanden meerdere groeven uitgehouwen, waarin waarschijnlijk ook valsteenen behoorden.
De Koningskamer zelf is in weerwil van de vele beschadigingen een schoon geheel van graniet. Groote platen van 20 voet hoog, onmerkbaar aaneengevoegd, vormen de zijden. Er bevindt zich niets in behalve de veel besproken sarcofaag. Greaves geeft ook eene opgetogen beschrijving van deze kamer: “Deze rijke en ruime kamer, waar de kunst schijnt te hebben gewedijverd met de natuur, daar het werk niet ondergeschikt is aan de rijke grondstoffen, is als het ware in het hart van de pyramide op gelijken afstand van de zijden en ongeveer op het midden tusschen den top en de basis. De vloer, de zijden en het dak zijn alle gemaakt van groote stukken graniet.” Hij eindigt met haar “een prachtige kamer” te noemen. In de kamer bevinden zich nog twee luchtkanalen, die eerst later ontdekt zijn, een er van loopt naar de noordzijde der Pyramide, de andere naar de zuidzijde. De helling is ± 83° bij het noordelijke kanaal en de lengte van het noordelijke kanaal is volgens meting 233 voet. Zij vangen aan op een hoogte van 3 voet van den vloer.
De sarcofaag die zich in de Koningskamer bevond is geheel van porphyr marmer. De lengte is 6.5 voet, de breedte 26.6 duim. [39]Merkwaardig is het op te merken dat zij te groot is om later door de gangen in de kamer gebracht te zijn; men veronderstelt dat zij dus van boven af neergelaten is, vóór het dak gesloten en de Pyramide voltooid werd.
Er is geen deksel op de sarcofaag en ook geen teeken dat er ooit een op geweest is; hierdoor is nogal verschil van meening ontstaan onder de geleerden of zij wel ooit gebruikt kan zijn om eene mummie te bevatten, en er zijn minstens evenveel gezaghebbende stemmen tegen dit denkbeeld als er vóór zijn. Zij is thans aanmerkelijk beschadigd hoewel de reizigers van vorige eeuwen haar steeds als gaaf vermelden. De steenen wand is ongeveer vijf duim dik en is buitengewoon hard. Wanneer men met metaal er tegen aanslaat klinkt hij als een bel. De aanblik van de gepolijste steensoort is die als van gekleurd glas met zwarte, witte en roode stippen.
Thans echter is de sarcofaag aanmerkelijk beschadigd; velen ergeren zich hierover ten zeerste. Bonwick in Pyramid Facts and Fancies laat zich daarover uit als volgt: “Niet aleer de Europeanen, voornamelijk Engelsche en Amerikaansche dames en heeren hierheen begonnen te stroomen, begon dit Vandalisme. Het was niet voldoende massa’s van het uitwendige af te houwen, maar dit kostbare gedenkstuk, dat zelfs geen Turk had willen ontwijden of beschadigen, begon het gewone lot van relikwieën te ondergaan door de hand van relikwieën-vereerders en relikwieën-dieven.” En verder: “Met uitzondering van een klein brokje was de sarcofaag zestig jaar geleden gaaf. Zij die haar nu beschouwen, afgehakt en afgeschilferd, als zij is, mogen wel blozen voor de Westersche beschaving. Den schrijver zelf werd kalm door een van zijn Arabische volgelingen gevraagd of hij er gaarne een stuk afgebroken wou hebben. Met niemand die verantwoordelijk is voor het behoud en met de verwachting der inboorlingen voor een frank per afgebroken stuk, wie kan zich dan nog verwonderen over de trapsgewijze vermindering en eindelijke algeheele vernietiging van deze wonderbaarlijke en geheimzinnige kist.”
Boven het dak van de Koningskamer bevinden zich vijf kleinere kamers, waarin men komen kan door een gat in het dak. Deze kamers zijn genoemd naar Davison, Hertog Wellington, Lord Nelson, Lady Arbuthnot en Col. Campbell. De eerste werd in 1763 door Davison ontdekt. De overige werden door Col. Howard Vyse in 1837 ontdekt. De kamers zijn van elkaar gescheiden door graniet, glad aan den [40]bovenkant en ruw aan den onderkant. De bovenste of vijfde kamer heeft een dak van twee schuins opstaande steenblokken. De hoogte van de gezamenlijke kamers bedraagt ± 69 voet.
Gezaghebbenden zijn het er vrijwel over eens dat de reden van het bouwen van deze kamers moet gezocht worden in het plan van de bouwers om het gewicht op het dak te verlichten; zoodat het dak van de Koningskamer niet zou bezwijken onder den zwaren last.
De bovenvermelde kamers en gangen zijn de tot dusver ontdekte in het bovengrondsche gedeelte der Pyramide. In het rotsgedeelte bevindt zich nog een kamer, die gelegen is aan het einde van den benedenwaarts leidenden ingang. Daartegenover bevindt zich in deze kamer een doodloopende gang.
Ik heb hier een korte en ruwe schets gegeven van het onverklaarbare en ingewikkelde stelsel van gangen en kamers in de Groote Pyramide, namelijk van die welke tot dusver ontdekt zijn. Want ik geloof ten stelligste dat er veel meer gangen en kamers zijn, en dit is verklaarbaar omdat in de verhandeling over Pyramids and Stonehenge gezegd wordt, dat Koefoe een deel der kamers afsloot. Echter zullen deze wel nooit ontdekt worden, daar de belangstelling tot verder onderzoek in dezen thans ernstig verflauwd is, en misschien gelukkig maar? Want die afsluiting zal niet zonder reden geweest zijn en evenals de bekende gangen en kamers eerst ontdekt zijn en onderzocht toen dit zonder bezwaar van andere zijde geschieden kon, evenzoo zal dit misschien later het geval zijn met nog onontdekte gedeelten.
Thans zullen wij, nu wij ons eenigermate een oordeel kunnen vormen over de vraagstukken: wanneer werd de Pyramide gebouwd? en door wie? nagaan wat door verschillende schrijvers gezegd is met betrekking tot het waarom? Want zeker bestaan er geen meer uiteenloopende meeningen over het doel van een bouwwerk dan het geval is bij deze Pyramide. In het volgende hoofdstuk zullen wij dus zien welke doeleinden men alzoo aan de Pyramide toekende. [41]
In de voorgaande hoofdstukken heb ik, zij het ook onvolledig, in hoofdtrekken aangegeven wat ons uit gezaghebbende bronnen bekend is geworden omtrent het tijdstip van den bouw, omtrent de(n) bouwer(s) en de wijze van bouwen; en ik heb slechts hier en daar aangestipt wat deze schrijvers dachten met betrekking tot het doel, voor hetwelk de Pyramide gebouwd zoude zijn. Mijne lezers moeten het voorgaande geheel beschouwen als eene lange inleiding tot de eigenlijke bedoeling van deze verhandeling, namelijk het beschouwen van de bestemming van dit merkwaardige bouwwerk. En hetgeen thans volgt als een algemeen overzicht van de verschillende theorieën over die bestemming, moet eveneens weer beschouwd worden als een overgang tot het nagaan van die theorie, welke voor Theosofen—hetzij krachtens geloof, gezag of overtuiging—de meeste waarde heeft, namelijk die theorie, welke ik aanduidde als de Theosofische en welke men eveneens kan beschouwen als een maçonnieke theorie.
Het zou onmogelijk zijn, alle theorieën die omtrent de vermoedelijke bestemming der Pyramide bestaan, hier ter plaatse volkomen te behandelen; ik moet volstaan met ze kortelijks weer te geven, en zelfs kan ik enkele alleen vermelden, daar ze volstrekt van geen waarde of belang zijn voor ons eigenlijk doel. Een ieder die belang stelt in de eene of andere speciale theorie, kan deze voor zichzelf nagaan in de daarover geschreven werken, en de meeste dezer theorieën zijn zelfs te technisch om in een populaire verhandeling als deze een plaats te vinden. Ik moet dus slechts de minst technische behandelen.
De meest bekende, thans ook meest gezaghebbende theorie is die welke de Groote Pyramide evenals alle pyramiden maakt tot een praalgraf van Egyptische Pharaoh’s.
De andere schrijvers laten zich, zooals ik reeds vermeldde, weinig uit over het doel en men kan dus weinig steun bij hen vinden, zoowel voor deze als voor eene andere theorie.
Jomard zegt in zijn verhandeling Sur les Pyramides d’Egypte1:
Indien wij in eene bijna volkomen duisternis verkeeren met betrekking tot het tijdstip van den bouw der Pyramide en de namen van hare Bouwers, hangt er een bijna even dichte sluier over de bestemming dezer [42]bouwwerken, en het zou ook niet anders kunnen zijn; want de geschiedschrijvers der oudheid en de Arabische schrijvers hebben niet de middelen gehad om die te kennen, de een zoo min als de ander. Het was natuurlijk dat men deze bouwwerken beschouwde als te behooren tot graven, praalgraven. Dit denkbeeld is in den grond geheel in overeenstemming met de waarschijnlijkheid en bovenal met die welke een gevolg is van analogie [ik cursiveer; v. G.]; omdat het Lybisch gebergte te Memphis niet zooals te Thebe hoogopstaande zijwanden aanbood, die geopend werden voor de graven der koningen, zou men daarom niet getracht hebben daarin te voorzien door bouwwerken? En zou men dan misschien door de reusachtige afmetingen, door de ontzagwekkende moeilijkheden van de onderneming, hebben willen wedijveren met den rijkdom van de koninklijke onderaardsche begraafplaatsen?
Maar met dit gegeven, hoe waarschijnlijk het zij, zou men nooit het werk der Pyramiden verklaren en alles wat een nauwgezet onderzoek er ontdekken moet; en in de eerste plaats het denkbeeld van de keus van den pyramidalen vorm.”
En verder:
“Hoe dit zij, indien wij toestemmen, dat het denkbeeld van een pyramide dat van een graf medebrengt, zou men dan gedwongen zijn te besluiten, dat geen enkele andere bedoeling voorgezeten heeft bij de oprichting van deze grootsche bouwwerken? Wij gelooven het niet. Hoe kunnen wij bijvoorbeeld als waar erkennen, dat bij een volk dat zoo godsdienstig was als de Egyptenaren, de godsdienst en zijne mysteriën vreemd waren aan het doel dat men zich stelde bij het oprichten van de Pyramiden? Zou dit aan den anderen kant niet zijn een geheel terzijde stellen van de verklaring, die de diepzinnigste waarnemer der oudheid, Aristoteles, van deze bouwwerken geeft, die ze toeschrijft aan de politiek der vorsten? Ten slotte, wanneer men denkt over de keuze van den vorm die aan de bouwwerken gegeven is, over de afmetingen en het onderling verband der deelen, over de nauwkeurige oriëntatie der zijden, en tal van andere niet minder treffende omstandigheden, kan men dan verzekeren, dat de wetenschappen en wetenschappelijke doeleinden bij hare samenstelling niet hebben voorgezeten? Deze veronderstellingen zouden alle gelijkelijk onaannemelijk zijn. Ik stem toe dat de volmaaktheid van den arbeid en de samenstelling verklaard kunnen worden door den graad van volmaking waartoe de bouwkunde toen gevorderd was, en dat iedere soort openbaar bouwwerk met de grootste aandacht uitgevoerd moest worden; maar hier is een over-overvloed van zorgen, voorzorgen tot in de kleinste bijzonderheden voor de hechtheid, voor het afwerken van het geheel; de architect is geleid door den sterrekundige, en de samensteller door den wiskundige. Anderen vóór mij hebben er aan getwijfeld, dat de pyramide gebouwd was om als graf te dienen2, maar men heeft ongelijk te ontkennen dat een enkel deel van het gebouw of der nabuurschap deze bestemming ontvangen zou hebben; dit is een onderscheid dat mij belangrijk schijnt vast te stellen.”
[43]
Uit het hier aangehaalde ziet men dat deze savant niet boudweg beweerde, dat de Pyramide niets dan een graftombe was, en hij gaat zelfs verder, zooals wij later zullen zien. Ik haal dezen schrijver uitvoerig aan, omdat onder de gezaghebbende schrijvers niemand zoo in den breede dit onderwerp bespreekt en op zulk eene wijsgeerige en waarlijk wetenschappelijke wijze. Niet louter beweringen, maar een onder de oogen zien van feiten en een ruimte laten voor de meeningen van andere schrijvers en denkers.
Hij gaat er vervolgens toe over, de schrijvers der oudheid na te gaan met betrekking tot dit deel van het onderwerp: Diodorus, Strabo en Herodotus zinspelen op de Pyramide als een graf (Herodotus echter minder rechtstreeks; hij zegt dat Cheops in de rots waarop de Pyramiden gebouwd zijn verscheid