The Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde,
Deel I, by Gerrit Kalff

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Author: Gerrit Kalff

Release Date: December 10, 2007 [EBook #23812]

Language: Dutch

Character set encoding: 

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE ***




Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net






GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE

DOOR

G. KALFF,

HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN.

EERSTE DEEL.

TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1906.

STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.


VOORREDE.

Van 1868–1872 ontving ons volk van JONCKBLOET'S hand de eerste volledige wetenschappelijke geschiedenis onzer letterkunde.

Tot op den huidigen dag is die eerste de eenige gebleven. Met die twee feiten voor oogen zal menigeen erkennen, dat de rustelooze voortgang der wetenschap en de ontwikkeling onzer denkbeelden over literatuur en geschiedschrijving der literatuur een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde wenschelijk, ja noodig, maken.

Het is waar, JONCKBLOET heeft zijn, in vele opzichten voortreffelijk, werk in latere uitgaven aangevuld en gewijzigd; doch het wezen van zijn boek is daardoor niet veranderd.

Ongeveer twintig jaar na JONCKBLOET ondernam Dr. J. TE WINKEL een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde, eveneens op eigen wetenschappelijk onderzoek berustend. Een dergelijk boek mocht toen reeds om meer dan een reden noodig genoemd worden, zooals door den schrijver in zijne Voorrede is uiteengezet. Doch Dr. TE WINKEL liet zijn verdienstelijk werk na het eerste deel steken. Zoo bleef een nieuwe volledige geschiedenis onzer letterkunde een desideratum[1].

[Voetnoot 1: De geïllustreerde Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde van Prof. J. TEN BRINK, bestemd in de eerste plaats voor het groote publiek en dus van anderen aard dan de beide bovengenoemde werken, kan hier buiten beschouwing blijven.]

De firma J.B. WOLTERS te Groningen, die indertijd JONCKBLOET'S „Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" had uitgegeven, verzocht mij een nieuw dergelijk werk samen te stellen en ik heb die taak op mij genomen, in de overtuiging dat hier werk viel te doen nuttig voor anderen en voor mijzelf.

Voor anderen—want ook in de 18 jaren, verloopen sedert de verschijning van Dr. TE WINKEL'S boek, zijn weer tal van nieuwe werken en teksten gevonden; is onze feitenkennis door voortgezet onderzoek gewijzigd en vermeerderd; hebben buitenlandsche geleerden werken geschreven die ons in staat stellen, dieper door te dringen in het wezen en de ontwikkeling onzer literatuur. Dat alleen reeds maakt een nieuwe poging tot verwerking en samenvatting der bestaande stof wenschelijk. Doch er is meer. Een der redenen waarom Dr. TE WINKEL het wenschelijk achtte, naast JONCKBLOET'S werk het zijne te plaatsen, was gelegen in een „afwijkende aesthetische beschouwing der letterkundige voortbrengselen." Ook die reden bewoog mij tot het samenstellen van mijn werk. De opvatting en beschouwing mijner voorgangers eerbiedigend, acht ik het wenschelijk eene geschiedenis onzer letterkunde samen te stellen, uitgaand van een andere opvatting van leven en literatuur, van den samenhang tusschen die beide, en van de taak der literatuur-geschiedschrijving.

Voor mijzelven acht ik de samenstelling van dit werk een goede aanleiding tot verwerking en samenvatting van hetgeen een bijna 25-jarige studie onzer letterkunde mij te gevoelen en te denken heeft gegeven.

Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving hier uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit mijn werk voldoende kunnen opmaken.

Hier zou ik dus kunnen eindigen, ware het niet dat ik eerst een droevigen plicht had te vervullen.

De man die den stoot gaf tot het ontstaan van dit boek, de uitgever E.B. TER HORST, is eenige dagen geleden ontvallen aan de zijnen, aan den boekhandel, aan de wetenschap waarvoor hij als uitgever in zijn kort leven zooveel heeft gedaan. Het doet mij hartelijk leed, dat deze rusteloos, te rusteloos, voortvarende man in de volle kracht zijner werkzaamheid van ons moest scheiden; dat ik zijne belangstelling en zijn raad bij de voortzetting van dit werk zal missen. Mij blijft slechts de herinnering aan zijn onbekrompen trant van zaken doen en onze korte doch aangename samenwerking.

LEIDEN, 20 October 1905. G.K.


INHOUD.

VOORSPEL I VOORSPEL II BOEK I. STANDENPOËZIE Inleiding 1. Ridderpoëzie 2. Geestelijke Poëzie (Hadewych) 3. Poëzie der Gemeenten (Reinaert) Vroegste Lyriek Jacob van Maerlant Dichters, Voordragers, Publiek Tusschenspel. Ontkieming van het Nationaliteitsgevoel BOEK II. STANDENPOËZIE. DE STEM DER GEMEENTEN Inleiding Ridderpoëzie in verval Geestelijke epische poëzie en proza (Ruusbroec) Poëzie der Gemeenten (Vervolg) Het Leerdicht—Reinaert II Verhalende en lyrische poëzie Ontwikkeling van het Literair Leven Willem van Hildegaersberch Dirc Potter Alphabetisch Register


VOORSPEL.

VOORSPEL.

I.

Land en Volk. Romeinen. Franken. Bernlef. Heidendom en Christendom. Oudnederlandsche Letterkunde. De akker der volkspoëzie ligt braak. Latijnsche poëzie en prozawerken.

Het onderzoekend oog dat zich richt op het verst verleden van ons volk, stuit allerwegen op een ring van duisternis. Slechts langzaam en tragelijk wijken voor het wassend licht der wetenschap, de dikke nevelen die verbreid liggen over het ontkiemen van ons volksbestaan.

Wat zien wij in die schemering?

Lage landen aan zee, oostwaarts zachtkens opglooiend, overal afgebroken door plassen en meren en breede rivieren; eenzame heiden en uitgestrekte bosschen, afgewisseld door poelen en moerassen. Over die woeste gronden zwerven Kelten en Germanen, jagers en visschers, levend van de hand in den tand, een ruw en zorgvol bestaan rekkend in den strijd met wilde dieren. Onzekere geruchten omtrent een schrikwekkenden grooten vloed zijn blijven hangen in het geheugen ook van ons volk. Nog staan, indrukwekkend en geheimzinnig, op de Drentsche heidevelden de hunnebedden, heugenissen dier vroegste schemertijden.

Maar niet onduidelijk noch onzeker van klank zijn de schetterende trompetten die de nadering verkonden van Romeinsche soldaten en als sterren door de nevelen schitterend zien wij de zilveren adelaren zich wiegen boven de helmen dier legioenen die de wereld hadden veroverd.

In het gevolg der Romeinen kwam de beschaving. Van hen leerden onze voorouders het aanleggen van wegen en dijken, het bouwen van bruggen en huizen; in landontginning, landbouw, handel en nijverheid waren de Romeinen onze voorgangers en leermeesters. Met de zee, „de wilde zee" zooals men haar te onzent nog lang placht te noemen, wordt een strijd aangebonden ter verdediging van het land; weldra gaan de Friezen haar bevaren om handel te drijven.

Langzaam neigt der Romeinen heerschappij ten val. Hun wereldrijk verzwakt; als het bloed naar het hart trekken de legioenen zich uit de verre streken terug, de greep van Rome's ijzeren vuist verslapt. Wanneer eindelijk het Romeinsche rijk bezweken is onder de slagen der Germanen, komen de Franken hier als heerschend volk de plaats der Romeinen innemen. Zelf een Germaansch volk, maar dat langzamerhand samensmolt met de Gallo-Romeinsche bevolking van het door hen veroverd land en meer en meer onder den invloed geraakte van de beschaving en het Christendom der overwonnelingen, dringen zij aldoor noordwaarts op. Een botsing met de, benoorden den Rijn wonende, Friezen en Saksen kon niet uitblijven; eene botsing van stammen tegen stammen, botsing ook van ruwheid en beschaving, van Heidendom en Christendom. Lang blijven de Friezen onder hunne koningen RADBOUD en POPPO zich verdedigen tegen de Franken onder hunne PEPIJNS en KAREL MARTEL, maar ten slotte moeten zij den strijd opgeven; het Friesche rijk dat zich langs de zeekust eens tot het Zwin had uitgestrekt, wordt in de 8ste eeuw bij het Frankisch rijk ingelijfd. KAREL DE GROOTE bevestigt dien stand van zaken; onder zijne roemvolle regeering beginnen de bewoners dezer landen de zegeningen van orde en vrede eenigermate te leeren kennen en genieten.

Niet verwonderlijk dus, dat wij ook nu eerst onder deze volken eenig spoor vinden van letterkundig leven. Aan het Friesche volk komt de eer toe, het eerst zijne stem te hebben opgeheven in het veelstemmig koor van Nederlands poëzie; aan de poort onzer literatuur staat—Frysk bloed, tsjoch op!—een vrije Fries, de blinde zanger BERNLEF.

Het weinige dat wij van BERNLEF weten, is ons verhaald door ALTFRIDUS, bisschop van Munster, in zijne levensbeschrijving van den apostel LIUDGER, een edelen Fries die in Friesland het werk van BONIFACIUS heeft voortgezet[1].

In dat levensverhaal vinden wij gewag gemaakt van „den blinden zanger BERNLEF, dien zijne buren liefhadden om zijne minzaamheid en omdat hij de daden van het voorgeslacht en de oorlogen der koningen wel in zijne harpzangen wist te verhalen." Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat BERNLEF met zijne vrouw te Holwerd bij Dokkum woonde en dat hij drie jaar lang met volslagen blindheid bezocht was.

Misschien hebben wij hier een dier zangers van beroep voor ons, gelijk zij bij de Gernamen voorkwamen, een der dragers van de oude inheemsche volkspoëzie[2]. Al kennen wij BERNLEF'S liederen helaas! niet, wij wagen niet veel met de onderstelling dat zij hetzelfde karakter zullen hebben gedragen als die „alleroudste liederen over de daden en oorlogen der vroegere koningen" welke KAREL DE GROOTE deed verzamelen en opteekenen[3]. Was BERNLEF de dichter der liederen die hij placht te zingen? Daarnaar kunnen wij zelfs niet gissen. Liever dan eene poging daartoe aan te wenden, wijzen wij op een andere mededeeling aangaande dezen Frieschen zanger in hetzelfde Leven van Liudger: „Overal waar deze BERNLEF den man Gods (LIUDGER) vond, leerde hij psalmen van hem en hij bleef in de „verlichting" die hij door dezen deelachtig was geworden totdat hij, oud en der dagen zat, in vrede stierf."

De literatuur is ook hier spiegel, van het leven. In die Oudgermaansche volkszangen, wijkend voor de Christelijke kerkliederen, zien wij de worsteling van Heidendom en Christendom die nu onze aandacht vraagt.

Die worsteling was niet meer zoo zwaar als zij voorheen was geweest, maar zij was toch nog verre van geëindigd. De oudste verkondigers van het Christendom hier te lande: SINT SERVAES, SINT AMAND, SINT ELOY, en hunne meerendeels Angelsaksische opvolgers WILLEBRORD, LEBUÏNUS, BONIFACIUS en zoovele anderen hadden de bewoners dezer landen gevonden als belijders van een geloof dat men een natuurdienst mag noemen. Wodan was vooral een windgod, Wodan's heir de wilde jacht der stormende wolken; Donar was een onweersgod, Moeder Aarde werd vereerd als eene godheid, sporen van boomvereering zijn ook hier aan te wijzen evenals van het geloof aan elven en nikkers, geesten die verblijf hielden in lucht en aarde, bosch en water. Tegen dat geloof komt het Christendom zich kanten: tegen den ontzagwekkenden Wodan op zijn achtvoetig ros de luchten doorzwevend—God de Vader; tegen den wilden Donar met zijn pletterenden hamer—de bleeke man der smarte met de doornenkroon; tegen de bloedwraak—het „hebt uwe vijanden lief"; tegen de heerschappij van zinnelijkheid en hartstocht—de eisch van zelfbeheersching, zelfverloochening, kastijding van het booze vleesch. Overal, in Vlaanderen en Brabant als in Holland en Friesland, doet zich de stem van het nieuwe geloof hooren. De vrome mannen, die hier het Evangelie brengen, worden vaak grimmig ontvangen, hun leven in gevaar gebracht, BONIFACIUS door de Friezen vermoord—zij versagen niet. Gestadig gaan zij voort met prediken, bekeeren, doopen, met het bouwen van kerkjes, het stichten van kloosters. RADBOUD, „de vijand Gods", zooals MELIS STOKE hem noemt, moge komen met zijne heidensche Friezen en het pas gestichte vernielen en verbranden—geen nood! een nieuwe kerk, een nieuw klooster verrijst.

Het Christendom wint gaandeweg veld; het heidendom trekt zich terug, overwonnen niet gedood. Lang blijft het voortbestaan als ondergrond van het nieuwe geloof, lang nog blijft het leven en zich openbaren in tal van gewoonten en gebruiken, hoezeer ook bedreigd door den banvloek des priesters. Lustig bleven op Sint-Jan de vuren branden aan welker vlammen de heidenen van ouds eene reinigende kracht toeschreven; bezwerings- en tooverformulieren werden nog steeds toegepast, de wichelarij met paarden en vogels hield stand; de hazelaarstak deed nog lang zijne diensten bij het zoeken naar verborgen schatten. De lijkmaaltijden bleven in zwang; men hechtte er gewicht aan, welk dier men des morgens het eerst tegenkwam, aan welken kant eene kraai u voorbijvloog. Menige heidensche godheid, menig voorvaderlijk heiligdom werd gekerstend, maar lang niet overal bleek het doopsel krachtig genoeg om het oude geloof te verjagen. Zoo was het klooster Blandinium te Gent blijkbaar gesticht op de plaats waar vroeger een Oudgermaansch heiligdom had gestaan. Immers, wij lezen in het Leven van Sint Amand:

Het was omme den torre Blandijn, Daer die afgod der Sarrasijn In stont, die Marcurius hiet.

al worden de heidensche bewoners dezer landen hier, gelijk zoo menigmaal elders, Sarracenen genoemd, al schuilt onder den naam Mercurius Donar of een andere Germaansche god. Nog in het midden der 14de eeuw toonde men den geloovigen de zeven boomen „waar SINT AMAND eerst zijn ruste nam" [4]. Doch er bestaat wel reden om te vermoeden, dat dit zevental Sint Amands-boomen oorspronkelijk een zevental Wodans-eiken zal geweest zijn, zooals de overlevering er ook te Wolfhezen toont. En menig halfbekeerde Vlaming, wiens weg hem in het schemeruur langs die boomen voerde, zal er een eerbiedig schuwen blik op hebben geworpen, denkend aan de oude goden.

Ondertusschen vermenigvuldigden de kloosters zich snel; reeds vóór de kruistochten is Zuid-Nederland er mede bezaaid[5] en in het Noorden moeten zij ook al spoedig talrijk zijn geweest. Gewoonlijk werd zulk een klooster gesticht ergens in de „solitudines", de woeste gronden die een groot deel dezer landen besloegen. Bosschen moesten dan gerooid, moerassen gedempt, heiden ontgonnen; het werk der beschaving nam een aanvang. Naast vele wereldlijke heeren maakten vooral de Cisterciënsers zich verdienstelijk ten opzichte dezer kolonisatie binnenslands.

Zeker, niet al deze geestelijken waren heiligen; de meesten waren maar menschen, zwakke menschen. Over de ruwheid, vechtlust en zedeloosheid der geestelijken van de 8ste eeuw wordt luide geklaagd.[6] De kerkelijke tucht verslapte zóózeer, dat in de 10de eeuw de regel van SINT BENEDICTUS bijna geheel vergeten was, dat menig abt zich van de wereldlijke machthebbers slechts door de tonsuur onderscheidde.[7]

Doch het zou onbillijk zijn, wegens zulke feiten den goeden invloed, door het Christendom en een deel der geestelijkheid geoefend, voorbij te zien. En zeker zou menig literair werk van dezen tijd niet geschreven zijn, indien zijn maker niet in een klooster die veiligheid, rust en kalmte van geest had gevonden, zonder welke de meeste letterkundige werken niet kunnen ontstaan. Dat geldt in hooge mate van de eeuwen waarop wij hier inzonderheid het oog hebben, de 9de-12de eeuw, die ons deze landen toonen in een toestand van verwarring en verwildering. Telkens zeilen de Noorsche zeeroovers onze rivieren op, allerwege schrik verbreidend; zij moorden, plunderen, sleepen den buit naar een versterkt kamp, worden soms verjaagd, doch slechts om een volgenden keer met fellen wrok terug te komen. Doch ook in streken waar zij niet kwamen, vernemen wij weinig anders dan veeten, oorlog, roof, moord, verwoesting. Tal van kleine graven, behalve den graaf van Friesland (die zich later graaf van Holland zal noemen), trachtten zich onafhankelijk te maken. Het groote rijk van Neder-Lotharingen, dat een korten tijd al deze landen behalve Vlaanderen omvatte, kon geen afzonderlijke staat blijven maar loste zich op in een aantal kleine feodale staatjes[8].

Te midden van al die verwoesting en verdeeldheid bleef de Christelijke Kerk overeind, niet ongedeerd, maar ongeschokt in hare eenheid. Ook op de literatuur dezer eeuwen heeft zij haar stempel gedrukt. Want terwijl er nauwlijks sprake kan zijn van de vorming eener literatuur in de volkstaal, kiezen de letterkundigen dier eeuwen bijna zonder uitzondering de klassieke kerktaal, waar zij uiting willen geven aan hetgeen hun geest en gemoed vervult. Voordat wij die in het Latijn geschreven werken in oogenschouw nemen, moeten wij kennis maken met hetgeen door sommige geleerden als Oudnederlandsche Letterkunde is aangeduid[9].

Evenals de Engelschen vóór hunne middeleeuwsche letterkunde eene Oudengelsche of Angelsaksische literatuur kunnen aanwijzen en de Duitschers vóór de Middelhoogduitsche eene Oudhoogduitsche, zoo moesten ook de Nederlanders, meende men, eene Oudnederlandsche letterkunde hebben gehad. Vaderlandsliefde die in het teeken der Romantiek stond, strekte verlangend de armen uit; de Wetenschap werd omhelsd, zóó vurig zelfs dat zij in de knel raakte—uit die vereeniging werd een „twijfelkind" geboren, zelfs critische geesten zoo bekorend, dat een hunner profeteerde als ziener met den blik achterwaarts gericht, „dat er eene Oudnederlandsche letterkunde moet bestaan hebben"[10].

Er was hier een bezwaar: Oudnederlandsche dichtwerken waren en zijn afwezig. Doch voorloopig behielp men zich met gewag te maken van het Hildebrandslied, het Lodewijkslied, van den Oudsaksischen Hêliand, van OTFRID'S Evangeliën-harmonie en dergelijke werken. En zeker, wanneer men zegt: wij Nederlanders zijn een Germaansch volk, dus hebben ook wij deel aan de Oudgermaansche letterkunde; of: ook hier te lande hebben Saksen gewoond, dus kunnen wij den Hêliand tot onze literatuur rekenen, dan kan men van die werken gewag maken in een geschiedenis onzer nationale literatuur. Doch dan moet men nog heel wat meer tot de Oudnederlandsche letterkunde rekenen dan thans geschiedt. Wie bij zijn verhaal van de ontwikkeling der Nederlandsche literatuur zooveel mogelijk de grenzen wenscht te eerbiedigen, waarbinnen deze volken van ouds geleefd of hunne taal gesproken hebben, die zal dit deel der Oudnederlandsche literatuur afwijzen als onrechtmatig verkregen goed. Sterker meenen de scheppers dier literatuur te staan in hunne aanspraken op een aandeel in de vorming van heldendichten als BEOVULF en GUDRUN. Dat die dichterlijke werken of deelen daarvan hier te lande bekend zijn geweest, daarvan hebben wij ook zelfs niet de geringste historische aanwijzing. Ook later wordt ten minste van BEOVULF en GUDRUN nooit gerept. „Het mag daarom met recht bevreemding wekken", lezen wij bij een der bovenbedoelde geleerden, „dat zij hier volkomen in vergetelheid zijn geraakt"[11].

Uitgaande van die vooropgezette meening, heeft men met vlijt en scherpzinnigheid alles samengebracht, wat maar eenigszins dienen kon om te betoogen b.v. dat de Gudrun-sage hier gelocaliseerd is geweest, of ten minste dat het tooneel der gebeurtenissen die in de Gudrun-sage verhaald worden, voor een deel in ons land te zoeken is. De Franken en Friezen worden genoemd in den BEOVULF; in de GUDRUN is sprake van Friesland, en allerlei andere plaatsnamen die kunnen doen denken aan deze landen bij de zee.

Met den jongsten uitgever van GUDRUN geloof ik, dat de aardrijkskundige en staatkundige namen en aanwijzingen in dat gedicht zulk een verward mengelmoes te zien geven, dat wij ons daarvan kwalijk als wetenschappelijk materiaal kunnen bedienen[12]. Doch laat het waar zijn, dat de gebeurtenissen, in die heldendichten bezongen, ten deele op onze kusten hebben plaats gehad, krijgen wij dan daardoor eenig aandeel aan dat Angelsaksische, aan dat Middelhoogduitsche dichtwerk? „Ja", zal men zeggen, „want dan hebben wij tot het ontstaan van die gedichten bijgedragen". Mij schijnt die gevolgtrekking uitermate gewaagd.

Behoort dan een dichterlijk werk, welks tooneel ons verplaatst naar een of ander land, daardoor reeds tot de literatuur van dat land? Dan zal men de literatuurgeschiedenis van menig volk moeten gaan herzien.

Zoolang er geen deugdelijker gronden worden aangevoerd voor de stelling, dat ook ons volk deel heeft gehad aan de vorming dier Oudgermaansche heldendichten, acht ik het beter geene poging te doen ons te tooien met veeren uit de pluimage van Duitschers en Engelschen.

Een eenigszins verschillend geval hebben wij in de sage van den Zwaanridder. Dat die sage hier te lande, vooral in Brabant maar ook elders, overal bekend is geweest, daarvan zijn onderscheidene bewijzen[13]. Een deel dezer sage, ook dat staat vast, ten minste voor sommige redactie's, heeft zich gelocaliseerd te Nijmegen. Wat meer zegt, hier weten wij, dat de sage te onzent in de middeleeuwen bekend is geweest: MAERLANT immers acht het de moeite waard, de sage te bestrijden die verhaalde dat de hertogen van Brabant afstammen van den Zwaanridder. „Misdadige leugenaars tijgen GODFRIED VAN BOUILLON aan dat HELIAS, de Zwaanridder, zijn grootvader van moederszijde was" zegt hij in zijn Spieghel Historiael en elders in datzelfde werk over GODFRIED sprekend:

Noch wijf, no man, als ict vernam, Ne was noit zwane, daer hi af quam, Al eist dattem Brabanters beroemen, Dat si vanden zwane sijn coemen[14].

Voorts bestaat er een fragment van een Dietsch gedicht over den Zwaanridder. Doch geeft het bestaan van dat fragment ons nu „alle reden om te doen vermoeden dat er evengoed een Nederlandsche roman van den Zwaanridder zal bestaan hebben, als er een Fransche Roman du Chevalier au Cygne in verschillende redacties, en meer dan ééne bewerking in de Middel-hoogduitsche letterkunde van bestaat"?[15]

Dat wij eertijds eene volledige bewerking der sage in het Nederlandsch bezeten hebben, geloof ook ik. Echter—en daarop komt het aan, indien men spreekt over sagen als materiaal voor de poëzie—voorzoover wij nu zien kunnen, is dit Nederlandsch gedicht geen zelfstandige bewerking der inheemsche sage, maar eene navolging van een of ander Fransch origineel[15]. Ook de sage der Heemskinderen was hier te lande populair; doch het Middelnederlandsch gedicht, dat hunne geschiedenis behandelt, is bewerkt naar het Fransch.

Wij zien dus, dat ook hier poëtische stof voor het grijpen lag; maar geen dichter die er de hand op legde om er een poëtisch werk in de volkstaal uit te scheppen.

De bovengenoemde voorbeelden zijn niet de eenige van dien aard. Wat kan sterker indruk hebben gemaakt op het gemoed en de verbeelding onzer voorouders, dan die telkens herhaalde rooftochten der Noormannen? Wanneer de gevreesde viking zich vertoonde aan boord van zijn hooge kromsteven, dan sidderde ook den stouten Fries het hart in de borst, want hij wist dat er geen genade was; dat plundering, mishandeling, moord hem en zijn volk bedreigden, dat ballingschap en slavernij veelal het lot was van wie gespaard bleven. De gansche negende eeuw door bestoken de Noormannen de kusten van Holland en Vlaanderen. Zij zeilen de rivieren op, diep landwaarts in; zij bouwen versterkte legerplaatsen bij Maastricht en Leuven, die uitgangspunten worden voor rooftochten in het omliggend land.[16].

Welnu, geen enkel gedicht, geen lied, geen rijmpje zelfs in de volkstaal dier eeuwen is tot ons gekomen. Eerst in een gedicht van veel lateren tijd, de Legende van het heilige Kruis (naar het schijnt uit de 14de eeuw), vinden wij verwarde herinneringen aan het verblijf der Denen (Noormannen) in Brabant.

Zweeg men, omdat de smart te groot was? Dikwijls immers is het waar, wat in later tijden Vader CATS een Latijnsch dichter nazeide:

Gewone droefheid klaagt, maar al te diepe zeer En heeft geen open wond, geen zucht, geen tranen meer.

Doch de akker der volkspoëzie is braak blijven liggen ook op plaatsen, waar eene verklaring als de bovenstaande niet van pas zou zijn.

Wat al gerucht is, in den aanvang der 12de eeuw, in den lande gemaakt, in Zeeland, Utrecht, Keulen, door den dweper TANCHELM! Een voorlooper van JAN VAN LEIDEN, een volksredenaar zóó welsprekend, dat hij de geleerde klerken ijverzuchtig maakte; die door zijn grooten invloed op de vrouwen ook de mannen voor zich wist te winnen; die in 't openbaar optrad in kleederen met goud doorweven, omstuwd door lijfwachten die een banier en een zwaard voor hem uitdroegen; die de geestelijkheid en de kerkleer durfde aantasten in zijne prediking en door de Utrechtsche Kanunniken aan den aartsbisschop van Keulen werd afgeschilderd als de voorlooper van den Antichrist! Te Keulen gevangen gezet met zijne gezellen: een priester EVERWACHER en een smid MANASSE die naar het voorbeeld van zijn meester een broederschap van twaalf mannen en ééne vrouw had opgericht (de apostelen en de maagd Maria), weet hij zich door de waterproef te zuiveren van de beschuldigingen tegen hem ingebracht. Later treedt hij weer in het openbaar op; in een vorstelijk kleed en met schitterend hoofdtooisel trekt hij, omgeven door drieduizend mannen, door stad en land. Hertogen noch graven durven hem weerstand bieden. In 1115 wordt hij, in een vaartuig gezeten, door een priester verslagen.[17]

Een poëtische stof, zou men zeggen, aantrekkelijk ook voor onze middeleeuwsche dichters, wien het—indien men mag afgaan op zoo menig dichterlijk werk van later tijd—waarlijk niet haperde aan gevoel voor het indrukwekkende of aangrijpende. Maar de nationale poëzie zwijgt over TANCHELM en de Tanchelmisten, over den priester EVERWACHER, over den smid MANASSE en zijn ontuchtig apostelengilde. Waarom? De verklaring schijnt mij voor de hand te liggen.

Behalve de bovengenoemde zijn er in deze eeuwen nog zooveel andere dingen gebeurd, die indruk gemaakt hebben op de gemoederen der menschen van toen. Verscheidene daarvan nu zijn wel herschapen tot literaire werken van grooter of kleiner waarde. Echter niet in de volkstaal, maar in de taal der Kerk, het Latijn.

Verwonderlijk is dat niet. In de schatting der middeleeuwsche menschen van dien tijd, stond het Latijn hoog boven de volkstaal. Het Dietsch was de taal van het "diet", van JAN ALLEMAN, en werd nog niet als schrijftaal gebezigd; het Latijn, met zijn eerbiedwaardig verleden, den roem en het gezag der klassieke schrijvers, was de taal der Kerk in gansch West-Europa, de taal ook waarvan geestelijken en geleerden zich schriftelijk bedienden, de taal die vorsten en machtigen kozen voor het opstellen van officieele stukken. Rome's taal en letterkunde werden ook hier te lande vlijtig beoefend. In de bibliotheek der beroemde abdij van Egmond vond men in de 11de en 12de eeuw tal van klassieke dichtwerken: VIRGILIUS' Bucolica en Georgica; OVIDIUS' Tristia; CICERO's De Senectute, De Amicitia, de Orationes; SALLUSTIUS' werken. Van de lateren vond men er: PERSIUS' Satiren, STATIUS' Thebaïs; SENECA'S De Clementia; AULUS GELLIUS' Noctes Atticae. Voorts talrijke glosen op de klassieke schrijvers waaruit men mag opmaken dat de werken dier auteurs wel bestudeerd werden. Van middeleeuwsch-Latijnsche werken trof men er aan o.a.: eene Vita Brendani, de Gesta Francorum id est Cronica cum Vita Karoli, DARES FRIGIUS' De Excidio Trojae, Gesta Alexandri Magni[18]. Onder de boeken welke de abdij Bloemhof te Wittewierum in een latere eeuw (de 13de) bezat, vinden wij OVIDIUS, VIRGILIUS, eenige auctores ethici et satyrici; verder tal van werken over grammatica en dialectiek, geschriften van de Kerkvaders AUGUSTINUS en GREGORIUS[19]. In diezelfde eeuw vinden wij aan de abdij van Mariëngaarde te Hallum eene „scola publica" verbonden; aan haar hoofd stond zekere magister FREDERIK, die met zijne leerlingen 's morgens de heidensche poëten en geschiedschrijvers en na het middagmaal de Kerkvaders las[20].

Die eerbied en liefde voor het Latijn zal de ontwikkeling der volkstaal waarschijnlijk belemmerd hebben; de veldbloem heeft „tier noch zwier" in de schaduw van den grooten boom die haar het vrije genot van zon en wind en regen beneemt en beslag legt op de groeikracht van Moeder Aarde.

Abt EMO van Wittewierum bezat, volgens zijn biograaf, den lateren abt MENKO, vele gaven en talenten—doch niet de gaaf der wereldlijke welsprekendheid „in lingua teutonica"; daarvan was hij geen beminnaar en hij oefende er zich ook niet in „propter studium et amorem vitae spiritualis et lectionis". Nog op zijn sterfbed sprak hij keurig Latijn.

Begrijpelijk is het, dat wij in de Latijnsche geschriften van zulke mannen niet zelden aanhalingen vinden uit klassieke schrijvers: in EMO'S Kroniek b.v. verzen of sententie's van CICERO, HORATIUS, SENECA, LUCANUS; in een reisbeschrijving van een Friesch of Groningsch pelgrim uit den aanvang der 13de eeuw herinneringen aan VIRGILIUS' Eclogae en aan zijne Aeneis[21]. Begrijpelijk evenzeer, dat bewondering ook hier tot navolging bracht. Het lag voor de hand, dat allen die in aanraking waren gekomen met de Latijnsche literatuur en behoefte gevoelden zich te uiten, voor die uiting de taal zouden kiezen waarmede zij vertrouwd waren, die reeds op zich zelve zekere waardigheid aan een literair werk bijzette, het verhief boven het alledaagsche, en waarin zij allerlei wendingen, uitdrukkingen, vergelijkingen vonden waarmede zij hun voordeel konden doen.

In die dagen, met voorbijgang van het Latijn, zich van de volkstaal bedienen voor de samenstelling van eenig letterkundig werk, zou alleen dan verwacht kunnen worden, indien er toen onder ons volk een krachtig gevoel van zelfbewustheid, een krachtig nationaliteitsgevoel, aanwezig ware geweest. Daarvan was nog geene sprake. Indien men zich herinnert, dat de grootste dichter der middeleeuwen, DANTE ALIGHIERI, vóór het schrijven der Commedia geweifeld moet hebben tusschen de volkstaal en het Latijn, dat hij zelfs den aanvang van den Inferno in Latijnsche hexameters gedicht heeft, dan zal men zich over de toestanden te onzent in vroeger eeuwen niet verwonderen.

Het is natuurlijk denkbaar dat in die eeuwen een dichter, die geen Latijn kende, zich gedrongen zal hebben gevoeld tot eene poëtische uiting in de volkstaal. Maar in allen gevalle is geen enkel voorbeeld van zoodanige uiting tot ons gekomen.

Wanneer wij nu het oog slaan op de Latijnsche werken, toen te onzent gedicht, dan treft ons aanstonds, dat wij hier een zwak voorspel vernemen van de latere literatuur der middeleeuwen. MAERLANT sprak in zijn Wapene Martijn dit kloeke woord over den adel:

Mine roec, wiene droech of wan#, Daer trouwe ende doghet es an Ende rene es van seden; Uut wat lande dat hi ran, Dats, dien ic der namen an# Van der edelheden.

Maar lang vóór hem had de adellijke Fries LUDGER, in den proloog van zijn verhaal over de heiligen BONIFACIUS en GREGORIUS, verklaard „dat er een adel des geestes bestaat, welks leden boven alle aanzienlijken van geboorte, de hoogste liefde en vereering waardig zijn"[22].

Wij vinden de stof voor meer dan een ridder-epos in een paar Latijnsche kronieken dier eeuwen; eene bewerking der Reinaert-sage, eenige heiligenlevens, een leerdicht en ten slotte een paar staaltjes van lyrische poëzie. Het schijnt mij de moeite waard, de meeste dezer werken, het een iets korter, het ander iets uitvoeriger, te behandelen[23].

MILO, monnik uit het klooster Elnon bij Doornik, die omstreeks 872 stierf, behoort zeker wel tot de oudste Latijnsche dichters te onzent. Hij vervaardigde een leven van SINT AMAND in 1800 hexameters, op aansporing zijner kloosterbroeders, en als een hulde door hem op den dag van Sint Amand aan dien heilige gebracht.

Behalve eenige kleinere gedichten schreef hij ook nog een omvangrijk leerdicht in twee boeken De Sobrietate, waarin door tal van voorbeelden uit O. en N. Testament wordt aangetoond, hoe nadeelig de gevolgen der gulzigheid en hoe goed die der matigheid zijn. Tusschen die voorbeelden vindt men hier en daar, evenals in de leerdichten van lateren tijd, uitweidingen over de priesters, over de onkuischheid van velen in dien tijd, ook wel eens over den dichter zelven. Geleerdheid is hier genoeg, ook navolging van VIRGILIUS; poëzie zoo min als in verreweg de meeste onzer middeleeuwsche leerdichten.

Over de levens van BONIFACIUS en GREGORIUS door LUDGER, beide in proza, spraken wij reeds. Voorts vinden wij nog melding gemaakt van een ander leven van BONIFACIUS, geschreven door een tijdgenoot van LUDGER, een man van merkwaardige belezenheid en eenigermate bekend met Latijnsche klassieken en mythologie. In de eerste helft der 9de eeuw schreef een Friesch monnik in de abdij van Werden eene levensbeschrijving van LUDGER, waarin soms stof voorkomt, bruikbaar voor een dichter. In de laatste helft der 10de eeuw gaf een ander Friesch monnik ter abdij van Werden een verhaal van de romantische lotgevallen en vele mirakelen der Heilige Ida[24].

Bisschop RADBOUD van Utrecht (± 917) toonde vooral eene voor dien tijd zeldzame kennis van grammatica en metriek in zijne Versus de hirundine, zijn Carmen Allegoricum op Sint Suitbert en zijne Ecloga op Sint Lebuïnus; in deze en andere stukken van zijne hand vinden wij wel loofwerk van antieke mythologie en navolging van VIRGILIUS, maar nergens eene wending of uitdrukking, karakteristiek voor den volksgeest of het volksgemoed dier dagen[25].

Door de heerschappij van het Latijn werd de natuurlijke uiting van het gemoedsleven als gestremd en verstijfd. Rechtstreeksche gemeenschap tusschen het innerlijk leven en de taal die dat innerlijk leven moet verklanken, kon onder die heerschappij niet bestaan. Om uit te drukken wat men gevoelde, moest men in eene vreemde taal zoeken naar woorden, wendingen, vergelijkingen die zoo ongeveer overeenkwamen met hetgeen men wenschte uit te drukken. Zoo kwam men tot poëzie, die op echte poëzie gelijkt als een kunstbloem op een levende bloem.

Een goed voorbeeld van zulk dichtwerk vinden wij in de verzen die gewijd zijn aan het leven en den lof van ANSFRIED, bisschop van Utrecht, die in 1010 stierf.

Hoe rijk aan afwisseling is het leven van dezen bisschop, hoe rijk ook aan treffende of ontroerende feiten, aan zedelijke schoonheid, aan verhevenheid.

Hij is van aanzienlijke afkomst, zijn vader schijnt graaf van Leuven te zijn geweest; een neef en naamgenoot van den knaap bezit vijftien graafschappen. Aartsbisschoppen, die van Trier, die van Keulen, leiden zijne opvoeding. De latere keizer OTTO I kiest hem op een tocht naar Italië tot zijn zwaarddrager; onder diens roemrijke leiding wordt hij een bekwaam veldheer. Spoedig is hij een der machtigste edelen van zijn tijd. Van de vroomheid en trouw zijner gemalin HILSWINDE bleven tot in onzen tijd romantische verhalen bewaard. Krachtig treedt hij op tegen de roovers (Noormannen?) in Brabant. Daarna wordt hij—zijns ondanks—door den keizer tot bisschop van Utrecht verheven; hij legt in de kapel te Aken zijn zwaard op het altaar der H. Maagd en wijdt zich aan haar dienst. Alle omstanders barsten in tranen uit. Voortaan wordt zijn leven meer en meer dat van een heilige; blind geworden, vertoeft hij liefst in het door hem gestichte klooster, de Hohorst bij Amersfoort. Zijn leven daar doet denken aan dat van SINT FRANCISCUS: hij put water om melaatschen te wasschen; zijne liefde ontwikkelt zich tot eene onbegrensde teederheid voor alle schepselen van den Heer. Zelfs den vogelkens was hij weldadig. Des winters liet hij uit medelijden met hunne armoede volle korenschooven in de boomen van zijn heuvel plaatsen.

Geen wonder waarlijk dat na zijn dood de Utrechtenaren niet rustten, vóórdat zij zijn lijk van den Hohorst naar hunne stad hadden gevoerd, waar het onder psalmen en lofzangen en den toeloop eener ontelbare menigte in de Sint-Maartenskerk begraven werd[26]. Geen wonder ook dat een Utrechtsch priester zich niet lang daarna opgewekt, misschien gedrongen, gevoelde om den lof van zulk een man en zulk een leven te zingen. Hij heeft getuigd van zijn eerbiedige liefde voor zijn bisschop in een 26-tal Latijnsche hexameters.

Dat deze hexameters niets eigens, niets persoonlijks hebben, bevreemdt ons niet; de kunst der middeleeuwen immers is juist algemeen en onpersoonlijk van aard. Maar wij verwachten toch voor het minst in deze uiting van droefheid en bewondering eenige warmte van gevoel te zullen opmerken en dat des dichters hart bewogen was, toen hij zijne verzen schreef. Inderdaad is er wel eenige golving van gevoel te bespeuren, maar het zijn golvingen zooals men ze ziet in een ijskorst die over het bewegelijk element ligt uitgebreid. Onder den verstijvenden invloed der rhetoriek, bij het verkillend zoeken naar juiste uitdrukkingen en tegenstellingen in een vreemde taal, is, wat er aan gevoelswarmte moge geweest zijn, vervlogen en wij vinden meerendeels slechts verzen als de volgende:

Quondam bellator, nunc autem pacis amator. ... Deposuit parmam, cepitque levare patenam.

Wat de nagedachtenis van een als heilige vereerd en bemind prelaat in het Nederland dier dagen niet vermocht: een gedicht in de volkstaal te voorschijn roepen, dat is een halve eeuw later in Duitschland geschied. Toen een jongere tijdgenoot van ANSFRIED, de beroemde aartsbisschop ANNO van Keulen in 1075 gestorven was, heeft een Frankisch geestelijke niet lang daarna in een dichtwerk getuigd van zijne liefde en eerbied voor den overledene. Maar in Duitschland was de ontwikkeling van het nationaliteitsgevoel blijkbaar verder gevorderd dan te onzent: het bekende Anno-lied is in de volkstaal gedicht. Dit 900-tal verzen geeft ons iets anders te zien dan de 26 Latijnsche hexameters van den Utrechtschen klerk.

Welk een rijke ader van echte poëzie zien wij telkens glinsteren in het ruwe, ongevormde en onbewerkte, ijzerharde taal-erts van dat Anno-lied! Ja, wij vinden hier veel onbeholpens, ook hier die zonderlinge overzichten van bijbelsche en wereldgeschiedenis, dat gemis aan samenhang en overgang; herinneringen aan VIRGILIUS en LUCANUS, te midden dezer speelmans-poëzie.... Maar hoe leven hier de middeleeuwen in visioenen van hemelsche heerlijkheid, in wonderen en allegorieën, in verhalen van veldslagen, roof, moord, brand en verwoesting. Hoe gloeit de wilde strijdlust der ijzeren eeuw van tijd tot tijd op in stalen helmen en vaste halsbergen en scherpe Beiersche zwaarden, die door helmen bijten; hoe vlamt die strijdlust op uit verzen als:

Ha! hoe kletterden de wapenen Toen de rossen op elkander in vlogen, Legerhoornen loeiden, Beken bloeds vloten.

Maar hoezeer ook overweldigd door de volheid zijner kwalijk beheerschte stof, toch vergeet de dichter zijn held niet, den „dierbaren" man, den „heiligen bisschop" in Keulen, de schoonste burg in het Duitsche land. Telkens waar SINT ANNO in dit dichtstuk optreedt, schieten, als zedige bloemen onder zijne voeten, beelden en vergelijkingen uit de verzen op: te midden der zeven heilige bisschoppen van Keulen schittert ANNO als de turkois in een gouden vingerling; God heeft hem door lijden gelouterd zooals de goudsmid goud in het vuur smelt, wanneer hij een kostbare spang wil maken; als een leeuw zat hij voor de vorsten, als een lam ging hij tusschen de behoeftigen; hij is ten hemel opgestegen om ons den weg derwaarts te wijzen, zooals een arend die zijne jongen wil leeren vliegen, in kringen opwaarts stijgt en op zijne wieken statig zweeft[27].

Zulke tonen wist die vroege zanger voort te brengen, omdat hij durfde zingen in zijne moedertaal. Zulke of dergelijke muziek had ook hier kunnen weerklinken, indien het nationaliteitsgevoel krachtig genoeg ware geweest; indien een Dietsch dichter de hand had durven slaan aan de poëtische stof die ook te onzent lag opgehoopt.

Welk een voorraad van zulke stof geven ons de beide Latijnsche kronieken van den Utrechtschen geestelijke ALPERTUS en zijn Vlaamschen genoot GALBERTUS te aanschouwen[28]. Ik heb hier het oog vooral op de geschiedenis van den edelman BALDERIK die met ADELA, eene dochter van den machtigen graaf WICHMAN van Hamaland, gehuwd was. De levensgeschiedenis van dit verdorven echtpaar verhaalt ons van langdurige belegeringen, onneembare kasteelen en verraders die den vijand ter sluik binnenlaten; van gevechten in het open veld; dienstmannen wien neus en ooren worden afgesneden; van vrouwen in eene belegerde vesting die helmen op het hoofd zetten om de belegeraars te misleiden; de vernietiging der sterke vesting Uplade (bij Elten aan den Rijn); den sluipmoord op den jongen Saksischen graaf WICHMAN gepleegd en de vernietiging der sterke vesting Uplade waar die daad geschied was. Wegens dien moord moet BALDERIK zich te Nijmegen voor Keizer HENDRIK komen verantwoorden. Als hij vóór den Keizer staat, verbieden de hertogen GODFRIED en BERNHARD hem te spreken. Wanneer hij desniettegenstaande zich gaat verdedigen, knarstanden zij van woede en het scheelt weinig of hij wordt door hunne krijgers afgemaakt.

ADELA doet ons in hare verhouding tot BALDERIK soms aan Lady MACBETH denken: op de tijding van des Keizers komst, wordt BALDERIK moedeloos; ADELA verliest den moed niet, doch wekt haren man op tot dappere tegenweer. Van haar gaat het plan uit tot moord op graaf WICHMAN, hun tegenstander, die als gast op het kasteel Uplade vertoeft. Eerst wil zij hem vergiftigen; als dat niet gelukt, draagt zij hare taak over aan een paar knechten die WICHMAN van achteren aanvallen en neerstooten. Voortdurend zet zij BALDERIK aan tot nieuwe misdaden. „Et sicut Hiezabel Achab, ita et ista hunc ad flagitia semper concitavit, dans ei consilia, quibus ad perniciem suam uteretur, donec abominabilis et odiosus omnibus fieret"[29].

Een onvoldragen gedicht zien wij ook in het geschiedverhaal van den moord, die in 1126 in een kerk te Brugge gepleegd werd op KAREL DEN GOEDE, graaf van Vlaanderen. Na het volbrengen van den moord verschansen de moordenaars onder hunne aanvoerders, BOUTSAERT (BORSIARDUS) en ROBBRECHT, in eene kerk en worden daar door de aanhangers van den graaf belegerd. De strijd die dan aanvangt, heeft in de beschrijving van GALBERTUS inderdaad hier en daar een grootsch karakter. Begrijpelijk is het, dat men een oogenblik denkt aan het indrukwekkend slottafreel der Nibelungen, in BOUTSAERT den grimmigen HAGEN meent te herkennen, in ROBBRECHT „Giselher daz Kint". Terwijl de strijd in de Kerk woedt, springt WALTER, een dienstman van den graaf die zich op het orgel verscholen hield, naar beneden midden tusschen de vijanden—een sprong die doet denken aan den vervolgden HERNANT in de Chanson des Lorrains[30]. Maar er is in de middeleeuwen meer gelijk dan eigen, en dergelijke overeenkomsten bewijzen alleen, hoe zeer het middeleeuwsch epos in hoofdzaak juiste afspiegeling der werkelijkheid bevat; niet dat een episch dichter het oog hield gericht op een of ander historisch feit.

Met een weinig scherpzinnigheid eenerzijds en een weinig goeden wil anderzijds, zou men op die wijze ook kunnen aantoonen, dat SHAKESPEARE in zijn Macbeth het oog moet hebben gehad op de geschiedenis van ADELA en BALDERIK.

In beide deze kronieken, vooral in die van GALBERTUS, blijkt op meer dan eene plaats vrij sterke aandoening; er was ook wel voldoende zelfbeheersching en neiging om het waargenomene en gevoelde te verwerken tot een met kunst geschreven verhaal. Maar dan toch een verhaal naar het voorbeeld der Romeinsche geschiedschrijvers. Vandaar de rhetorische toon, de redevoeringen en gesprekken in den trant van die voorgangers, doch met minder talent. GALBERTUS laat zich wel eens verleiden zijner verbeelding te zeer den teugel te vieren: hij weet ons o.a. gezegden mede te deelen, die midden in een vreeselijk bloedbad geuit zullen zijn en wat een eenzaam opgesloten man denkt, vóórdat hij sterft. Maar toch, had deze monnik eens den moed gehad zich van zijne moedertaal te bedienen—misschien waren wij een belangwekkend kunstwerk rijker. Diezelfde gedachte komt bij ons op, indien wij kennis maken met de Latijnsche bewerking der Reinaert-sage die op deze kronieken volgt, zooals in de nationale literaturen van Franschen, Duitschers en Nederlanders de bewerkingen der dier-sage op het ridder-epos.

Dit Latijnsche gedicht, dat naar den wolf: Ysengrimus heet, is vermoedelijk omstreeks 1150 vervaardigd door zekeren Magister NIVARDUS, eerst monnik in het klooster Blandinium, later scholaster der Kerk van S. Pharahilde te Gent[31].

Wij vinden hier een aantal, ook van elders bekende, dierfabels in distichen vervat en op kunstelooze wijze tot een geheel verbonden. Het verhalend element is in dit werk gering, de dialoog overheerscht; het zijn al te vaak eindelooze gesprekken waarin de middeleeuwsche dialectiek triomfen viert, maar die den lezer na eenigen tijd vermoeien en ten slotte vervelen. De dichter was een zeer belezen man, die de klassieke Latijnsche schrijvers goed en OVIDIUS op zijn duimpje kende; onder het schrijven zijner verzen stonden hem telkens plaatsen uit zijne lievelingsauteurs voor den geest, maar nergens maakt hij zich aan slaafsche navolging schuldig.

Opmerkelijk nu is vooral, hoe onder en in dit overgenomen klassicisme telkens het Vlaamsch-menschelijke zich vertoont. Wij speuren en zien den volksgeest in die ietwat ruwe rondheid die alles bij zijn naam noemt, in de ironie, de komische of groteske overdrijving, de grappen, de vergelijkingen en spreekwoorden aan het dagelijksch leven ontleend[32]. In zijne uitdrukkingen en aardigheden, in woorden als mantica, bulga, follis te vergelijken bij het latere middelnederlandsche male (maag), als taberna (taverne), carmina completoria („van uwen complete dat ghetide") doet hij ons telkens aan den, een eeuw jongeren, Reinaert denken. Het is dezelfde nationale dichtader, maar die hier niet kan uitschieten in de laag van klassicisme waarmede de Vlaamsche geestesakker overdekt was.

Indien deze dichter eens gedurfd had, zooals DANTE gedurfd heeft! Wat zou hij, met zijn ongetwijfeld voortreffelijken aanleg niet hebben kunnen volbrengen. Maar de tijd, dat een dichter zulk eene stof in de volkstaal zou durven behandelen, was nog verre. Er moest nog veel veranderen in het uiterlijk en innerlijk leven van de bewoners dezer landen, eer het zoover kon komen.


AANTEEKENINGEN.

[Voetnoot 1: Deze Vita Liudgeri is uitgegeven in PERTZ Monumenta G., II, 404 seqq.]

[Voetnoot 2: Vgl. P. PIPER, Die Spielmannsdichtung, I, 29.]

[Voetnoot 3: In EGINHARD'S Vita Caroli Magni 29 (PERTZ, Monum., II, 458). „Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum actus et bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit."

En in Annales Caroli Magni, V, 545 (PERTZ, Monum., I, 276) leest men:

Quae veterum depromunt praelia regum Barbara mandavit carmina litterulis.]

[Voetnoot 4: Leven van Sint Amand (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303.]

[Voetnoot 5: PIRENNE, Geschichte Belgiens, I, 91.]

[Voetnoot 6: Bonifacins door Dr. J.P. MÜLLER, I, 86.]

[Voetnoot 7: PIRENNE, t.a.p. I, 86–7.]

[Voetnoot 8: Vgl. hier als elders BLOK'S Geschied. v.h. Nederl. Volk.]

[Voetnoot 9: Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is uiteengezet en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S rectorale rede „over Angelsaksische Poëzie" (1899).]

[Voetnoot 10: COSIJN, t.a.p. bl. 21.]

[Voetnoot 11: Dr. TE WINKEL, Gesch. der Ned. Lett.]

[Voetnoot 12: Hilde—Gudrun.... von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof. SYMONS, die de Gudrun uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel.]

[Voetnoot 13: Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET (I, 33 volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene studiën van Dr. BLÖTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in Romania, 1901, en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in Versl. en Meded. d. Kon. Akad., XII, 253 volgg.]

[Voetnoot 14: Sp. Hist., IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts mijne Middelned. Epische Fragmenten, bl. 250 volgg.]

[Voetnoot 15: Vgl. Middelned. Epische Fragmenten, bl. 255.]

[Voetnoot 16: PIRENNE, t.a.p. bl. 41–43.]

[Voetnoot 17: Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S Kerkgeschiedenis, II, 3, bl. 45–55.]

[Voetnoot 18: Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in VAN WIJN'S Huiszittend Leeven en, in veel beter uitgaaf, in Archief voor Ned. Kerkgesch., II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.]

[Voetnoot 19: A.W. WYBRANDS, De Abdij Bloemhof, bl. 78–79.]

[Voetnoot 20: MOLL, t.a.p. II, 2, 239.]

[Voetnoot 21: In het Itinerarium van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit MATTHAEI Veteris Aevi Analecta, II, 26–33 b.v.: „Natales fines et arva dulcia linquentes" (Ecl., I, 3); aan het slot: „et tunc demum quae passi fuimus periculorum meminisse juvabit" (Aen., I, 203). Vgl. ook de naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p. 31.

In de Kroniek van ALPERTUS, De Diversitate Temporum (ed. DEDERICH) o.a.: uit Juvenalis: „Intolerabilius nihil est quam foemina dives."]

[Voetnoot 22: MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. Zie FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S Stroph. Gedichten, bl. LXXVIII.]

[Voetnoot 23: Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S Allgem. Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande, van MOLL's Kerkgeschiedenis en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S Liber de vita etc.

MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in Poetae Latini Aevi Carolini, III, 557 seqq.]

[Voetnoot 24: Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.]

[Voetnoot 25: Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. H. PEERLKAMP, p. 11. De Versus de hirundine medegedeeld in Zeitsch. f.d. Alt. N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten in Kerkhistor. Archief, III, 213 volgg.]

[Voetnoot 26: Zie voor het medegedeelde MOLL'S Kerkgesch., I, 275 volgg. en ALPERTUS' Kroniek De Div. Temporum.]

[Voetnoot 27: Der Lobgesang auf den heiligen Anno (ed. GOLDMANN), Leipzig und Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men Grundriss der Germ. Phil., II, 1, 251; en PIPER'S Spielmannsdichtung, II, 1. Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105–1110.]

[Voetnoot 28: De Kroniek van ALPERTUS: De diversitate temporum libri II, is van ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL, Kerkgesch., II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS vgl. RUDOLF HENNING, Nibelungen—Studiën. Strassburg. 1883.]

[Voetnoot 29: De Div. Temp., II, 5.]

[Voetnoot 30: R. HENNING in het aangehaald werk.]

[Voetnoot 31: Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave van den Ysengrimus, (Halle a.S., 1884). In zijne Etude sur l'Ysengrinus, (Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen dan VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151–1152; V.c. 1148. W. gelooft dat een „flamand gallicant" uit de buurt van Lille de dichter is geweest en dat deze niet uit de mondelinge overlevering maar uit de verhalen der trouvères heeft geput. Het eerste is door W. m.i. niet aangetoond; het tweede is niet te bewijzen. Zie over WILLEMS' boek ook het oordeel van Dr. J.W. MULLER in Museum (1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan vereenigen.]

[Voetnoot 32: VOIGT, Einl. LXIII.]


II.

De Kruistochten. De „lage landen bij de zee" als grensland tusschen Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric van Veldeke (Leven van Sint Servaes, Eneïde, liederen). Vertaling van het Nibelungen-lied. Speelmanspoëzie (Van den bere Wisselau; Van Sente Brandane). Losmaking van Duitschland.

Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet vergaan was, ademden ook de bewoners dezer landen op.

Niet alsof met die 11de eeuw een tijd van ongestoorden vrede en rust aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende eeuw, wij hebben er reeds staaltjes van gezien, was er nog allerwege verdeeldheid; soms schijnt het alsof ieders hand tegen allen is opgeheven. Zeker, tegenover de verdeelende stonden verbindende krachten: de kerk, het leenwezen, eene zelfde of ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten. Maar voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen, Brabant en andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake van één band die ze onderling vereenigt.

Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed geoefend op onze volkswording als de kruistochten!

Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen „het Westen zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God wil het!" vinden wij ook onze voorouders. Reeds omstreeks 1030 zien wij een graaf van Holland ter kruisvaart trekken en aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke de latere graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien[1]. Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende eeuwen graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen van oud-adellijke geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S, VAN LYNDEN'S; Friesche edelen uit den stam van GALAMA en BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht, die in 1147 voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK ULVINGA in de nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders, ook aanzienlijke burgers, gewone poorters, lijfeigenen trokken naar het Heilige Land. Waarschijnlijk waren er maar weinig ridders onder die Antwerpenaars, Hollanders en Friezen, die volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de Middellandsche zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het leger der kruisvaarders in Cilicië te hulp kwamen[2].

Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor deze tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte; de naam „groote aflaat" dien men in de 13de eeuw aan een kruistocht gaf, wijst reeds op iets anders dan op liefde tot God om Gods wil. En dat vooral bij degenen die slechts geld, niet zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook bezwaardheid van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord; ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien: lust naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof te behalen.

Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier in de ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk verschijnsel, dat voor het eerst zij die zóó lang verdeeld waren gebleven: Vlamingen, Friezen, Hollanders, Gelderschen en zoovele anderen, in het besef hunner éénheid als Christenen, gezamenlijk optrekken tegen één vijand in verre gewesten.

De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van ons volk is bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun „intocht in de Kerk waardoor zij inderdaad vereenigd werden met het groote lichaam, waarvan zij vroeger leden heetten, maar niet waren"[3]. Handel en nijverheid, ook de kunsten ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk een indruk moet het Zuiden, moeten die landen der zon met hun geheimzinnig achterland, hebben gemaakt op de ruwe maar ontvankelijke gemoederen dezer zonen van het Noorden, die zich voor het eerst verplaatst zagen buiten de enge grenzen van hun gouw of graafschap!

Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed geweest, dien de aanraking met andere volken moet hebben geoefend op het onze. Door dat herhaald en langdurig samenzijn en samenwerken met andere volken of volksdeelen, moeten onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn geworden van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen; nu eerst begint door den morgennevel der naïeveteit heen het beeld der eigen persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren. Ook van het volk, waarvan zij nog een deel uitmaakten en waaraan zij zich het nauwst verwant gevoelden: de Duitschers, moeten zij zich reeds onderscheiden hebben gevoeld in taal en karakter. Welk een aanzienlijk verschil bestond er reeds omstreeks 1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn Sint Servaes dichtte, tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat verschil kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden.

Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de meeste dezer lage landen tot Duitschland; hunne ligging in Europa maakte ze tot een schakel tusschen Germaansche en Romaansche landen. Langzamerhand zullen wij den band met het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte feitelijk wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al wordt hij later wel eens opnieuw aangeknoopt.

Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen in woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het Dietsch onmiddellijk paalde aan het Fransch, was oorzaak dat Fransche taal en letterkunde te onzent gemakkelijk ingang konden vinden.

Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland, waarbij de invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen wij nu in de geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen.

De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland vertoont zich ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche kolonisten, welke in de 11de en 12de eeuw een deel van Nederduitschland bevolkt en er zeker toe bijgedragen hebben daar het gevoel van eenheid met de bewoners der lage landen levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te onzent sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden dan in het Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil tusschen Noord- en Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds op den voorgrond brengen.

Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten of zulke die Dietsche en Waalsche elementen in zich vereenigden. Vlaanderen, Brabant, Limburg waren in hoofdzaak Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk, Henegouwen, Namen en het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche. Echter deed zich in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk gelden; Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had wel het meest recht op den naam van: grensland.

Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden zich één. Reeds in VELDEKE'S Leven van Sint Servaes worden „Dutschen ende Walen" tegenover elkander gesteld[4], Maar niet zóó scherp stonden zij tegenover elkander, of de meerdere geestesbeschaving en kunstzin van het Fransche volk oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder ontwikkelde bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent, zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde bestond, had de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal van voortreffelijke of belangwekkende werken voortgebracht. Kort vóór of na den eersten Kruistocht waren de oudste Chansons de geste reeds gedicht: de grootsche Chanson de Roland, de indrukwekkende Lorreinen, barbaarsch als de Roodhuiden, de bloedige Raoul de Cambrai, Girart de Roussillon, een deel van den Guillaume d'Orange, de Aiol. De aanvang der 12de eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht („épopée courtoise") en dat der lyriek. Vóór het midden dier eeuw waren de meeste verhalen, die de onderscheidene „branches" van den Roman du Renart vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld[5].

Ook de Duitschers konden, lang vóór het ontwaken der literatuur te onzent, op menig werk van beteekenis wijzen; behalve de vroeger genoemde dichtwerken hadden zij reeds: het Walthari-lied, EZZO'S lied over de Wonderen van Christus, een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale literatuur, in hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon zich echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur, die toen reeds den toon aangaf. De Alexander van PFAFFE LAMBRECHT en het Rolands-lied van PFAFFE KONRAD waren reeds in de eerste helft der 12de eeuw uit het Fransch vertaald; in de tweede helft dier eeuw zou de vertaling eener branche van den Roman du Renart volgen en de Fransche lyriek de ontwikkeling der Duitsche bevorderen.

Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van Frankrijk op Duitschland kunnen waarnemen ook in het land, dat meer dan eenig ander een schakel tusschen hen vormde: Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of bij de grenzen van dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en BLANCEFLOER bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver Limburgsch geweest is of althans met evenveel recht tot het Nederlandsch als tot het overige Nederduitsch kan gerekend worden[6]. Het is den schrijver dezer bewerking, die een Fransch voorbeeld volgde, blijkbaar slechts om het verhaal te doen geweest; reflexie is, naar het schijnt, afwezig. Zijn verhaaltrant is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar droog; van de aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters zou wekken, is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen waarin dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere rijmen, wijzen op geringe technische vaardigheid.

Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed der literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling der onze in het werk van HEINRIC VAN VELDEKE.

In de poëzie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt van Maastricht vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd, welke wij hier achtereenvolgens hebben leeren kennen: hij legt den band tusschen de Latijnsche literatuur en de nationale door zijne omwerking van een Latijnsch heiligenleven tot het Limburgsch Leven van Sint Servaes; uit het Fransch vertaalt hij een riddergedicht over ENEAS in zijne moedertaal, waaruit het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht (Eneît); in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche (Provençaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens in het Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne Eneïde als zijne minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de ontwikkeling der Middelhoogduitsche epische en lyrische poëzie.

Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of andere wijze in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken stand en het klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende hij behalve de Fransche ook de Latijnsche literatuur, o.a. de Aeneïs, de Metamorphosen en het epos van STATIUS[7]. Hij ondernam c. 1171 de bewerking der Vita van den H. Servatius op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren kanunnik HESSEL, „die doen der costeryen plach." Hij heeft in Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van Kleef en gaf zijn onvoltooide Eneïde daar te lezen aan gravin MARGARETA, de bruid van LODEWIJK III, landgraaf van Thüringen. Zijn handschrift werd hem ontstolen en eerst veel later terug bezorgd, zoodat de voltooiing der Eneïde waarschijnlijk kort vóór 1190 heeft plaats gehad. In Duitschland zal hij kennis gemaakt hebben met de daar bestaande nationale literatuur, o.a.: het Anno-lied, LAMPRECHT'S Alexander, KONRAD'S Rollands-lied; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen hem niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen misschien uit denzelfden tijd als zijne Eneïde. Ook heeft hij nog een gedicht van „Salomon en de Minne" geschreven, dat ons slechts uit eene aanwijzing van een Duitsch dichter bekend is[8].

Indien „meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen te dichten, vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman waarvan de minne schering en inslag is, en daarna, ouder en ernstiger geworden, getracht had door middel van een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven had met het dichten dier wereldsche poëzie—dan zou hij gedaan hebben, wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters gedaan is. Die gang van zaken zou bovendien in overeenstemming zijn geweest met wat de gewone levenservaring ons leert. Naar het schijnt, heeft het tegenovergestelde plaats gehad: is hij begonnen met de bewerking van een heiligenleven, om zich daarna tot minnepoëzie en ridderverhaal te wenden. Zoolang deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is, zullen wij ons er aan moeten houden.

Daar zoowel Sinte Servatius Legende als de Eneïde bewerkt zijn, de eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch voorbeeld, komt het er bovenal op aan, het karakter dezer bewerkingen te leeren kennen. Over het algemeen volgt VELDEKE zijne Servatius-legende, die hij telkens aanduidt als „die vite", op den voet[9]. De letterkundige waarde dezer bewerking is gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de ontwikkeling onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking, de afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun drietal heffingen doen ons denken aan de oude volkspoëzie. In eene periode als:

Alle die vergaderinghen Al weynende dat sij songhen Met luder stemmen: Osanna! Doen was vroude ende yamer da,

meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het Lodewijkslied:

Joh alle saman sungun „Kyrieleison". Sang was gisungan Wig was bigunnan. Enz.

Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij eenige aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek:

Daer nae sprack der heilighe man, —Die salighe diet ghemercken can— „Men mach in menghen synnen „Gods heerscapie bekennen, „Sijne ghenade ende sijne ghewalt. „Ghij siet wale wie der wynter kalt „Die eerde bevroret „Ende haer vrocht testoret „Ende tewrijvet ende verkeert; „Ende als hij dan henne veert, „Ende der somer aen gheyt, „Dien alle die werelt gherne ontfeyt, „Ende daer toe alle creatueren, „Eyn yeghelijck nae sijnre natueren, „Verhoghen sich ende vervrouwen. „Allen die Gode ghetrouwen „Ende doer hem lijden arbeit, „Dien gheeft hij grote rijcheit, „Woninghe in hiemelrijck „Ende vroude ewelijck."

Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en daar op de overeenkomstige plaats lezen: „en", ait „quomodo verna temperies redit post hiemem, sic post mortem orietur beatis requies", dan zien wij dat VELDEKE'S verdienste hierin bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel van zijn voorbeeld op zelfstandige wijze heeft uitgebreid[10].

Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van aandoening zich in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals b.v. in de visioenen, wordt die verwachting niet vervuld[11].

Toen VELDEKE zijn Leven van Sint Servaes bewerkte, gevoelde hij zich een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak van den heiligen man bij God; die hoopte dat zijn werk ter eere Gods zou strekken[12]. Maar de levensgeschiedenis van den heilige moge hem hebben gesticht, zij heeft noch zijn gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was dat met de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman[13].

Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze waarop hier de liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk motief is gebruikt en de groote plaats die de ontleding van het gansche gemoedsleven, van de hartstochten en vooral van de liefde hier inneemt. Deze opvatting der liefde was iets nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken viel die niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch anders was dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen die TACITUS in de Germanen sterker troffen dan juist hun achting voor de vrouwen, hun eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid bij hen in eere was en dat de vrouw in het huwelijk stond als eene gelijke tegenover den man. Door de opkomst van het ridderwezen, eene Germaansche instelling, was dit gevoel van eerbied jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich, vooral in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd.

In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht bij uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd, fijn. Het is een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld en in eigen trant het eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch al heeft hij een voorbeeld gevolgd, hij was geenszins louter vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd of veranderd, weggelaten of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de juistheid der uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te verduidelijken; ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid of eigen smaak te bevredigen[14]. Verscheidene didactische uitweidingen, overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft hij laten vervallen. Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000 verzen meer dan het oorspronkelijke. Die grooter omvang is toe te schrijven vooral aan de wijdloopigheid van den bewerker, die zich openbaart o.a. in het uitspinnen van monologen en van gevechten, ook in de beschrijving van zielstoestanden. Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont VELDEKE menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl zijn smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo b.v. waar hij ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS „toe Icônjen in her hûs" bezocht. Een viertal verzen van het oorspronkelijk gedicht zijn in de bewerking uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men hier met recht van VELDEKE'S werk mag spreken:

grôt ende grâ was her dat hâr end harde verworren— dat wir wale spreken dorren— alse eines perdes mane. die frouwe hadde ane vele onfrouwelîch gewant. ein boech hade sî an der hant. dar ane sach sî ende las. doe schoude sî Enêas. He marcde sî rechte. dat mies# lockechte hiene her ût den ôren. sî enmochte niet gehôren, et enwâre, dat man riepe. her ougen stonden er diepe onder den ouchbrâwen, langen ende grâwen, die dâ vore hiengen— end her ter nase giengen, grouwelîch was her lîf: hem enwart nie wîf alsô wonderlich kont. swart ende kalt was her der mont. sî sat in den gebâre, alse er leven wâre ân alre slachte wonne. die tande stonden er donne# end wârn her lanc ende gele. her was der hals end die kele swart end gerompen#. sî selve was geskrompen in bôsen gewande. her arme end here hande waren âdern ende vel[15].

Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naïef kunstenaar met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder den indruk en tracht dien zoo goed mogelijk weer te geven; er is wel goede grondstof, er zijn wel goede deelen van een beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen. Telkens springt hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of wordt zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde paardemanen—de vergelijking raakt volgens VELDEKE blijkbaar de grens der kieschheid—een blik op het onvrouwelijk gewaad; zij had een boek in de hand; nu weer de détails: vlokken mos (haar) hingen haar uit de ooren, diepliggende oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan plotseling een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna terugkeer tot de détails: de mond was zwart en koud; weêr een algemeene indruk: hare houding gaf te kennen dat zij geenerlei vreugde kende; zoo gaat het voort.

Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat VELDEKE'S invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden naar het schijnt zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker.

Duidelijker nog dan in zijne Eneide blijkt die aanleg in het dertigtal minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche hoofsche lyriek gedicht.

In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en uitdrukkingen blijven deze liederen binnen den kring van den conventioneelen vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld en zich daar en elders deed gelden, zoowel in eene min of meer kunstmatige werkelijkheid als in de poëzie.

De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw die hij wenscht, wordt voorgesteld als een dienst: zij is de meesteres, hij de dienaar. Telkens is ook in deze liederen sprake van dienen en dienst. De minne wordt verheerlijkt:

Von minne kumet uns allez guot: diu minne machet reinen muot. Waz solte ich sunder minne dan?[16]

De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide seksen (het „umbevân") wordt dorperlijk genoemd:

Wie mohte ich dat für guot entstân, dat hê mî dorpelîche bâte dat hê mî muoste al umbevân?[17]

vraagt eene vrouw, die—naar de gewoonte in deze minnepoëzie—sprekend wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam moet de minnaar zorg dragen; daarom mag hij zijne liefste niet in het openbaar noemen; daarom ook moet hij haar en zich hoeden tegen de booze tongen de („rueger" en „nider") [18]. Niet zelden begint een lied—ook dat was conventioneel geworden, maar conventie waarin waarheid schuilt—met een klein natuurschetsje of een trek uit het natuurleven; hetzij om overeenstemming, hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al dadelijk in het eerste lied:

Ez sint guotiu niuwe mâre, daz die vogel offenbâre singent dâ man bluomen siet. Zuo den zîten in dem jâre stuende wol daz man frô wâre: leider des enbin ich niet[19].

Overeenstemming treft men aan in verzen als deze:

Ez tuont die vogele schîn# daz si die boume sehent gebluot#. ir sanc machet mir den muot sô guot daz ich vrô bin noch trûric niht kan sîn[20].

Maar niet zóó vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst of de natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge dorperlijk zijn naar het „umbevân" te verlangen, deze minnaar doet wat hij niet laten kan:

ich bat sie in der kartâten daz si mich müese al umbevân[21].

en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind, hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet:

Swer den vrouwen setzet huote#, der tuot daz übele dicke stêt. vil manic man der treit die ruote# da er sich selben mite slêt[22].

Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen:

geschihet mir als deme swan, der singet als er sterben sal, sô vliuse# ich ze vil dar an[23].

Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in Limburg bekend zijn geworden, noch of zij ook in andere deelen dezer landen verbreid zijn en invloed hebben geoefend op de zich daar ontwikkelende literatuur. Wij komen op die vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds zeggen, dat wij voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend bewijs hebben. Ten opzichte der Eneide verkeeren wij in iets gunstiger omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne Historie van Troyen, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO, zegt: „Oec ist gedicht in Duytsche woert"[24]. Het is mogelijk, dat hij hier het oog heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder nader bewijs mogen wij dezen regel natuurlijk niet als beslissend beschouwen.

Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde gering geweest; in allen gevalle op verre na niet zoo belangrijk als op die der Hoogduitsche literatuur. Voor tal van Middelhoogduitsche dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne Eneide, een voorbeeld geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn dichterlijk verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der epische minnepoëzie en minstens eene eeuw lang wordt hij door Duitsche dichters gelezen en geprezen, ook door de grootsten onder hen als WOLFRAM VON ESCHENBACH, den duister-verhevene en den beminnelijken GOTTFRIED VON STRASSBURG[25].

VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die reeds zekere mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de kunstpoëzie dier dagen. In die poëzie is een Nederlander de Duitschers vóórgegaan. Naast die kunstpoëzie echter bestond in Duitschland eene nationale verhalende volkspoëzie. Gedeeltelijk was deze, in den tijd waarvan wij spreken, reeds onder den invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende heldendichten Nibelungen en Gudrun leveren daarvan het bewijs en toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander deel dezer volkspoëzie was vrij gebleven van dien invloed van het hoofsche epos. Die soort van poëzie vinden wij vertegenwoordigd in een aantal verhalende gedichten, meerendeels In het laatst der 12de eeuw gemaakt en voor een deel afkomstig uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten onder den naam: speelmanspoëzie, omdat zij zwervende dichters en voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten een speelman op den voorgrond. De meest bekende zijn: Orendel, Salman und Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald. Alle herinneren door hun inhoud en hun trant min of meer aan een vroeger gedicht van dezen aard: de geschiedenis van Koning Rother, al beweegt dat verhaal zich in hooger sfeer dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij hier dan ook telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen. Het verhaal dier tochten naar verre landen geeft den dichters natuurlijk ruimschoots gelegenheid hunnen hoorders allerlei vreemds en wonderbaarlijks voor oogen te brengen; vooral het verhaal van Hertog ERNST is met dat wonderbare vervuld. Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen, gewoonlijk in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten kon[26].

Hier staat de Nederlandsche poëzie tegenover de Hoog- en Nederduitsche in eene andere verhouding dan bij VELDEKE: dáár was het onzerzijds geven, hier nemen. Beide boven aangewezen soorten van volkspoëzie vinden wij te onzent vertegenwoordigd: het volksepos onder den invloed der hoofsche ridderpoëzie in eene vertaling der Nibelungen; de speelmanspoëzie in het gedicht van den Bere Wisselau en misschien ook in dat van Sinte Brandaen.

In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het eerst kennis gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag moeten wij het antwoord schuldig blijven. Dat er geen grond bestaat om den bewoners dezer landen een aandeel toe te kennen in de vorming van het Oudgermaansch heldendicht, hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk niet opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die elders ontstane heldenpoëzie of heldensage kan hebben gedragen.

Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10de eeuw en in den Reinaert vermelde, koning HERMENRYC de bekende Gotenkoning der heldensage is[27]. Ook weten wij dat de abdij van Egmond reeds in de 11de of in het begin der 12de eeuw een exemplaar van het Walthari-lied heeft bezeten[28]. Weliswaar was het slechts een Latijnsche vertaling waarin dat heldendicht tot ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het aantrekkelijk hebben gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen gevalle mag men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage.

Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het Zuidoosten, Nibelungen-liederen gekend, vóórdat het, later uit die liederen ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald? Die vraag hangt samen met het vraagstuk van den ouderdom dier vertaling. Volgens de meeste Duitsche geleerden is het epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en dat het voorbeeld is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan 1205[29]. Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn Leven van Sint Servaes spreekt van ATTILA als „Bodelinghes son" [30]; deze vadersnaam komt ook in de Nibelungen meer dan eens voor. Was VELDEKE nu met dezen naam bekend geworden door de Nibelungen of kende hij dien van elders? Dat hij dien naam in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen der heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij in de Eneïde spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft, naar het schijnt, eerst na het dichten van den Servaes in Duitschland gereisd.

Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien Nibelungen-liederen in omloop zijn geweest, is dit: nog in de 15de eeuw vinden wij den melkweg in een Geldersch-Kleefsch woordenboek genoemd: Ver Broenelden strait[31].

Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken naam niet op langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage? Is het wel aannemelijk dat een dergelijke naam in zwang zou kunnen komen door den invloed eener schriftelijke vertaling en moet hier niet veel eer gedacht worden aan den gestadigen invloed eener mondelinge overlevering?

Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied in het Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling der Duitsche geleerden juist is, dat deze vertaling nà 1205 is vervaardigd[32]. Hoe lang na 1205? Dat is niet met een jaartal aan te geven. Doch er bestaat reden om te gelooven, dat onze vertaling in de eerste helft der 13de eeuw is gemaakt. De populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over de grenzen dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de fragmenten der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13de eeuw te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk Alexander den vernederlandschten naam van ATTILA: Ettel gebruikt en in zijn Spiegel Historiael dien van Diederic van Berne, mag doen vermoeden dat hij deze namen misschien uit de vertaling der Nibelungen heeft leeren kennen.

Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten over, elk van 72 verzen, die een gedeelte der 16de en een gedeelte der 17de Aventiure van het oorspronkelijk epos behelzen. Of men het gansche gedicht vertaald heeft, moet dus onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het genoemd hebben. Dat men van het Nevelingen-lied of van de Nevelingen zal hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds in de 13de eeuw eene gansch andere beteekenis had (neef of verwant).

Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te vragen naar het karakter der vertaling en de wijze waarop de vertaler zich van zijne taak heeft gekweten[33].

Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne verzen zijn vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme van het origineel weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis van het Duitsch belemmerde hem in zijn werk als een blok aan het been. Waar hij een woord of een vers niet begreep, liet hij het weg, of—erger—verving het door een stoplap als: „dat doe ic u verstaen" en „dies was hi wel blide". Aan zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven, dat, vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal hier en daar onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid van het jachttooneel heeft bij de overbrenging geleden; voor het krabben en bijten van den beer dien SIEGFRIED vangt, heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog ook voor SIEGFRIEDS rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het goede zwaard BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht over KRIEMHILDE'S droefheid:

ir hetet mîn vergezzen, des mag ich wol jehen, dâ ich dâ wart gescheiden von mîme lieben man. „daz wolde got" sprach Kriemhilt, „waer iz mir selber getân".

zijn weergegeven door het onbeteekenende:

Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen.

Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden man te laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking.

Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin als van de auteurs van Wisselau en Brandaen. Dat is geen toeval, maar in overeenstemming met het onpersoonlijk karakter der volkspoëzie, in tegenstelling met de bekendheid van de auteurs der meer individueele kunstpoëzie. Indien wij echter in aanmerking nemen dat in het laatste couplet van het tweede fragment de geestelijke tint bij de overzetting vrij wat sterker is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een geestelijke voor den bewerker te houden.

Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal van den Bere Wisselau heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot speelman verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of goliarden, gelijk er in de 12de en 13de eeuw zoovele rondzwierven: arme schooiers, tuk op een goeden maaltijd, en als GARGANTUA in extaze gerakend „au seul son des pintes et flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was

in taberna mori, ubi vina proxima morientis ori

wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk:

„Deus sit propitius isti potatori".

Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de rechte speelmanspoëzie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud van het gedicht kan dat blijken[34].

Het begin van het fragment brengt ons naar het land van den reuzenkoning ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning KAREL is juist met zijne „genooten" op een schip aangekomen. Onder zijn gevolg is een reusachtige beer, Wisselau genaamd, die zekeren GEERNOUT als zijn meester gehoorzaamt. Een reus die de wacht aan het strand houdt, wordt door Wisselau gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke beren in het schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN koning KAREL en de zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt Wisselau een rok van vier kwartieren aan, dien hij voor hem had laten snijden ter gelegenheid van een hoffeest te Aken en volgt met den beer de overigen. Als zij aan ESPRIAANS burcht komen, loopt de portier op het zien van Wisselau jammerend van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de „gargoensche tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de keuken moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in den soepketel werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen, om de reuzen nog meer schrik aan te jagen. Dat geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal binnenvliegen om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken last. ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer op zijn zetel. Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt hij rond, zoodat de reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken klimmen. De reuzenkoning smeekt GEERNOUT om hulp en deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn gargoensch zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden; Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling geëindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den kleinen man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er niets meer te eten is; ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt boos en schudt zich, zoodat de kostbare knoopen van zijn rok springen. Daarna werpt hij den rok op het vuur en gaat er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een jonker! Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op te staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den beer. Een maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men beraadslaagt over het nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT denkt er over hoe hij koning KAREL en zijne gezellen behouden weer uit het reuzenland zal brengen.—Daar eindigt het fragment.

De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders[35], ESPRIAAN of ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt genoemd, is een ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het gedicht van koning ROTHER voorkomt als koning van het verre reuzenland. In eene Noorsche sage bevindt hij zich onder het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand eener Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie broeders: WIDOLF „mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD. WIDOLF (elders WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens zijne wildheid aan een keten meegevoerd; want, laat men hem los, dan slaat hij met zijne ijzeren stang woedend om zich heen.

Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot in een gevecht van den held van BERN en ATTILA tegen koning OSANTRIX, is door WIDOLFS stang neergeslagen, door den vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop doen WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den gevangene door list te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene berenhuid naaien en wordt zoo door zijn gezel bij den halsband geleid. In 's konings hof aangekomen, slaat ISUNG meesterlijk de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn beer, dien hij Vizleo (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen. OSANTRIX wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op eene schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote menigte, zestig groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De koning is ook aanwezig, vergezeld door zijne dienstmannen, onder welke zich de geboeide WIDOLF bevindt, geleid door zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt den grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood. Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los en brengt hem een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft de berenhuid maar stuit af op de „bronie" (maliënkolder) daaronder. Als OSANTRIX dan naar de zijnen wil terugkeeren, rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den speelman, loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen de reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat hen. WIDGA wordt bevrijd en keert terug tot THIDRIK.

In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante van den beer, Thor schuilt en het berengevecht eigenlijk een strijd van zomer en winter moet voorstellen, is voor ons van minder gewicht. Duidelijk blijkt echter uit het voorgaande de samenhang van het Nederlandsch gedicht met andere, ook tot poëzie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke verhalen moet de dichter van den Wisselau gekend hebben; daar heeft hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in eigen trant zijn bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning ROTHER was in de Rijnlanden ontstaan en de herinnering aan den geketenden beer leefde daar ook in liederen als dat „von dem übelen wîbe" voort. Naar de oostelijke grenzen wijst ons dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de vorm van den naam Wisselau, die in het Nederlandsch Wittelau. zou moeten luiden[36]. In het oosten of zuidoosten des lands zal dit speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk kort na den tijd, waaruit ook de Duitsche speelmansgedichten dagteekenen—, nl. het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds, want in zijn Spieghel Historiael laat hij er zich afkeurend over uit. Tot tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in hunne poëzie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere gedichten van dien aard vermeldt hij ook „van bere Wisslau die saghe" en

Van bere Wisslau die snodelhede# ende meneghe favele groet ende cleine[37].

MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden, dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant, dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe ook de „Sarrasijn" behoorde, „die voor mijn here speelde met eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14de eeuw gewag maakt[38].

Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger als MAERLANT zich ver verheven.

De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen lachen; gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van lachen en scop (scherts) spreken. Die grappen waren niet van het fijnste soort; dat kan men verwachten: een beer, potsierlijk uitgedost in zijn rok met kwartieren als in een ridders wapenrok; een kok, gekookt in zijn eigen soepketel; een angstige portier, roepend, schreeuwend: „o wi, o wach!"; schenkers en drossaten die, hals over kop, een zaal komen binnenvluchten, zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te verantwoorden hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als hij zich schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht zoekend; een reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken gast loerend—alles gruwzaam of grof, doch niet zonder zekere ruw-komische kracht en wel geschikt om de ruige lippen van ruwe poorters en boeren te plooien tot een breeden lach.

Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als de meeste zijner gildebroeders; hij bekommert zich weinig om de overgangen in zijn verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken volzinnen als met vlugge schokjes voortspoedt met veronachtzaming zoowel van de maat der verzen als van de zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend hebben, zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden, geboeid worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter; op dit publiek, tot hetwelk de dichter zich meer dan eens richt, was alles berekend. Geen wonder voor wie in het oog houdt, dat deze dichters van hunne kunst leven moesten.

Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook het gedicht van Sente Brandane zich gericht hebben. Deze BRANDAEN was abt van een Iersch klooster. Eens zat hij te lezen in een boek dat allerlei verhalen van wonderen bevatte. Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en wierp het boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet scheep gaan en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne tochten zien zij zooveel wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht vergaat. Nu mag hij naar zijn klooster terugkeeren en sterft kort daarna.

De kern van dit verhaal is reeds in de 10de eeuw te vinden in een Latijnsche legende: Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis en werd later in verscheidene Europeesche talen, zoowel in proza als in poëzie, bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen 1173–1180 aan den Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en misschien niet lang daarna in het Nederlandsch vertaald[39].

Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben, kan niet betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins op de hoogte is van deze soort poëzie. Evenals in den Oswald en den Orendel hebben wij hier eene half-ascetischen half ridderlijken zeetocht (de Brandaen spreekt van „recken"); vooral in het gedicht van Hertog Ernst vinden wij tal van wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen: zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels; het prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde dieren; de menschen, met zwijnskoppen en kranenhalzen, in zijden gewaden, gewapend met bogen; de vermelding der Pygmeeën. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont, vindt men weer in het verhaal van Sint Oswald.

Dat ook in den Brandaen drossaten en schenkers voorkomen, die veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat ze in honderd jaren geen droppel water binnen krijgen, is een der vaste trekken van de speelmanspoëzie[40]. Het was een onschuldige wraakneming der speellieden op degenen die hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en droog hadden voorzien.

Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen, welke men niet vindt in een der drie Duitsche bewerkingen die voortgekomen zijn uit het oorspronkelijk Nederrijnsch gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de merkwaardige ontmoeting van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat door den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal vindt men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS. In de eerste legende is sprake niet van het hoofd doch van het gansche lichaam van een gestorven heidenschen reus; in de tweede van een reuzenhoofd. Beide reuzen laten zich doopen. In dat laatste opzicht nu geeft de Nederlandsche bewerking ons iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het reuzenhoofd voor, zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij vreest zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en zondigde hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger gestraft worden. En dus, zoo besluit hij:

willic weder varen Te mijnre aermer scaren In die deemsternesse#[41].

Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker, bij deze vermoedelijk van hem afkomstige passage, aan den Frieschen koning RADBOUD gedacht heeft, die door den apostel WULFRAN gedoopt zou worden. Immers, als deze heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de plaats der helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de doopvont terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan met de Christenen in den hemel verblijven[42]. Opmerkelijk mag ten slotte heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking op een paar plaatsen een komisch element aantreffen, waar dat in de drie ons overgebleven Duitsche bewerkingen ontbreekt. Ook dat getuigt dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben[43].

Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht is ons duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en zouden er nieuwe kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende grond aanwezig om aan te nemen, dat het uit het Duitsch vertaald is en met de vertaling der Nibelungen en het gedicht Van den Bere Wisselau dagteekent uit het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. Ook de twee laatstgenoemde werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de literatuur van dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking van het overig Duitschland te toonen.

Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond. Wel dient de aandacht te worden gevestigd op het gewicht van feiten als de vertaling van Nibelungen en Brandaen, als de bewerking van den Bere Wisselau. Want uit dat overbrengen van de eene taal in de andere blijkt, dat de bewoners dezer landen zich een ander volk voelden dan de overige Duitschers; het gedicht van den Bere Wisselau, zelfstandige bewerking van Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger mate.

Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk van Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst, zouden zij steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden dat vooral doen, nadat Brabant en Vlaanderen op den voorgrond waren getreden en Limburg op den achtergrond was geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral Vlaanderen de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij daarmede begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der Nibelungen misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties van den Brandaen in het oosten des lands of elders gemaakt? Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke MAERLANT in één adem noemt met de „sage van den bere Wisslau", uit denzelfden tijd als de Wisselau?

Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn wij vooralsnog niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag men misschien: „ja" antwoorden of: „het is waarschijnlijk."

Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige Duitschers moesten losmaken, vóórdat er sprake kon zijn van hunne ontwikkeling tot een zelfstandig volk en ook: dat de hier aanwezige kiemen van nationaliteit beter bodem vonden in het verder van Duitschland af, en aan zee gelegen, Vlaanderen, dan in het grensland Limburg.

In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de 13de eeuw, op welker drempel wij nu staan, eene half-internationale, half-nationale kunst groeien en bloeien.

Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden zij zich ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen.


AANTEEKENINGEN.

[Voetnoot 1: Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S Kerkgesch., II, 1, bl. 7 volgg.]

[Voetnoot 2: Vgl. MAERLANT'S Spiegh. Historiael (edd. DE VRIES en VERWIJS), III, bl. 366.]

[Voetnoot 3: MOLL, t.a.p.]

[Voetnoot 4: Zie I, 1116. Zie ook I, 682–3: „In ebreuschen, in dietschen || In walschen ende in vriesschen". Vgl. ook Roman van Torec, vs. 2556: „Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den Rinclus, vs. 602 walsch en vriesch tegenover elkander gesteld.]

[Voetnoot 5: Vgl. Hist. de la langue et de la Littérature française.... sous la direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100–101), 171 en L. SUDRE, Les sources du Roman de Renart, p. 341.]

[Voetnoot 6: Vgl. SCHERER, Gesch. der D. Lit., S. 143–4; PIPER, Spielmannsdichtung, II, 299; Grundriss der German. Phil., II, 1, 258. Uitgegeven door STEINMEYER in Z.f.d.A., 21, Bd. S. 307 flgg. STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche tint gegeven heeft.

De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, waaruit no. 1 en no. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's zijn voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, vs. 2315–3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen zijn echter op vele plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S raming van het geheel (c. 3700 verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S bewerking die veel uitvoeriger is, telt er slechts 3980.]

[Voetnoot 7: Dat hij zich „ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal wel eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor stelt hij zich zelven tegenover de „ongheleerde luden". Vgl. bovendien het Latijn in den proloog en eene plaats als II, 944–946.]

[Voetnoot 8: Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de Inleiding tot BEHAGHEL'S Eneide. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken wat Prof J.H. KERN mededeelt in Museum 1900, bl. 213–218. Overigens nog BORMANS' Inleiding op Sint Servatius Legende.]

[Voetnoot 9: VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven van S. SERVAES, dat men vindt in de Gesta pontificum Tungrensium Trajectensium et Leodiensium in de 10e eeuw samengesteld door den abt HARIGER. Vgl. over een fragment van een hs. van het eind der 12e eeuw: Z.f.d.A., Bd. 27, 146–157. Over een Duitsch leven van S. SERVAES uit ongeveer denzelfden tijd als VELDEKE'S werk: Z.f.d.A., 1845, V, 75 flgg.]

[Voetnoot 10: Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S Gesta, wel in de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een Cistercienser monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. Daar AEGIDIUS echter omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, moet de door VELDEKE gebruikte Vite ook door HARIGER en AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de vergelijking uit I, 271 terug in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe multas tunc temporis provisio divina pro necessitate accenderat faces etc.]

[Voetnoot 11: Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.]

[Voetnoot 12: Vgl. den proloog van Boek I.]

[Voetnoot 13: Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker. Zie PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, Introduction à une édition critique du Roman d'Eneas ('s-Gravenhage, 1888).]

[Voetnoot 14: Vgl. BEHAGHEL'S Einleitung, CL-CLVI.]

[Voetnoot 15: Vs. 2708–2741; in het Fransche gedicht vs. 3456–3460.]

[Voetnoot 16: Minnesangs Frühling, p. 62.

Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze—in tegenstelling met de werken der overige Minnesinger—gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch (daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.:

van minne comet ons alle goet: die minne maket reinen moet. Wat soude ic ane minne dan?]

[Voetnoot 17: Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk Middelhoogduitsch is. Misschien heeft eene verwarring met entfaen (ontvangen) plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen weergeven:

hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, dat hi mi dorperlike bade dat hi mi moeste ombevaen?]

[Voetnoot 18: Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30–32; 60, 32; 61, 10; 58, 17–19.]

[Voetnoot 19: M.F. 56, 1–6.

Het sijn goede nieuwe maren dat die vogel openbare singen daer men bloemen siet. tot dien tiden in den jare stonde wel dat men vro ware: lacen, des en ben ic niet.]

[Voetnoot 20: M.F. 64, 17–21.

Die vogelen doen ane schijn dat si die bome sien gebloet. haer sanc maket mi den moet so goet dat ic vro bin ende trurich niet can sijn.

Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10–18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.]

[Voetnoot 21: M.F. 57, 5–6.

ic bat hare in der caritaten dat si mi moeste al ombevaen.

Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.]

[Voetnoot 22: M.F. 65, 21–24.

So wie den vrouwen settet hoede, die doet dat dicke evel staet. wel menich man draget die roede daer hi sich selven mede slaet.

Vgl. voorts: 65, 11–12; 67, 1–2; 62, 11–22.]

[Voetnoot 23: M.F. 66, 13–15.

geschiedet# mi alse den swane die singet alse hi sterven sal, so verliese ic te vele daer ane.]

[Voetnoot 24: Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S Historie van Troyen door Dr. J. VERDAM, p. 27–28.]

[Voetnoot 25: Vgl. BEHAGHEL'S Einleitung, S. CLXXXVI flgg.]

[Voetnoot 26: Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in PIPER'S Spielmannspoesie. Vgl. voorts: Grundriss, II, 1, 305 vlgg.]

[Voetnoot 27: Vgl. Reinaert (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. Ermenrijc en W. MÜLLER, Mythologie der deutschen Heldensage, S. 178.]

[Voetnoot 28: Vgl. KLEYN'S Catalogus in Archief voor Ned. Kerkgesch., II, 147.]

[Voetnoot 29: Over die tijdsbepaling Grundriss, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE houdt het er voor dat B. „um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan. (Das Nibelungen-Lied, Einl., S. XIV).]

[Voetnoot 30: Boek II, 115.]

[Voetnoot 31: Teuthonista (ed. VERDAM), p. 486: „die witte wech des nachtes an der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait, galaxia."]

[Voetnoot 32: Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne Middelned. Epische Fragmenten, p. 1–3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in De Gids, 1889, I, 29–79.]

[Voetnoot 33: In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn voortreffelijk Gids-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: Der Nibelunge Nôt. (Leipzig. BROCKHAUS, 1870–1880) waarin men ook de varianten der hss. vindt.]

[Voetnoot 34: Vgl. Middelned. Ep. Fragmenten, bl. 9–32; het genoemde stuk van Dr. FRANTZEN in De Gids en de uitgave van E. MARTIN in Quellen und Forschungen, 65. Heft.]

[Voetnoot 35: Vgl. Mnl. Ep. Fragmenten, bl. 10.]

[Voetnoot 36: Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.]

[Voetnoot 37: Sp. Hist., IIIe Deel, bl. 170, 204.]

[Voetnoot 38: Vgl. Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis, III, p. 96.]

[Voetnoot 39: Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden: 1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam. Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA, Bijdrage tot de Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten; 3o. Van Sente Brandane in Tijdschr. v. Ned. T. en L., VII, 85 vlgg.; 4o. Romanische Studiën.... von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I, 116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter is dan in het Comburgsche hs.

De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.]

[Voetnoot 40: Vgl. Van Sente Brandane (ed. BONEBAKKER), p. 10.]

[Voetnoot 41: Vs. 249–251.]

[Voetnoot 42: Het hier en elders in den Brandaen voorkomende aerme scaren (zie BONEBAKKER'S Aant., p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord harmschare (straf, kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van „keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van „blide scare" voor hemelbewoners; zie Stroph. Ged. edd. FRANCK en VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de spelingen van haar critisch vernuft.]

[Voetnoot 43: Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075–1081, H. 1022–1028.]


BOEK I.

STANDENPOËZIE.

INLEIDING.

Gedurende de gansche 13de eeuw is er in deze landen en volken nog weinig eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien eene veelheid van onderscheidene eenheden: kleine staten en staatjes die voortdurend naar volkomener onafhankelijkheid streven. Holland was reeds vroeg zelfstandig geworden, had zich nagenoeg van het Duitsche rijk afgescheiden, was er steeds op uit alle bemoeiingen van Keizers of andere rijksvorsten met zijne binnenlandsche aangelegenheden af te weren. De overige landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden weg. Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven.

Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen tegen het water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen in bouwland en weiland. Het water geeft geen kamp: de Marcellus-vloed van 1218 wordt meer dan eens door hevige overstroomingen gevolgd; doch de waterschappen ontstaan, polderland komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens te draaien.

Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze landen bewoont. Tegenover het geestelijk element stond het wereldlijke. God—zegt DIRC POTTER in zijn Minnen Loop—heeft der wereld rijk in tweeën gedeeld: de eene helft moet zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet opwaarts schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft, moeten leeren[1]. Het wereldlijk element werd weer gescheiden in heeren en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de gemeenten waartoe men ook de landbouwers kan rekenen, vormden de drie groote bestanddeelen der bevolking van al deze gewesten. Een dichter der 14de eeuw, WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH, spreekt dan ook „van der drierehande staet der werelt" en bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden[2].

Niet meer, als in de 11de eeuw, waren de Zuidnederlandsche ridders op het land wonende grondbezitters, die in vredestijd hunne goederen bestuurden en zelf wel eens de hand aan den ploeg sloegen; die, eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn best een wachttoren op een heuvel bewoonden, omgeven door een muur van ruwe steenen.

In het laatst der 12de eeuw reeds prijst de Duitsche dichter HARTMANN VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant en de Haspengouw, als hij voortreffelijke ridders wil noemen. De graven van Henegouwen en van Leuven komen soms met honderden prachtig uitgedoste ridders ten tournooi. In Holland zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS, EGMONDEN, ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op een tournooi of aan de gevolgen van daar ontvangen wonden. Terwijl een aantal Vlaamsche ridders zich bij Hesdin met het ridderlijk spel der „tafelronde" vermaken, hechten zij zich het kruis op borst of schouder.

Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. Naast hen, want ook in deze landen vond men prelaten als die bisschop van Beauvais die in den slag bij Bouvines de vijanden met een ijzeren knots neersloeg—omdat de Kerk geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover hen, in de werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers, Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral de orde der Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De bagijnen beginnen hare hoven te stichten. Voorname abdijen als die van Egmond, Rijnsburg, Leeuwenhorst verrijzen. In Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in Limburg en Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd een eenzaam leven leiden.

Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde als visschers langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort reeds)[3], als landbouwers en veeboeren ten platten lande, alleen of in dorpen en gehuchten, of eindelijk als kooplieden, neringdoenden, ambachtslieden in de steden die in aantal en omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten van marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om een kasteel of klooster of waren ontstaan uit de vereeniging van eenige landgemeenten. Allengs verkrijgen zij het recht zich te beschermen met „eiken tune (planken muren) ende diepe grachte", een stedelijke hal, een steenen gevangenis (steen) te bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen volgen. In groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de meeste waren van hout en met riet gedekt).

De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de middeleeuwen minder droevig dan men langen tijd heeft gemeend. Ook was de verhouding tusschen heer en lijfeigenen niet louter die van een meester tegenover zijne dienstknechten en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het gansche leven in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden iets patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13de eeuw eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; aan het eind dier eeuw is de groote meerderheid der bevolking vrij geworden.

Er wordt—het spreekt vanzelf in dien tijd—ter dege onderscheid gemaakt tusschen ridders en dorpers; zoo wordt bijvoorbeeld een dorper die een ridder slaat of scheldt, zwaarder gestraft dan wanneer hij een anderen dorper te na gekomen is, en het schaken van een meisje uit den aanzienlijken stand zwaarder dan van een arm meisje[4]. Toch was de adel niet een heerschende stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook waren ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er hadden wel huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En eindelijk: de vroeger zoo talrijke klasse van ridders nam gedurende deze eeuw af in aantal als in aanzien. Verarmd door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van het ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan leven als zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters daalden in maatschappelijke en economische beteekenis. De geestelijkheid moest, tenminste in Gelderland, een deel harer bezittingen aan den graaf overdragen.

Maar stadig rees de ster der gemeenten[5].

In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en gemeenten, kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde eenheden opmerken: de onderscheidene „sibben", maagschappen of geslachten. De band tusschen bloedverwanten was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch alleen zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde. Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid zijner „sibbe"[6]. De maagschap staat op den voorgrond, niet de enkeling.

Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door vergelijking met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens den Saksenspiegel de ouders voorgesteld door het hoofd; de kinderen door de geleding tusschen hoofd en hals en zoo voort, totdat eindelijk de zevende „sibbe" in de nagels der handen geplaatst, en vandaar „nagelmagen" genoemd werd. De maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met zich. Zoo b.v. het recht en den plicht tot het opnemen der veete van een verslagen bloedverwant. Nog in het midden der 13de eeuw heerschte in Friesland de barbaarsche gewoonte om