The Project Gutenberg EBook of Frits Millioen en zijne vrienden, by A.L.G. Bosboom-Toussaint This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Frits Millioen en zijne vrienden Author: A.L.G. Bosboom-Toussaint Release Date: January 25, 2008 [EBook #24425] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK FRITS MILLIOEN EN ZIJNE VRIENDEN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ FRITS MILLIOEN EN ZIJNE VRIENDEN DOOR A. L. G. BOSBOOM-TOUSSAINT 's-GRAVENHAGE, CHARLES EWINGS. Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen. FRITS MILLIOEN EN ZIJNE VRIENDEN. EENE VERTELLING. I. »De catechisatie was uitgegaan," zooals de geijkte term luidde; »uitgevlogen" ware juister geweest, want een zwerm meisjes, kleine, groote, welgekleede, schraaltjes uitgedoste, stoven als joelende bijen wier korf werd verstoord, het huis van den dominé uit, en hortten in haar woeste vaart tegen een troep jongens aan die op hunne beurt de catechisatiekamer gingen innemen. De haast die ze hadden om de plaats binnen te dringen, waar menig hunner licht een _mauvais quart d'heure_ te wachten stond, mogen wij tot ons leedwezen niet aan vromen ijver en weetgierigheid toeschrijven, dat zou eene psychologische en eene historische onwaarheid zijn tegelijk--maar de woeste knapen hadden eene andere drijfveer. Als ze zich wat haastten, troffen ze al licht samen met enkele achterblijfstertjes en dat gaf dan aanleiding tot gestoei en pretmakerij.... ze hadden een vol uur strak en stemmig neer te zitten onder het oog van dominé, het was niet vreemd dat ze het oogenblik waarnamen, waarin deze een ommezientje naar zijne vrouw was gegaan en eene versche pijp stopte, om nog eens wat rumoer te maken! Nu! daaraan lieten zij het zich dan ook heden niet ontbreken, daar was een gedreun of er krijgertje werd gespeeld rondom de banken, ten laatste lieten zich een paar gesmoorde gillen uit meisjeskeelen hooren, waarvan het moeielijk was te beslissen of ze uit werkelijk leed dan wel uit schalke bangmakerij werden geslaakt. Dominé was geabsorbeerd door zijne koffie en--»even de krant," daarbij te veel gewend aan allerlei geluiden om tusschenbeide te komen. In allen gevalle _hij_ was geen schoolmeester en voordat het nieuwe leeruur geslagen had, achtte hij het niet oorbaar en beneden zijne waardigheid om de catechisatiekamer binnen te treden. Ook was men daar gansch niet op zijne tusschenkomst gesteld, en liever dan die in te roepen vlogen een paar kleine juffertjes met gloeiende gezichtjes als gejaagde reeën de gang door om op den stoep door de wachtende dienstmeisjes, die intusschen met de groote jongens hadden geginnegapt--ontvangen te worden met eene gemaakte grimmigheid. »Wel Saartje is me dat laten wachten!" »Ik kan het niet helpen, Mie! zoo waar niet...." »Mooi! kan _ik_ het dan helpen? en straks als je mama gromt, krijg ik de schuld dat ik zoo lang uitblijf." »Neen, want ik zal zeggen zooals het is, de jongens waren zoo ondeugend en Dientje.... dag Dientje tot Maandag!" maar reeds werd het praatstertje door hare onvriendelijke _bonne_ wat ruw bij de hand gevat, en haastig voortgetrokken, er was niets meer te verstaan. Haar vriendinnetje werd weer op andere wijze begroet. »Heden mijn tijd, Dientje! wat ziet uwé d'r haveluinig uit. Wat zal uwées tante knorren dat u zoo uit de leering komt!" was de uitroep met verwijt gemengd der tweede gedienstige, terwijl zij inmiddels het mogelijke deed om het scheefstaande hoedje recht te zetten en het omgeknoopte merinosche doekje wat ordelijk te schikken. »Och, Trijntje! je weet niet hoe ik verschrikt ben," was het antwoord der kleine blonde met een stemmetje hijgend van agitatie en hoogroode wangen; »de jongens zijn weer zoo woest geweest, ze hebben gevochten, en ik ben in 't gedrang geraakt, omdat...." »Ja! ja! juffertje wildzang--de jongens krijgen de schuld, maar de meisjes willen wel zoo, of waarom zijn Saartje en Dientje niet met de eersten mee weggegaan?" voegde Trijntje haar lachende toe, maar niet zonder een afkeurend hoofdschudden. »Ik kon niet eerder Trijntje, heusch!" »Als onze Dientje heusch zegt, dán is het waar; maar waarom kon dat dan ook niet?" »O! dat's te lang om je nu op straat te vertellen...." »Bestig, als het een geheim is laten we dan maar gauw maken dat we thuis komen, dan zal tante het er wel uit krijgen," en voort gingen ook die twee, de laatsten van het drukke troepje, dat de anders stille straat voor een oogenblik had verlevendigd. II. Met loffelijke getrouwheid hield dominé ook met de knapen een vol uur catechisatie, maar was ook toch zeker zelf niet minder in zijn schik dan zijne leerlingen, toen hij ook dezen hun afscheid kon geven, na eene korte vermaning om zich toch wat behoorlijk te gedragen bij het heengaan! Of zij diep ter harte werd genomen is twijfelachtig, maar het was de laatste leering voor dien dag, botsing tusschen komenden en gaanden kon er dus niet ontstaan en de jongens gingen minder woest en jolig uiteen dan ze gekomen waren, enkelen zelfs, de allerlaatsten, slopen druiloorig door de gang onder een gedempt knorrend gemompel, dat alleen maar de poes van de juffrouw deed opschrikken, die zich, voor haar zelve zeer ten ontijde, in de gang had gewaagd. Dominé was als altijd de eerste geweest om de muffe catechisatiekamer den rug toe te wenden en zijn vroolijk, luchtig studeervertrek op te zoeken. Voldaan met de betrekkelijke kalmte, naar zijn gevoelen door zijne krachtige allocutie veroverd, en met het genoegelijke vooruitzicht van eenige uren vrijen tijd, liet hij zich in zijn gemakkelijken armstoel neervallen, en zat eene wijle mijmerend neer zonder eene pen op te nemen of een boek in te zien. Maar welhaast scheen hij zich zelf dat toegeven aan het zoete _far niente_ te verwijten; met zekeren schrik hief hij zich op, halfluid mompelend: »Hm ja! de woensdagspreek! van de liefhebberij kan weer niets komen. Van avond rekent Sanne op mij, morgenochtend weer twee catechisaties, het gaat niet, ik moet op mijn tekst denken!" en gehoorzamend aan de inspraak van zijn plichtgevoel nam hij plaats aan zijne schrijftafel, trok met zekere lusteloosheid een foliant naar zich toe, die bij 't openslaan bleek een Statenbijbel te zijn, bladerde daarin eenige oogenblikken met zichtbare onbeslistheid waar hij eigenlijk wezen wilde, en schoof dien daarna met een verdrietelijk voorhoofdsrimpelen ter zijde, weer zich lucht gevend in eene tusschenpoozende alleenspraak. »Lastig! een tekst te vinden voor eene avond-weekbeurt! Hm, hm, om een paar dozijn hoorders." Na wat peinzens: »Ik zou nog wel eens die ... over de zachtmoedigheid, nu met een beetje verandering.... Neen, neen! dat gaat toch niet, alweer een oude preek, en daarbij de douairière van Klingelberg komt altijd 's Woensdags bij mij. 't Is zoo'n scherpe slimme feeks, zij mocht eens denken dat ik het expres op haar gemunt had.... ik wil niet voor piquant doorgaan, en waar men de hoofden tellen kan, en weet wat er al zoo in omgaat als men ze voor zich ziet, daar is het wijsheid zich te onthouden; die zijn mond en zijne tong bewaart, bewaart zijne ziel van benauwdheden, en er is verstoring voor wie zijne lippen wijd open doet. Salomo zal mij niet tevergeefs gewaarschuwd hebben.--Salomo! dat's een heerlijke inval!.... een van diens gulden spreuken ... en dan.... Van der Palm er eens eventjes op nagezien.... Wacht eens.... ik zal.... er wel komen! ik ben er al!" en zoo fier en verheugd als Archimedes toen hij zijn: »Ik heb het gevonden!" uitriep, rees dominé op om een der pas herdrukte Verhandelingen van den Leidschen hoogleeraar uit zijne boekenkast te halen, ten einde met diens vernuft en veelzijdige kennis zijne winst te doen. Arme beroemde redenaar! de geurige specerij en 't fijne attische zout dat uwe kernachtige vertoogen over de spreuken bevatte, werd bedreigd overgoten en verzwolgen te worden met het langnat van eens anders wijdloopigheid.... maar eer nog hoofd en hand zich tot het plegen van de schennis konden bereiden, hoorde men den dreunenden tred van de goede oude dienstmaagd door de gang slepen, de trap opkomen en weldra werd er eer driftig dan bescheiden aan de deur getikt. De ongelukkige man sidderde van zenuwachtig _malaise_. Stoornis, juist op het oogenblik dat hij noodig had al zijne aandacht onverdeeld te wijden aan den arbeid. Is het te verwonderen dat hij een knorrig »binnen!" hooren liet, en met zekeren wrevel vroeg: »Wat is er Antje?" »Dominé daar is vrouw Snibs, de uitdraagster, die u absoluut spreken wil." »Och! dat lastige meubel, zij komt mij zeker weer een quasi-antiquiteitje opdringen. Luister Antje! vraag aan mijne vrouw of zij het niet voor mij kan afdoen?" »Heel goed, dominé!" en Antje trok af. Dominé luisterde nog eenige minuten in pijnlijke onzekerheid of zijne uitvlucht had gebaat, ten laatste werd hij rustig en haalde ruimer adem in de overtuiging dat zijne vrouw werkelijk dien lastpost had overgenomen. Daarna werd zijne gewenschte rust niet weer gestoord, voordat Antje opnieuw de trap opslofte om hem te waarschuwen dat het »eten klaar was." Waartoe hem langer te bespieden en dieper in te dringen in de geheimenissen zijner voorbereiding, wij hebben het reeds begrepen dat het voor dominé Willems (zoo heet onze man) gansch geene gemakkelijke taak was eene preek te maken. Gelijk dan ook zijne roeping tot zijn ambt gansch geene onweerstandelijke was geweest, de omstandigheden, eigen besluiteloosheid, gebrek aan wilskracht tegenover den drang zijner familie, hadden hem naar de academie gevoerd om theologie te studeeren, en later »op den stoel gebracht," zooals men destijds zeide, zonder dat schitrende gaven, of een speciale aanleg hem daartoe hadden aangewezen. Na een vierjarig verblijf op een dorp had hij een beroep gekregen naar de kleine welvarende stad, waar wij hem nu nog aantreffen, en waar hij sinds twintig jaar het ambt van predikant vervult, het herderlijk werk ingesloten, met de stipte goede trouw van een eerlijk daglooner, maar zonder iets van die heilige geestdrift, die hem een recht zou gegeven hebben om de profetische uitspraak op zich toe te passen: »De ijver van uw Huis heeft mij verslonden." Toch had hij er zwak op, hoe zwaar het hem ook viel, om »een goed stuk" te leveren, trachtte zijne hoorders te doordringen van het »nuttige en plichtmatige van een redelijken godsdienst," zorgde bij hen de overtuiging te vestigen van de altijd wijze en liefderijke wegen der Voorzienigheid, hun al het schadelijke en dwaze van de ondeugd voor te houden, op de »beminnenswaardigheid en de voordeelen van de deugd" te wijzen, en had in den regel het voorrecht zijne gemeente wel voldaan over hem naar huis te zien keeren, vooral dán, als hij het niet te lang had gemaakt, iets dat hem wel eens gebeurde, daar hij zoomin de gave van puntigheid als die der oorspronkelijkheid bezat, en de moeite die het hem kostte zijne gedachten of.... die van anderen met juistheid weer te geven, hem verplichtte om er eenige malen om heen te draaien, eer hij zich verzekerd achtte haar uitgesproken te hebben, iets wat zijne hoorders naïefweg deed zeggen, dat hij in herhalingen verviel! Hij had maar één collega, zijn jongere, in menig opzicht zijn tegenvoeter, met wien hij desniettemin in goede verstandhouding leefde, hetgeen hem reeds karakteriseert als een goedaardig, vredelievend man; ook werd hij in en buiten zijne gemeente geprezen als een braaf achtenswaardig mensch, op wiens handel en wandel niemand één vlek kon aanwijzen. Wij ook hebben niets op hem aan te merken dan dit eene, dat hij geen dominé had moeten worden. Zeker zou de heer Willems een verdienstelijk ambtenaar, een onberispelijk winkelier, mogelijk zelfs een niet verwerpelijk kunstenaar zijn geweest, maar dominé Willems--al was hij geen wolf in de schaapskooi--is niets meer dan de handwerksman, die de driestheid had gehad op te treden in een ambt dat profetische bezieling eischt, en als zoodanig is hij eene erbarmelijke figuur, eene treurige verschijning, mochten wij zeggen eene uitzondering. In zijn tijd, het eerste kwartaal van de 19de eeuw, was hij het niet, in den onzen zal hij het meer en meer worden. Uit licht verklaarbare oorzaak. Wie nú den predikstoel beklimt, weet dat hij _niet_ in een vasten burcht trekt waar hij onaangevochten zal blijven, maar dat hij den wal bestijgt eener vesting, die aan alle zijden blootligt en door tal van vijanden wordt bedreigd. Weerbaarheid, moedige kleinachting des gevaars, waakzame ijver zijn de eerste eischen die hem worden gedaan. Hetzij hij als aanvaller tegen de oude muren zal stormloopen, hetzij hij als verweerder die aanvallen heeft te weerstaan en de gewijde kerkelijke banier omhoog heffend, de stormloopers tegengaat, en de bresse vult, desnoods met zijn lijf. Flauwheid en gemakzucht vinden bij zulke stelling hunne rekening niet, er moet geestdrift, er moet wilskracht, er moet overtuiging, er moet gewilligheid tot zelfverloochening, er moet levendig gevoelde roeping zijn, of men zal zich teruggeschrikt zien van een ambt, dat als _beroep_ zooveel van zijne aantrekkelijkheid heeft verloren. In de dagen van dominé Willems was dat nog zoo niet. In zijn kring werd hij gansch niet voor een droevige figuur aangezien--zeker bestond er eene kleine minderheid in den lande, die andere wenschen had, andere eischen deed dan door _hem en de zijnen_ te vervullen waren--maar zij was nog te zwak en te bescheiden om hare stem te verheffen. De laag van stof, waarmee de 18de eeuw het ijvervuur van de 16de en 17de had gedoofd--was niet op eenmaal afgeschud met het slaan van de 19de--de zon van den nieuwen dag ging op, onder wolken en nevelen, en schoot slechts hier en daar stralen uit, die leven en gloed beloofden. Men sprak veel van licht, maar men had geene kracht, men had niets zoo lief als de ruste; het wakker worden ging langzaam en moeielijk, wie maar even aan de alarmklok trok, werd als een lastige rustverstoorder uitgejouwd. In de kleine stad E.--ook, was men onder de leiding van dominé Willems behagelijk ingedommeld; hij zelf, die ter goeder trouw zijne volle instemming had gegeven aan het onderteekenings-formulier zooals het door de Synode van 1816 gewijzigd was, hield het er voor, dat de gouden eeuw voor de Nederlandsche Hervormde kerk was aangebroken. Eene betamelijke vrijheid met verstandige beperking--ruimte voor alles en allen naar de eischen der beschaving en verlichting--alle rechten en vrijheden gewaarborgd en gehandhaafd door de bescherming van den Staat, eene zachte voogdij uitgeoefend door eene vaderlijke en welwillende regeering. Waarlijk, men kon niet meer verlangen, zonder te overvragen en te overdrijven, en van niets had de goede bezadigde man zulk een afkeer als van overdrijving in 't godsdienstige. Hij achtte zich zelf te zijn in de gezonde leer, en tot hiertoe waren er in zijne gemeente nog geen ijveraars en rustverstoorders opgestaan, om hem uit dit aangenaam zelfvertrouwen op te schrikken; daarbij was hij eenigszins hardhoorend op dit punt, en de stemmen hadden wel luid en ruw moeten zijn, om zoo terstond door hem verstaan te worden. Wij ook kunnen ons de moeite besparen, om hem de oogen voor zich zelf te openen; wij hebben gelukkig niet met den predikant te doen, maar met den mensch! met den liefhebber der kunst bovenal. Want de goede heer Willems had één zwak--zijne sterkte wellicht--zin voor de beeldende kunst. Of hij een juist oog had op hare voortbrengselen durven wij niet beslissen, maar hij had er groote liefde voor, dat is zeker. Hij teekende met vrij wat meer vaardigheid dan hij stelde, en zijne gelukkigste uren waren die, waarin hij zijne boeken en zijne preeken ter zijde kon schuiven, om zich neer te zetten voor eene tafel met portefeuilles en teekengereedschap, waar hij zich dan wijdde aan oefeningen in zijne geliefde kunst. Hetgeen zijn jongere collega, als hij hem in zoo'n uitspanningsuur betrapte, wel eens het (mogelijk wat malicieuse compliment) in den mond legde: »Gij hadt schilder moeten worden, collega!" »Dat heb ik mij zelven óok wel eens gezegd, mijn waarde!" was dan zijn goelijk antwoord; »maar ziet ge, in mijne familie werd dat zoo niet voor een beroep aangemerkt! Iedereen raadde het mij af. Zoo'n beetje voor liefhebberij, ja, dàt kon er door, voerde men mij te gemoet, maar zulk een onzeker bestaan.... en als men dan geene middelen heeft.... gij begrijpt mij.'" »Ja, ik begrijp wel dat men in uw kring er zoo over dacht, maar toch om alleen in onzen tijd te blijven, men kan wijzen op P. en K. en menig ander nog, die 't vaderland en de kunst tot sieraad strekken, en die er zelf wèl bij varen...." »Gij hebt volkomen gelijk, Roestink, maar--ik.... was gepredestineerd om dominé te worden," bekende de goede man dan in zijne openhartigheid. »Mijn peetoom was zelf predikant, bezat eene belangrijke bibliotheek, die hij beloofde mij te vermaken als ik theologie studeeren wilde; ik kon daarbij op zijne vrijgevigheid rekenen in de academiejaren en zoolang ik geen beroep had." »En.... zoo werd aan Pictura een priester ontfutseld, die misschien als een parel aan haar muzen-kroon zou hebben geschitterd." »Hm! ja! maar dat is lang zoo zeker niet, en ziet gij, zoo ik een broddelaar ware geworden.... de kunst duldt geene middelmatigheid." Om Roestinks mond plooide zich een satyriek glimlachje en hij wilde iets zeggen. »Neen! het is zóó beter," vervolgde Willems. »Ik ben daarbij tevreden in mijn stand, met mijn lot en...." »'t Was all' te vreên op God na," had dominé Roestink zijn collega kunnen toevoegen, maar hij deed dit niet. »En ik, heb er een goeden collega bij gewonnen," zei hij met een handdruk tot afscheid, »en dàt was meenens." III. Een blik te werpen op het karakter en de eigenaardigheden van dominé Willems was ons noodig eer wij hem zien handelen, de kennis met zijne vrouw maken wij nu hij met haar aan tafel zit, iets jonger dan haar heer gemaal, telde zij »een rijpe veertig jaren," die zij niet verbloemde, integendeel, met wat goeden smaak en wat elegantie had zij er wat jonger kunnen uitzien, maar zij hield niet van opschik en aanstelling, betuigde zij, en hare eenige ambitie was altijd maar om in hare kleeding niets anders te zijn en te schijnen dan: »eene deftige, degelijke dominés-vrouw," en dit punt van hare eerzucht had zij dan ook bereikt; of zij nu ook daarbij voegde dien stillen en zachtmoedigen geest, die kostelijk is voor God, dat is eene andere vraag, die niet zoo gemakkelijk was af te doen als de kwestie van het toilet. Zij werd nog juffrouw genoemd naar het gebruik van haar tijdperk, en hare kleeding was dan ook niet die van eene dame, die men als mevrouw zou aanspreken. Zondags ging zij ter kerke met een deftige zwart of bruin zijden japon; in de week in huis, was een _ginggang_ ruitje of een chitsje voldoende naar haar gevoelen. Eene muts met een tour--hoewel ze eigenlijk nog goed haar had--behoorde te zeer bij haar kostuum, dan dat zij er zich van zou hebben verschoond. Overigens, trots een rimpeltje hier en daar, een frisch teint; een paar groote bruine oogen, die wel wat koud en strak stonden, een klein maar snibbig mondje en een gebogen neus, schenen aan te duiden, dat de kalme goelijke aard van dominé hem wel eens te pas konden komen, om huiselijke stormen te stillen. Hij zelf? Maar gij ziet hem daar immers voor u zitten in zijne lichtgrijzen poederjas, met zijn goelijk alledaagsch gelaat, rond, blozend, ternauwernood verlicht door een paar bleekblauwe oogen, die iets dofs en slaperigs hadden, en alleen bij zeldzame aanleiding voor een enkel oogenblik konden schitteren. Eene matige corpulentie, korten, dikken hals, blanke, welgevormde handen, het grijzend bruine haar tot effening van alle verschil met een laagje poeder overtogen, ademt alles aan en om hem heen kalmte, welvarendheid en ruste. Maar zekere gloed, zekere geestdrift, iets van datgene wat het leven tot leven maakt, was noch in hem, noch in zijne huisvrouw, noch in zijne huiskamer op te merken. Alles is ordelijk, voegzaam, stil; de rust des doods.--Of Hendrik Willems werkelijk een goed kunstenaar zou geworden zijn, als hij aan zijne neiging had mogen toegeven? Zooals wij hem nu tegenover zijne »huisvrouw" zien zitten, zouden wij er haast aan twijfelen; zeker is het, dat hij zijne geliefkoosde bezigheid _niet_ in de huiskamer overbracht, en er slechts dat deel zijner vrije uren aan wijdde, dat hij niet aan de gezelligheid en aan zijne vrouw achtte schuldig te zijn. »Eene liefhebberij moet geen hartstocht worden," was de uitspraak waarmede hij niet zonder eene verzuchting zich die zelfverloochening oplegde; maar van eene liefhebberij, die zich nooit tot geestdrift, nooit tot hartstocht zal laten vervoeren, kan men dan ook voor de kunst niet veel verwachten. Ongelukkig voor Willems was het daarenboven eene liefhebberij, die zijne vrouw niet deelde. Zij begreep niets van de kunst en zij was altijd veel beter in haar humeur als »dominé" haar 's avonds wat voorlas, eenig stichtelijk vertoog of iets uit de Brieven en Avondstonden van juffrouw Post, of eens een mooi vers van Feith of van Warnsinck, dan dat hij zijn tijd verbeuzelde met papier te vermorsen, met zwart krijt of potlood, en dat toch vaak weer verscheurd werd; men had er niets aan. En àls er dan nog eens wat van terecht kwam, was het eene teekening, die in de portefeuille bleef of die hij ergens aan den muur ophing zonder lijst of glas! Zij kon er geen moois in zien, en begreep niet dat iemand er aardigheid aan had. Waren het nog schilderijtjes geweest, die in vergulde lijsten gevat allerliefst meubelden in eene gezelschapskamer, dat ware iets anders; maar tot schilderen had dominé het nooit kunnen brengen, en daarom.... En daarom waren de teekeningen ook strengelijk naar studeer- en catechisatiekamer verbannen, terwijl de huiskamer en »de zaal" prijkten met allerlei kunstplaten in fraaie mahonyhouten en vergulde lijsten, meestal geschenken van »toegebrachte lidmaten," en waar de juffrouw nogal mee ophad, schoon een cadeautje in zilver haar toch eigenlijk wèl zoo lief was.... Willems zag dan wel eens glimlachend naar die soort van kunst op, of gaf alleen door een licht schouderophalen te kennen, dat hij het niet precies met haar eens was, maar haar duidelijk te maken, waarom niet, dat was den moriaan geschuurd, en de goede man hield niet van gewaagde ondernemingen. En nu, dominé Willems was drie en twintig jaar getrouwd! Vindt iemand het vreemd, dat de vleugelen der inspiratie zich in die loodzware atmosfeer niet meer ontplooiden? »En wat had vrouw Snibs te zeggen?" vroeg Willems, nadat hij zijn eetlust aan 't eenvoudig maal had bevredigd. »Goed dat gij er maar niet om beneden zijt gekomen, dominé! Zij kwam met een brutale boodschap." »Wat! Zij, die er door mij opgeholpen is, toen zij weduwe werd, en haar nering zoo bitter aan 't verloopen ging.... Mijne voorspraak bij de gegoede lieden." »Die heeft ze nu niet meer noodig, en de dankbaarheid zit er niet diep, dat blijkt; zij kwam u zoo maar aanzeggen, dat zij haar jongen van de catechisatie neemt." »Wel zoo! Wel zoo! En wat reden geeft zij daarvoor?" »O! ze zei zoo ongeveer onder een lange omhaal van impertinenties, dat gij hem niet genoeg voorthelpt." »Daar is ook al voorthelpen aan, zoo'n domme eend!" »Volgens haar _moet_ hij er met Paschen _door_, en daar had dominé geen hoop op willen geven." »Zeker niet! De jongen kent nooit zijne vragen.... en wat ik doe om hem er iets van aan 't verstand te brengen, het baat niet. En dan zou ik hem aannemen. Ik weet wel, met den kerkeraad kan men doen wat men wil, maar toch.... zoo mag ik er het handje niet mee lichten." »Ten laatste zei ze, dat ze haar Pieter naar Roestink zond, omdat... die het ware licht had..." »Wel, wel! zei ze dàt, nu, ik mag lijden dat Roestink er met _zijn_ licht een licht van maakt." »Ja, maar 't is toch hatelijk en 't gebeurt wel meer, dat ze van u naar hem loopen, zou er ook opstokerij onder schuilen?" »Och, wel neen! haal je nu dat maar niet in het hoofd." »Gij, gij zijt altijd als het schaapje zonder gal! Maar die Roestink, ik weet het niet, hij is zoo grootsch, dat hij Dr. voor zijn naam mag zetten..." »Hij! dat heb ik nooit opgemerkt." »Mogelijk hij niet, maar zijne vrouw, dat nuf, die zich mevrouw laat noemen..." »Dat komt haar toe." »Zoo! Komt het haar dan ook toe om met een stroohoed met bloemen te loopen en een wit neteldoeksche japon met zes hoog strooken, precies zooals we prinses Marianne gezien hebben op de schilderij; een dominésvrouw! Wie heeft er ooit van gehoord; en in 't haar gekapt met een kam van ingezette bloedkoralen! Ik vraag je, is dat haar dracht? Moeten wij predikantsvrouwen ons niet onderscheiden door eenvoud en degelijkheid; moeten wij ons met ijdeltuiterij ophouden, moeten wij niet het voorbeeld geven van zedigheid en nederigheid?" »Dat alles is zeker zeer wenschelijk, Sanne! Maar melieve bedenk dat Marianne Roestink pas vijf en twintig jaar is, en eene freule van afkomst." »'t Is waar, _ik_ ben geene freule, maar ik heb de middelen om mij op te schikken zoo goed als zij, ruim zoo goed mogelijk! Toen ik de bruid werd was ik ook maar even in de twintig, en toch, wat heb ik gedaan? Op mijn trouwdag heb ik een zedig kanten cornetje opgezet, al gaf moeder mij paarlen om den hals..." »Maar lieve, dat was toen ter tijd het gebruik, en..." »Het gebruik! Nu ja, maar er liepen toch jonge vrouwtjes van mijne kennis genoeg met gekapt en gepoederd haar. Mijn broers vrouw droeg een chignon met een knip en pluimen, maar ik wist dat ik eene dominésvrouw werd, en ik wilde op uw dorp geene ergernis geven..." »Dat was braaf van u, Sanne, maar eilieve, neem dan ook nu geene ergernis om zoo'n kleinigheid..." »Neen! dát late ik ook daar, maar wilt gij dan dat ik onverschillig zou zijn, als ik bemerk, dat die lieden u bij de gemeente in een kwaad blaadje brengen... Want als Roestink het hun niet in 't oor blies, hoe zou het dan zoo'n vrouw Snibs in 't hoofd komen te meenen, dat hij zooveel knapper en beter is dan gij. _Ik_ heb dat althans nooit gemerkt." »Lieve, wat zal ik u zeggen. Het schijnt wel dat er tegenwoordig iets in de lucht zit, dat ook hierheen trekt, al had ik hope, dat wij in ons afgelegen stadje er buiten blijven zouden... Zoo iets van een weerkeeren naar het heel ouderwetsche, weet je. In sommige groote steden zijn er lieden, die het maar niet met de beschaving en de verlichting van onzen tijd vinden kunnen. Woelzieke, onrustige geesten, die allerlei onheil en gevaar zien in de wijze bepalingen van de laatste kerkregeling, die zoo'n beetje den domper willen zetten op het werk van den vooruitgang; die maar niet willen gelooven aan de veredeling der menschheid, die zeggen, dat zij hunne wijsheid van boven hebben, om te meer kracht bij te zetten aan hunne eischen. In den grond opgeblazen, twistziek volkje, die ons predikanten wel graag de wet zouden willen stellen, en waar we nog veel last van kunnen krijgen in de kerk, vooral zoo men niet het geduld en de lankmoedigheid oefent om ze maar stilletjes te laten geworden en dat ijvervuur in zich zelve te laten afkoelen; zoo althans denk ik er mee te handelen, als het zich in mijne gemeente openbaart." »Mij dunkt, dat we dan nu al zoo ver zijn, naar de praatjes van vrouw Snibs te oordeelen." »Och! vrouw Snibs... dat mensch hangt zoo'n beetje de fijne uit, omdat zij een blauw-maandag met een catechiseermeester getrouwd is geweest, die wel zoo eens in stilte zijne oefeningjes hield. Overigens een best braaf man, dien ik altijd wel heb mogen lijden." »Maar ik zou meenen, dat gij leeraar waart om er order op te stellen, als gij beroering en verdeeldheid in de gemeente bespeurt." »Och, vrouw-lief! leven en laten leven is mijn regel, en zoo lang ik er geen meer last van heb...." »Nu, gij moet het zelf weten, dàt zijn mijn zaken niet; maar dat daargelaten, gelooft gij niet dat Roestink ook zoo wat naar die zijde overhelt.... dat treft wel goed samen, zijne vrouw altijd naar de laatste mode, en hij...." »Ook naar de laatste mode, melieve! Ziet gij, de jongelui moeten nu weer eens een anderen weg uitgaan; wij oudjes scheppen pas adem van den goeden tijd, toen »men zijn naaste van den oever drong om een punt," zooals Vondel zegt, zij, die het juk nooit gedragen hebben, achten de palen te wijd gezet en de teugels los te hangen, omdat de toom niet knelt; zoodat het mij inderdaad niet verwonderen zou, als collega Roestink mee het oude enge padje op wilde, en zich wat naar die zijde liet heentrekken, maar toch al te ver ook weer niet, daar ben ik niet bang voor; hij heeft goed gestudeerd, heeft hart voor zijn ambt, heeft ambitie, gaven die hem verder zullen brengen, en daarenboven gezond verstand genoeg om te begrijpen, dat zulk een weg niet leidt tot een goed beroep of een professoraat." »Wat, hij profester, hij! Heb je zulke hooge gedachten van hem?" vroeg juffrouw Willems wat verslagen. »Ja, Sanne, zeker! En wat meer is, ik wensch van harte, dat hij het niet ontloopen mag." »Gij gelooft dus niet, dat hij met opzet de jongelui van je leering aftrekt?" »Wel zeker niet. Zou ik kwaad van mijne naasten gaan denken zonder aanleiding? En wat zou Roestink er aan hebben, om mij een paar botterikken af te troonen, hij heeft er voorwaar zelf genoeg!" »En gij zijt er een levenmaker mee kwijt, dat is ook waar!" zei de juffrouw voldaan en zelfs eenigszins overweldigd door dominé's uitvoerige explicatie. »Zeg liever een gluipert; de schalken, de woelwaters, dat zijn Bram Duinstee en Frits Millioen! Och foei, daar betrap ik mij zelven weer op dien hatelijken bijnaam! Arme jongen, goed dat hij mij niet hoort, je weet wel, Frits, de zoon van de weduwe Rosemeijer, die twee zijn de belhamels van alle standjes, die er op de catechisatie voorvallen; maar het zijn tegelijk de vlugste en aardigste jongens die ik ken." »Je moest toch zien er wat orde onder te houden, dominé!" hernam de juffrouw met een afkeurend hoofdschudden. »Hooren en zien vergaat me als die wilde troep uit en instormt." »Wat zal ik u zeggen, Santje-lief; ik kan er toch niet met de plak onder spelen, ik ben zelf ook jong geweest, en.... mits ze maar stil zijn onder 't gebed en aandachtig luisteren als ik spreek, dan laat ik ze liefst maar geworden; men moet wat door de vingers zien." »Gij zijt al te goed! De ouders van de fatsoenlijke meisjes klagen...." »Zij mogen zwijgen. De juffertjes zijn de wildsten en onregeerbaarsten, zij dralen opzettelijk met heengaan, om zich door de jongens te laten overvallen.... ik ben er zeker van, dat zij het zelven zijn, die door haar geginnegap tot stoeien en mallen uitlokken. Lees er vader Cats maar eens over na." »Ik zeg 't is een last," zuchtte Susanne, slechts ten halve overtuigd, dat dominé de wijste partij koos, met zich niet tegen de wanordelijkheden te verzetten. »Het beste er van is, dat we met aannemen nogal mooie cadeautjes krijgen, anders ware 't niet om uit te houden." »Vrouwlief willen we danken! Ik verlang naar mijne pijp!" viel dominé in, niet zonder heimelijke ergernis over de inhaligheid zijner ega. Toen aan die noodiging was gehoor gegeven, en oude Antje de tafel had afgenomen, gaf de goede Willems zich over aan de weergalooze sensatie, die bij het opblazen van blauwe rookwolkjes wordt gesmaakt; terwijl hij het hoofd een weinig achterwaarts liet vallen in zijn hoogen gemakkelijken leuningstoel, en zeker niet zonder de stille neiging om al rookende in te dommelen, had de juffrouw haar breiwerk genomen en ging voor het raam zitten, de gordijntjes een half ruitje openschuivende, om te zien wat er bij de overburen omging, en wie er zoo al de straat passeerde, zoolang de schemering van den Septembernamiddag haar dat onschuldig genot vergunnen zou. Tegelijk scheen ze nog niet willens manlief de rust te laten, die hij kennelijk zocht; want op eens wendde zij het hoofd naar hem toe, zeggende: »Heden dominé, daar valt me iets in, waarom hebt gij die groote teekening weggenomen uit de catechisatiekamer? Ik dacht, dat je daar zooveel mee op hadt?" »Weggenomen! de teekening? Wat voor teekening, droom ik of zijt gij in den dut, Sanne?" vroeg Willems, blijkbaar wat korzel over de stoornis. »Ik ben klaar wakker, maar gij droomt zelf of, 't is je vergeten, je hebt haar zeker weggegeven." »Ik! Ik zou _die_ teekening weggegeven hebben," riep Willems opgeschrikt en nu volkomen helder het hoofd opheffende met flikkerende oogen: »die teekening, de best geslaagde die ik ooit heb gemaakt, je meent immers die van de kinderzegening?" »Precies, die achter je stoel placht te hangen in de catechisatiekamer." »"_Placht_ te hangen!.... Wat bedoel je daarmee?" »Dat zij er nu _niet_ meer hangt, dát bedoel ik," herhaalde Sanne wat knorrig, dat ze niet op hare eerste verzekering werd geloofd. »Och, kom, dat's onmogelijk, gij zult verkeerd gezien hebben, zij _moet_ er hangen. Ik heb er van ochtend de meisjes nog op gewezen, om het Evangelisch verhaal voor haar aanschouwelijk te maken." »Dat spreek ik niet tegen, maar toen _ik_ met vrouw Snibs in de catechisatiekamer was, viel _mijn_ oog op de ledige ruimte." »Dat is me onbegrijpelijk, dat moet ik onderzoeken," riep Willems driftig oprijzende en alles behalve slaperig, toen hij zijne vrouw voorbijstoof, om dat onderzoek in te stellen. Zij volgde hem bedaard, maar toch zeer nieuwsgierig naar de uitkomst van dat onderzoek, minder omdat zij aan die teekening hechtte dan wel omdat zij hare getuigenis niet tot leugen, haar scherpzienden blik niet tot schande wilde gemaakt zien! IV. De catechisatiekamer van dominé Willems was een ruim vertrek, laag van verdieping en op eene binnenplaats uitziende door een enkel breed raam met de kleine ruiten van dien tijd. Zeker had de oorspronkelijke bouwheer het niet tot zulk gebruik bestemd, want de deur zoowel als de lambriseering, hoewel nu bijna verveloos, droeg nog sporen van rijk verguldsel; de marmeren schoorsteen was met beeldhouwwerk opgeluisterd, en moest voorheen met een spiegel of een schilderstuk geprijkt hebben, dat er echter uitgebroken was, zonder dat de lacune was aangevuld door iets beters dan de kalklagen, die er met iederen schoonmaak door den witkwast op werden neergelegd. Dominé Willems had van de ruimte gebruik gemaakt, om eene groote kaart van het Joodsche land te plaatsen, die de armelijke naaktheid ten deele vermomde. De wanden, in vakken afgedeeld, bevestigden sterk het vermoeden, dat het vertrek eenmaal een dier mysterieuse pronkkamers was geweest, waarin de heer des huizes zelf niet dan bij plechtige gelegenheden den ongewijden voet mocht zetten. Zij waren met een donkerbruin goudleder behangsel overdekt, hetwelk echter reeds jarenlang aan het vandalisme der moedwillige jeugd prijsgegeven, in zóó vervallen staat verkeerde, dat het zware leer hier en daar met grove spijkers was vastgehecht en overigens de scheuren en reten niet meer stoppens waard waren geacht, waarom dominé zelf er dan ook geen bezwaar in had gezien, om er overal waar hij goed vond, krammetjes en haakjes in te steken, die de platen en teekeningen moesten dragen, door hem deels ter verduidelijking van zijn onderwijs, deels uit _vanité d'artiste_ op dit, zijn onbetwist gebied, tentoongesteld. Zijne eerste veronderstelling was dus, dat de teekening in kwestie door een toeval van het haakje geraakt, naar beneden was gegleden en op den grond zou gevonden worden. De studeerlamp werd opgestoken, maar een nauwlettend onderzoek liet hem geene de minste hoop. Zijne »huisvrouw" stond hem met loffelijken ijver ter zijde, doorsnuffelde alle hoeken, ging met den lynxen blik ter aarde gewend banken en stoelen door, vond de bladen van een verscheurd vragenboek, twee grifjes, een eindje lint en drie spelden, en toonde die buit haar echtgenoot met triomfeerenden blik, als bewijzen harer accuratesse; maar van de teekening geen spoor. Het onderzoek moest worden opgegeven; nog ééne hoop: Antje werd geroepen en ondervraagd. »Heere mijn tijd! De mooie groote prent weg, wel, dat's een geval, neen, zij wist er niets niemendal van; maar zou soms de poes....?" De poes is in elk welgeregeld huisgezin de natuurlijke drager van iedere mysterieuse wandaad, en de goede sloof wier domheid alleen met hare getrouwheid te vergelijken was, greep in hare onmacht om iets beters uit te vinden dit gewone redmiddel aan. »Och, wat zou de poes!" zei de juffrouw half knorrend, half lachend, terwijl dominé in zijne verslagenheid stokstijf naar de ledige plaats stond te kijken, alsof hij op eene verschijning hoopte. »Dan moet ie met handen zijn weggenomen!" riep Antje, de hare in de zijde zettende als protest harer onschuld. »Dat zeg ik ook!" stemde juffrouw Willems bij, »dat hebben de kwajongens van de catechisatie gedaan." »Waarom deze? Wat zouden zij er aan hebben!" vergoelijkte dominé, die niet licht een kwaad vermoeden vatte. »Misschien alleen voor aardigheid, om u eene poets te spelen. Ze zijn zoo ondeugend, wie weet of niet die Piet Snibs...." »Piet Snibs! zoo één, dan hij!" verzuchtte dominé, misnoegd op zich zelf, dat hij de verdenking plaats gaf. »En nou dominé het zegt, schiet me te binnen," zei Antje, »dat ik Piet van ochtend met de jongeheeren Bram en Frits door de gang heb zien komen, onder elkaar pruttelend en mompelend." »En droeg hij dan een rol of zoo iets?" vroeg dominé gescherpt. »Misschien in zijn zak; maar.... niet dat ik het gezien heb, dominé! dan zou ik het zeggen." »Ga maar aan je werk, Antje! gij zult ons toch niet op het spoor helpen," beet Willems haar toe, scherp van teleurstelling, en liet zich mistroostig op zijn stoel neervallen, als kon hij niet besluiten van de plek weg te gaan. »Kom, Hendrik, kom!" sprak juffrouw Willems, uit hartelijkheid zijn doopnaam gebruikende, »maak je daar toch zoo naar niet over, zij komt zeker wel weer terecht, en al gebeurde dat niet, 't is immers geen groot verlies." »Geen groot verlies, Sanne! geen groot verlies! Gij hebt goed praten, ik.... ik was liever honderd gulden kwijt, dan de teekening." »Wat zeg je, dominé!" en de juffrouw spalkte groote oogen op en veranderde van kleur. »Heeft zoo'n ding waarde?" »Voor u zeker niet, Sanne! maar.... voor mij! Het is de beste die ik ooit heb gemaakt; het was in dien tijd toen ik nog alleen leefde in mijne pastorie; ik schetste haar, ik werkte haar af in dien koepel aan de vaart." »O! daar we later den mangel gezet hebben." »Juist! voor de wasch moest ik wijken," hernam hij niet zonder een pijnlijk glimlachje. »Gij hadt u waarlijk niet te beklagen; het was er koud en vochtig, en uwe mooie studeerkamer, met de groote noteboomen voor de ramen...." »Was mij aangenaam, Sanne! Ik kan niet anders zeggen; maar zóóals ik aan die teekening werkte, heb ik het nooit weer gedaan; met lust, met liefde, met geloof aan mij zelven, met geestdrift, geestdrift!" herhaalde hij met bitterheid, »het woord is me ontvallen, de zaak is mij vreemd geworden," maar, terwijl hij gesproken had, lichtte er een glans uit zijne oogen, die wel bewees dat hij voormaals van bezieling had kunnen gloeien, al was die vlamme nu gedoofd. »Mij dunkt gij doet tegenwoordig toch ook nogal eens wat aan de liefhebberij." »O, ja! maar...." »Wel. dan moest gij diezelfde teekening nog weer eens maken, dan heb je haar terug, zonder dat het je om zoo te spreken iets kost." »Beste vrouw!" Willems drukte haar de hand met tranen in de oogen en met een pijnlijken glimlach om den mond. »Beste vrouw! gij meent het goed, maar ziet gij, er is wat ik je moeielijk duidelijk kan maken, er is onderscheid tusschen knutselen zoo wat voor pleizier, en.... en datgene wat men inspiratie noemt, dat laatste is iets zeer teers, zeer vluchtigs, dat men aangrijpen en zich ten nutte maken moet op het oogenblik dat het dáár is, waardoor men zich moet laten leiden, waaraan men zich kan overgeven, zoolang het ons wil bijblijven, maar dat ééns vervlogen, niet naar willekeur is op te vangen. Zie, vrouw! er wordt gezegd, dat ieder kunstenaar slechts één meesterstuk levert, waarin hij zich zelf volkomen heeft voldaan; welnu, dat is die teekening voor mij geweest, ik voelde mij kunstenaar, ik had bereikt wat ik wilde, maar nu, nu is dat voorbij, daar liggen meer dan twintig jaren tusschen, twintig jaar van ambts- en huwelijksleven! en.... en.... wat ik toen nog was, ben ik nu niet meer." »Kom, kom, vat moed! als gij het nu niet zoo goed meer kunt, zou dan de teekenmeester het niet voor je kunnen doen, als je hem zegt wát het wezen moet. Krimpelman moet zeer knap zijn, naar ik hoor," hernam Sanne meewarig over een leed, dat zij zelf niet voelde, maar zij hield van haar man, al toonde zij het op hare wijze. »De teekenmeester! neen, dank-je kind!" Willems schudde even droevig het hoofd, maar toch stond hij op, nam zijne vrouw onder den arm en zoo gingen ze naar de huiskamer terug, waar het theegoed intusschen door de zorgzame Antje was klaar gezet, en het kokende water gezellig pruttelde en stoomde. Juffrouw Willems stak de beide vieren aan, die op verlakte kandelaars prijkend, al walmend en weinig lichtgevend zouden wegteren, maar waskaarsen waren te duur, en tot de nieuwe engelsche lampen was juffrouw Willems nog niet overgegaan. Sanne zette de thee en zag eens ter sluik naar Willems, die tegenover haar had plaats genomen, maar die zijne pijp liggen liet, en zwijgend het hoofd in de hand liet rusten, in verdrietelijk gepeins verzonken. »Kom, dominé!" sprak ze, »verzet u wat, stop eens, en kijk de Vaderlandsche Letteroefening eens in, die pas gekomen is; wie weet of er geen mooi vers van Tollens in staat, of van die grappige _recensies tegen_ dien ouden grompot Bulderbast, zooals ze hem altijd noemen, dat zal je afleiding geven." »Ik waardeer uw goed hart, Sanne! maar.... ik kan er zoo nog niet overheen komen, ik denk me suf over mogelijkheden, waarschijnlijk en onwaarschijnlijk gaat me door het hoofd." »Mijn hemel! er is toch geen schat verloren; maar als ge het u zoo aantrekt, dan moet je onderzoeken, dan moet je er spoedig werk van maken." »Dat zal ik ook, dan.... het ergste hoe en waar dat onderzoek aan te vangen." »Wel, je hebt immers reden om te gelooven, dat de zoon van vrouw Snibs het gedaan heeft." »De verdenking is bij mij opgekomen, dat is waar, vooreerst omdat Piet er altijd met zijne strakke, domme oogen naar zit te kijken, als hij zijne vragen niet kent, en dan ook omdat zijne moeder eens toen ik zekere antieke curiositeit uit haar winkel begeerde, een ruil voorsloeg met mijne teekening; zij zou die in eene lijst zetten en meende dan er wel een kooper voor te vinden." »Daar hebben we het al! mij dunkt, dan is het klaar als de dag; boos over de weigering zal ze haar jongen er toe opgezet hebben, en nu hij toch voor 't laatst bij je was, kon de gluipert het licht uitvoeren." »Neen, waarlijk _niet_ licht, het is me zelfs onbegrijpelijk hoe hij het zou kunnen gedaan hebben." »Dat zal wel uitkomen; in uw geval ging ik op staanden voet naar vrouw Snibs, en als ze ontkende, dreigde ik met de politie." »Dank-je wel, men komt iemand zoo maar niet vragen of hij een dief is." »Wel! Gij mist iets uit uwe catechisatiekamer; is het vreemd, dat gij bij uwe leerlingen komt informeeren?" »Neen! maar juist bij dezen! lieden van de mindere klasse, ze zouden het er voor houden, dat ik het uit piquanterie deed, omdat ze Piet van mij hebben weggenomen, en ik wil allen schijn daarvan vermijden tegenover Roestink." »Ja, als gij zoo bang zijt, om de lieden boos te maken, dan weet ik er ook geen raad op; ik voor mij als ik een zilveren lepel of vork miste, zou zooveel omstandigheden niet maken, maar het der justitie aangeven met de vermoedens er bij." »Nooit met mijn wil, Sanne!" viel Willems in met zonderlinge vastheid. »Ik zou een armen drommel niet ongelukkig willen maken om een stuk zilver of een voorwerp van mijne liefhebberij." »Maar.... gij kunt het er niet bij laten zitten." »Dat zal ik ook niet," hernam hij, zijne pijp neerleggende, en zijn kopje thee uitdrinkende, »ik zal eens een visite maken bij den ouden heer Duinstee, om te hooren of zijn zoon Bram er wat van weet, en dan eens naar Frits gaan, die is nogal slim en zal me mogelijk op het spoor helpen, die twee zijn volgens het getuigenis van Antje met Piet Snibs heengegaan." »Wel, probeer dat dan, zoo doe je toch iets, en als je _eens_ zekerheid hebt...." »O! als ik zekerheid heb, dan durf ik vrouw Snibs wel staan, en dan zal ik het er bij Piet ook wel uit krijgen," hernam Willems verruimd, stond op, nam zijn hoed, groette zijne vrouw en ging uit. De studie voor de avond preek was geheel op den achtergrond geraakt. V. Juffrouw Willems had nauwelijks een paar toeren gebreid sinds haar man was uitgegaan of Antje trad binnen met de gedienstige vraag: »of de juffrouw ook nog melk bliefde, of de juffrouw ook een kooltje wilde?" eigenlijk slechts de inleiding tot een praatje, waartoe de juffrouw niet ongenegen was zich te leenen, in absentie van haar man en bij extra-ordinaire voorvallen in haar over het algemeen zoo onbeduidend huiselijk leven; de diplomatie van Antje bracht haar dan ook tot het gewenschte doel. Hare meesteres antwoordde op de voorkomende aanbiedingen op een toon die de oude getrouwe vrijheid gaf om te zeggen: »Lieve deugd, juffrouw! wat was de dominé ontdaan over dat geval met die prent, maar eens van mijn leven heb ik hem zoo gezien, het was op dien avond toen de juffrouw in de _verwachting_ was en toen het misliep." »Och Antje, spreek me daar niet van, ik ben blij dat ik geen kinderen heb, mijn man zou ze bederven, hij is te goed, veel te goed; verbeeld je, hij houdt het er voor dat die ondeugende Piet het gedaan heeft, en hij wil er toch niet naar toe om dat brutale wijf de les te lezen." »Ja! de man is doodgoed, 't is zonde en schande zooals die kwajongens hem plagen en toch altijd blijft hij bedaard, maar dat hij driftig kan worden heb ik vandaag gezien, ik miszei er toch niets aan en hij keek mij aan of er vuur uit zijn oogen schoot,--die liefhebberij! die liefhebberij! die weet wat!" »Als ik kon zou ik er zelve heengegaan zijn, want ik houd het er voor dat ze hem daar hebben bij die Snibs." »De prent, juffrouw?" De juffrouw knikte van ja. »Neen, de juffrouw kan zelvers niet gaan, maar als ik er nu eens kwansuis om een boodschap ging en zoo eens een praatje maakte?" »Wel Antje, die inval is zoo kwaad niet, dat moest je maar doen.... wij hebben dat volk niet te ontzien. Ze doet haar jongen op de leering bij Roestink! Is het geen schande?" »Of het schande is!" riep Antje met een gloed van verontwaardiging, waarbij haar roode wangen zich paars kleurden, »bij zoo'n jongen spring-in-'t-veld die hier pas komt kijken en die zoo'n wereldsche vrouw heeft...." »Ja, Antje, ja! dat mag je wel zeggen, mensch!" hernam de juffrouw hoofdschuddend, »is dat een opschik, als ik met haar uit de kerk kom en naast haar loop met mijn zwart zijden japon aan, mijn grijs satijnen hoed en mijn gepalmden doek, ben ik een burgervrouwtje bij haar die wel eene barones lijkt." »Gelukkig is de juffrouw al twintig jaren in de gemeente bekend, en al gaat mevrouw een sjaal dragen...." »Een sjaal, Antje! Neen, dat zal laster zijn, ik kan niet gelooven dat ze zoo verregaand ijdel zal zijn,--een sjaal, die draagt hier niemand anders dan de douairière van Klingelberg; de vrouw van den Burgemeester doet het nog met een doek!" »Daar geeft zij niet om, ze zal van de herfst een sjaal dragen, ik heb het voor zeker van haar meid gehoord, want zij heeft er een present gekregen van haar oom in den Haag, zoo'n rijk heer daar ze van erven moet." »'t Is voorwaar fraai, dat een dominésvrouw hier de Haagsche modes zal invoeren." »Ja, ja, juffrouw! 't is ergerlijk voor de gemeente, en was dàt nog het eenige, maar zij speelt alle dagen op het klavier tot Zondags toe." »Nu ja, zeker een psalm of een gezang?" vroeg juffrouw Willems met een gezicht of zij tegenspraak wenschte. »Neen, neen, juffrouw! Wereldsche liedjes, Fransche en Duitsche. De meid kan er, als vanzelf spreekt, geen woord van verstaan, maar die zegt dat ze den heelen slag van Waterloo op het klavier kan nadoen!" »Zwijg, mensch! De slag van Waterloo! Ik word er koud van als ik er om denk, ik heb er een neef in verloren." »Zij zeker niet; anders zou zij er geen grapje van maken." »En de dominé wil voor vromer doorgaan dan mijn man; hoe kan die dat dan toelaten." »Och hij!"--Een harde ruk aan de bel dwong Antje hare phrase af te breken, die zoo veelbelovend aanving. Met zekeren onwil, daar het praatje voor goed kon gestoord zijn, ging zij langzaam ter kamer uit en haastte zich niet al te zeer met opendoen, maar toen zij ten laatste daartoe gekomen was, had zij de deur bijna weer toegeslagen met eene beweging van schrik, die zij nauwelijks beheerschen kon: dominé Roestink stond voor haar in eigen persoon. Niet dat zijne verschijning in dit huis juist zulk eene zeldzaamheid was om zoo groot opzien te wekken, maar dat de man in kwestie daar op eens voor haar stond, dat hij haar als het ware _en flagrant délit_ betrapte, terwijl zij bezig was hem en de zijnen eens frisch uit te luchten, dat bracht het oudje wel wat in de war. Hare consciëntie sprak haar niet vrij, al zou zij mogelijk de eerste zijn geweest om te ontkennen dat zulke _commé-rage_ zonde zou zijn, zij voelde zich lang niet op haar gemak, en toen Roestink vroeg of haar meester te spreken was, stotterde zij het ontkennend antwoord en voegde er als vergoelijkend bij: »Maar de juffrouw wel, wil mijnheer niet binnenkomen?" »Nu dan eventjes als ik geen belet doe." En reeds trad hij de kamer binnen, in één adem door Antje aangemeld en toegelaten. Hij groette vriendelijk, maar zonder gemeenzaamheid. Zij antwoordde de begroeting deftig en zelfs wat stijf en kregel, maar er school toch verlegenheid onder die koele houding. Roestink zelf was juist de man niet om zich door zulke ontvangst te laten intimideeren, evenmin om er zich aan te ergeren. Hij nam de plaats in die zij hem wees, accepteerde het kopje thee dat zij hem _du bout des lèvres_ aanbood, met de verontschuldiging: »dat het reeds wat slap was, maar.... zij zou versche zetten," een aanbod dat hij afweerde door de geruststellende verzekering, dat hij ze liefst wat slap dronk, verzuimde niet de verplichte informatie naar haar welstand, hetgeen zij hem vergold met op hare beurt te vragen of de juffrouw--zij vroeg excuus voor de vergissing zij had mevrouw willen zeggen--of mevrouw wel was?" »Mevrouw of juffrouw, zooals _u_ het liefste is," hernam hij koeltjes, »wij hechten niet aan het praedicaat; mijne vrouw heeft het heel wel, zij houdt zich goed in de Hollandsche lucht, ofschoon eene Geldersche van geboorte." »En van adellijke afkomst niet waar?" »Zoo is 't, dan verschoon mij zoo ik ter zake kom. Ik hoopte collega Willems te vinden, nu dat anders treft, moet ik zoo vrij zijn u om een paar inlichtingen lastig te vallen." Juffrouw Willems, in 't eerst eenigszins ontdaan plotseling den man voor zich te zien tegen wien zij innerlijk met bitterheid was vervuld, was later--over die eerste emotie heengekomen--in haar schik eens met hem samen te zijn zonder haar echtgenoot om eens terdege hare grieven te kunnen luchten, en reeds beschouwde zij Roestink met zeker welbehagen als hare zekere prooi; doch er was iets in het beleefd, maar koel en kort afweren van hare aanvallen, dat haar waarschuwde niet al te vast op de zegepraal te rekenen. Willems had het haar meer dan eens gezegd dat hij geen alledaagsch man was, zij had het nooit zóó diep gevoeld, zóó goed begrepen als op het oogenblik zelf, waarop ze meende hem in hare macht te hebben. Inderdaad toen Antje met zooveel _sans gêne_ van hem sprak als van een jeugdigen spring-in-'t-veld, had zij zeker meer het oog op zijn verschil van leeftijd met Willems, dan op zijne persoonlijkheid. Hoewel hij zeker de dertig nog niet had bereikt, gaf hij volstrekt niet den indruk van »groote jeugd," allerminst van jeugdige lustigheid. Het is waar, zijn gelaat had iets fijns en teers dat op vol rijpen leeftijd verloren gaat, maar zijne trekken waren zoo sterk sprekend en zoo vol uitdrukking, dat men bij eenige opmerkingsgave terstond een _karakter_ zag in deze physionomie. Geen frisch jeugdig blosje kleurde de geelbleeke tint. Om het breede beenige voorhoofd viel het zware gitzwarte haar eenigszins ongeordend neer; als het hinderde werd het door den eigenaar maar een weinig ter zijde geschoven _et voilà tout_. Het was hem aan te zien dat hij zich niet lang met zijn toilet bezighield, en er zich niet veel over bekommerde, want zelfs het stijve dominés-pak van het tijdperk hing hem een weinig achteloos om de leden, de verplichte witte das was maar even om den hals geknoopt, het zwartlakensche vest viel open en de rok was van iets vrijzinniger snit dan de echte gekleede, die eeniglijk als preekrok was toegelaten. Tot de pantalon had hij zich echter niet geëmancipeerd en het spreekt vanzelve dat hij den driekanten hoed droeg zonder welken hij door de gemeente niet als haar herder en leeraar werd erkend; dan, wat spreken wij van zijn kostuum, als men hem in de ernstige, schrandere oogen had gezien, vergat men dit ondergeschikte punt, zooals hij het vergat. Juffrouw Willems onderging haars ondanks den indruk van hun blik toen zij antwoordde: »Als de inlichtingen die u verlangt door mij zijn te geven, want ik ben slechts eene eenvoudige dominésvrouw weet u, die maar zoo stilletjes in mijn eigen huis voortleeft en die niet veel hoor of zie, buiten mijne huiselijke zaken om." »Met zooveel te meer gerustheid kan ik mij tot u wenden, daar dit mij in de veronderstelling bevestigt, dat gij niet onkundig zult zijn van 't geen er in uw huis voorvalt, zelfs niet van 't geen er voorvalt in de catechisatiekamer. Willems zal voor u wel eens zijn hart uitstorten over de eigenaardige bezwaren van die belangrijke, maar soms zeer verdrietelijke taak, die ons opgelegd is bij het godsdienstig onderwijs." Hij zelf raakte nu de _question brûlante_! Juffrouw Willems had diplomatie genoeg _pour voir venir_. »Ja, dominé Roestink! ja, ik hoor daar meer van dan mij lief is, dat verzeker ik u." »Zoo zult gij ook wel vernomen hebben, dat zekere Pieter Snibs voor goed van de leering is verwijderd?" »Hm ja... daar is ten minste genoeg voorgevallen met die vrouw Snibs en haar zoon om...." »Dat vreesde ik wel; het is waar, _zij_ stellen het zoo niet voor, maar de manier van spreken dier vrouw, een mengsel van gestempeld vrome uitspraken en lompe vinnigheden, beviel mij niet...." »Hé! dát verwondert mij," riep juffrouw Willems met ongeveinsde verbazing, »ik dacht dat...." »Dat wát?" viel hij in, haar vragend aanziende, veeleer met verwondering in den toon dan met gekrenktheid. »Dat u met die soort van lieden nogal op hadt," antwoordde juffrouw Willems eenigszins gejaagd, de verlokking om de innerlijke verbittering eens naar buiten te doen komen, was te sterk voor hare bedachtzaamheid. »Mag ik vragen op wat grond die onderstelling rust?" hernam hij, kennelijk met zelfbedwang, terwijl hij de schitterende zwarte oogen uitvorschend op haar vestigde, hetgeen ten gevolge had dat zij, de hare wat onrustig liet afdwalen, zij voelde dat zij eene onvoorzichtigheid had begaan, dat zij zich gewaagd had op glad ijs, en gevaar liep bij den eersten voetstap den besten uit te glijden, maar nu de attaque eens had plaats gevonden, zou het flauwheid zijn geweest terug te trekken zonder slag te leveren, en welke deugd juffrouw Willems ook missen mocht, lafhartigheid was haar gebrek niet. »Vrouw Snibs zelve verkeerde in die meening," ving zij aan. »Zij vond mijn man niet knap, niet vroom genoeg om haar zoon lidmaat te maken en daarom zou ze hem bij Dr. Roestink doen, _die_ had er slag van, _die_ had het ware licht.... en daaruit besloot ik dat Zijn Wel-Eerwaarde dit _licht_ ook voor haar en haars gelijken had laten schijnen op zulke wijze, die mijn man en zijne prediking voor hen in de schaduw stelt." »Het komt mij voor, juffrouw Willems! dat gij ditmaal zoomin met uwe gewone bedachtzaamheid als met de christelijke liefde zijt te rade gegaan; beide moesten u verhinderd hebben zoodanige gevolgtrekking te maken uit de praatjes van eene vrouw Snibs, wier voorstelling van hare betrekking op mij even onjuist schijnt geweest te zijn als de uwe van de wijze, waarop haar zoon van de catechisatie is geraakt; ik meende hem verdreven door uw echtgenoot om eenig wangedrag, terwijl het mij nu duidelijk wordt dat vrouw Snibs uit eigen beweging tot die verandering is overgegaan; zoo deed ik haar onrecht met mijne verdenking; een onrecht, waarin gij mij, verschoon de oprechtheid, met zwijgende toestemming hebt versterkt." »Omdat ik erger dan dat had te zeggen; mijn man heeft dien ondeugenden jongen, die nog daarenboven een domoor is, niet weggejaagd, dat is waar, maar hij zou hem nu niet weer terug willen hebben, omdat daarna de kwade streek is uitgekomen dien hij ons gespeeld heeft, en die denkelijk de ware reden is waarom zijne moeder hem niet weer naar de leering durft zenden, meer nog, zooals ik na uwe eigene getuigenis wel wil aannemen, dan het ware licht dat zij voorgeeft bij u te zoeken. »Op dit laatste punt verzoek ik nader gehoord te worden, nu zijt gij mij schuldig u duidelijk te verklaren, waarin het vergrijp van Pieter heeft bestaan." Daar vond juffrouw Willems natuurlijk geen bezwaar in. Zij verhaalde het gebeurde of liever hetgeen door haar ondersteld werd gebeurd te zijn op hare wijze, alle bezwaarpunten tegen Piet Snibs uitvoerig optellende, en de mogelijkheid dat zij van een verkeerd gezichtspunt uitging en dat de aangeklaagde onschuldig kon zijn, niet eens ruimte latende. Roestink doorzag die leemte in haar _verdict_ hoewel het hem dies ondanks bezwarend genoeg voorkwam. »Dankbaar voor de inlichting, beloof ik u er mijne winst mee te doen en ik zal niet rusten voor ik die zaak tot helderheid heb gebracht." »Nu, daar zult u wèl aan doen, dominé! want mijn man zou het er niet uit krijgen, daar ben ik zeker van; hij is veel te goed, en het zou mij zelfs verwonderen als het _u_ gelukte. Zulk volk is zoo hardnekkig in 't ontkennen, en hoe klaarder de bewijzen tegen hen spreken, des te brutaler zijn zij in 't loochenen. Gij zult mogelijk nog wel moeten eindigen met de justitie in te roepen." »Zeker neen!" viel Roestink in met levendigheid. »Als wij in ons ambt niet genoeg hebben aan zedelijken invloed en overwicht en ons tot het wereldsch gezag moeten keeren om hulpe, ware 't beter mantel en bef aan den kapstok te hangen en dienst te nemen bij het staande leger om nog tot iets nut te zijn!" Juffrouw Willems zag hem aan met een twijfelachtigen blik. Zij wist niet recht of zij hier om eene aardigheid moest lachen, dan wel terugslag moest geven op een zoogenaamden »steek onder water." Roestink, hetzij hij die aarzeling raadde of niet, ontsloeg haar van een antwoord, daar hij vervolgde: »In vollen ernst, juffrouw Willems! wees er gerust op, dat ik Piet Snibs tot volledige bekentenis zal brengen, ik maak daarvan de voorwaarde zijner opname onder mijne leerlingen." »Hoe! zult gij den kwajongen dan toch op uwe leering nemen als hij zijn diefstal bekend heeft?" »Ik zie niet in hoe ik het zou kunnen laten. Wie zijne schuld belijdt, is licht tot boete gezind, tot berouw te brengen, en ik zou al een heel slecht herder moeten zijn, om onder zulke omstandigheden een verdoold lam de woestijn in te drijven, door de deur van den stal voor hetzelve te sluiten. Collega Willems zou hetzelfde doen, ik ben er zeker van, indien Piet na bekentenis tot hem weerkeerde." »'t Is wel mogelijk, dat mijn man zoo zwak zou wezen, maar wat mij aangaat, ik zou er mij tegen verzetten oneerlijk volk in mijn huis toe te laten," viel juffrouw Willems uit, met eene heftigheid, die hij alleen bekampte door haar zeer laconiek toe te voegen: »Ik heb alle hoop, dat de verzoeking om u tegen de intentiën van uw echtgenoot te verzetten, u in dezen zal gespaard worden, daar het besluit der moeder, die mogelijk van alles onkundig is, het onderstelde vergrijp van haar zoon is voorafgegaan." »Zoo blijkt het dan toch wel, dat diergelijke lieden, die uit waanwijsheid of.... door opstokerij van mijn man afkeerig zijn geworden, weten bij wien zij heil en toevlucht kunnen vinden, al nam dominé Roestink mij dat beweren straks zoo kwalijk." »Ik nam niets kwalijk, juffrouw Willems, ik vroeg alleen opheldering, want het kwam mij voor, dat hier misverstand plaats vond, zoowel van mijn karakter in 't algemeen, als van mijne handelwijze in dit bijzonder geval." »Misverstand, dominé Roestink! ik geloof niet dat ik vrouw Snibs heb misverstaan, toen zij over mijn man klaagde alsof hij het ware licht niet had, en de gezonde leer verdraaide, ja, verduisterde; ik vraag u, kan dát mensch uit haar zelve op zoo'n inval komen, als anderen het haar niet hebben voorgezegd." »Zonder in dezen de advocaat te willen zijn van vrouw Snibs, die wellicht slechts napraat wat haar door anderen is voorgehouden, moet ik u echter vragen of gij niet gelooft, dat er ook bij de minst beschaafden zekere geestelijke zin kan bestaan, die hen inlicht en tot de onderkenning brengt van waarheid of onwaarheid?" »Ik geloof, dat juist zulk slag van volk zich het meeste zoo iets inbeeldt, en als ze dan nog in dien eigenwaan versterkt worden door een collega!" »Ik zie wel, juffrouw Willems!" viel Roestink in, kalm maar strak, »dat ik met u niet kan redetwisten op dit punt. Het eenige wat ik u dus wil zeggen is dit, dat het mij zeer ter harte zou gaan, zoo uw echtgenoot, mijn goede vriend en collega, zulke verdenking tegen mij opvatte, en ik verzoek u ernstig de goede verstandhouding tusschen hem en mij niet te verstoren door hem _uwe_ opvatting als de juiste op te dringen, gij zoudt noch hem, noch mij een dienst bewijzen met zulke stoornis." »Wel, ik ben geene twiststookster, dominé, dat zij verre, maar hoe kan ik aan uwe vredelievendheid gelooven, als gij die niet door daden toont, als gij u niet voorneemt vrouw Snibs en haars gelijken, die over mijn man komen klagen, met passende vermaning af te wijzen in plaats van ze in 't gelijk te stellen door ze liefderijk te ontvangen." »Luister, mejuffrouw! Hoe smartelijk het mij ook vallen zou door wie ook van kwade praktijken en onedele intentiën verdacht te worden, kan ik dàt bewijs mijner vriendschappelijke gevoelens niet geven. Ik mag niet afstooten wat tot mij komt met een heilbegeerig gemoed, zij het dan ook met onjuiste begrippen!" »Zoo kwaadspreken van een medebroeder bij u voor heilbegeerte doorgaat, zult gij u zeker bij velen aangenaam maken," voegde juffrouw Willems hem met bitsheid toe. »In kwaadspreken of kwaaddenken van wie ook zal ik niemand sterken, maar wie als dienaar van 't Evangelie getrouw wil zijn, mag de rookende vlaswiek niet uitblusschen, omdat zij wat walm geeft, behoort veeleer de vonk aan te wakkeren tot eene vroolijke heldere vlam, die verlicht en warmte verspreidt, en dus hoop ik te doen met 's Heeren hulp en welbehagen, zij het onder goed gerucht of kwaad gerucht!" »Ja, gerucht zal er wel van komen, daar twijfel ik niet aan. Als die drijvers en overdrijvers zich gesterkt weten door een man als dokter Roestink, zal de misnoegdheid groeien en de verwaandheid stijgen, en dan zullen we weer die liefelijke dagen krijgen, die ik mij nog uit mijne kindsheid herinner, toen de Voetianen en de Lampsianen en de Coccejanen, groenen als ernstigen, het met elkander te kwaad hadden, om van de Arminianen niet te spreken, daar ze allemaal tegen waren, toen de dominé's zich paars schreeuwden van ijver onder 't preeken tegen hunne collega's." »Ik verzeker u wel, juffrouw Willems, dat ik mij niet »paars zal schreeuwen" tegen uw echtgenoot, al zou het ook zijn dat ik in gevoelen met hem verschilde," zei Roestink even glimlachend, »en ik ben er wel gerust op, dat hij van zijne zijde zulk voornemen niet heeft tegen mij." »Reken niet te vast op zulke voornemens. Als de tweedrachtsfakkel eens is aangestoken verkeeren de lammeren in wolven." »In zulk geval zal het voor ons goed zijn te bedenken, dat wij noch tot lammeren noch tot wolven zijn bestemd, maar tot herders en voorgangers." »Ik zeg u, dominé, als de brand eens uitgeslagen is, dan raken de herders met de kudde mee in 't gedrang tegen wil en dank, en de voorgangers moeten wel hard loopen willen ze niet achteraan komen; gij glimlacht ongeloovig, omdat gij op uw eigen kracht bouwt, en nog niet bij ervaring weet wat kerkrumoer te zeggen is; ik die in eene groote stad mijne kinderjaren heb doorgebracht, weet dat! Gansche gezinnen en families waren er door beroerd; buren en belenden leefden in gestaâge onmoeite, omdat de één dien dominé volgde en de ander genen; mijne eene tante schoof Zondags als zij uit hare kerk kwam de gordijntjes wijd open, om hare zuster te ergeren, die tot de strenge Voetianen behoorde en die open gordijntjes voor sabbatschennis hield. Onder zulk gehaspel ben ik grootgebracht, en wat Willems aangaat, ik heb hem meermalen hooren vertellen, dat zijn oom de beste, vreedzaamste man ter wereld was, maar zich toch genoodzaakt zag iederen Zondag op den stoel vuur en vlam te spuwen tegen zekeren collega, wien hij in 't particulier van ganscher harte de hand had willen drukken, het al omdat zijne partij den man niet zetten mocht en omdat hij zelf niet verdacht wilde wezen van tolerantie! Nu vraag ik u of ik geen gelijk heb met te zeggen, dat, wie zoo'n vuurtje stookt, geen meester kan blijven van den brand." »Zelfs zonder zoodanige pijnlijke ervaring ben ik gereed het laatste volvaardig toe te stemmen, en wat het eerste aangaat, twistvuur aansteken is mijne roeping niet, maar toch zijn er tijden waarin men verzuchten mag: »och! of gij heet of koud waart!" en hoewel het waar is, dat ik nog te jong van jaren ben om mij aan dien gloed, waarvan gij spreekt, verzengd te hebben, de matte onverschilligheid, de uitdooving, die er op gevolgd is, heb ik mede kunnen gadeslaan." »Ja, toen de Franschen in 't land kwamen, was het met die partijschappen gedaan, zoowel als met het oranje schreeuwen en patriotje spelen, de predikanten hadden weinig meer te zeggen en nog minder te eten; die zelf niet wat had, kon geen dominé blijven, dát hebben Willems en ik samen beleefd, des te meer hebben we nu recht ons te verblijden in de betere dagen, die zijn aangebroken, dagen van welvaart en rust, van betamelijke vrijheid en ruimte, die geen losbandigheid kan worden." »U zegt daar iets, dat nog niet bewezen is, velen vreezen het tegenovergestelde." »Dat zijn de misnoegden, de overdrijvers, waarvan wij zooeven spraken; die zouden de oude twisten wel weer willen oprakelen, zij kunnen niet velen, dat vrede en verdraagzaamheid blijven heerschen. U zoudt wél doen hen daartoe te vermanen, zoo het waar is, dat gij invloed op hen hebt en hen ten beste wilt leiden." »Wat zou het baten of ik al tot hen riep: »Vrede! vrede! en geen gevaar!" zoo de innerlijke stem des geestes hen van andere dingen spreekt. Ik acht het beter, het gevaar te erkennen en bijtijds naar de middelen uit te zien om het te ontgaan dan er zelf de oogen voor te sluiten, het te ontveinzen voor anderen, en er ons door te laten overvallen op ongelegen tijd." »Dus uw voornemen is, den vrede te storen om twist te ontgaan!" »Geenszins, wel tot vrede te raden, maar het recht der grieven te erkennen en naar de middelen uit te zien, om ze te herstellen; dus ontgaat men naar mijne meening tirannie zoowel als anarchie, vratige monsters in de Kerk zoowel als in den Staat. U kunt er van oordeelen, sinds gij ze beiden mee hebt beleefd." »En om daaraan te ontkomen zouden vrouw Snibs en haars gelijken hun zin moeten hebben, als ze weer naar 't ouderwetsche heen willen! En een zoo schrander en geleerd man als doctor Roestink gezegd wordt te zijn, zou zich daarnaar gaan schikken! Zou dat geen schande en zonde zijn?" »Zeker wel, als er van schikken en middelen sprake kon wezen om menschen te behagen; maar het is hier de vraag om zielen te winnen en te behouden, daarenboven ben ik het in de hoofdzaak met hen eens, dat het eigenaardig karakter van onze oud gereformeerde kerk niet moet verloren gaan, al zie ik voor mij zelf er geen bezwaar in, dat zij zich verjeugdige met de vormen en het kleed van onzen nieuweren tijd, maar zie ik nu, dat zij dit hulsel voor eene verduistering der waarheid houden, dan werp ik het weg, liever dan deze zwakken te ergeren. Wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen." »Als gij hen zóó te wille zijt, eischen ze ten laatste nog dat gij tot het vragenboek van vader Hellenbroek zult weerkeeren!" »Nu wij Egeling hebben zou dat zeker geen vooruitgang zijn; maar toch.... ondanks al het steile, al het omslachtige, en vooral met het oog op kinderen, het onpractische van dat boek, is er veel in, dat beter behartigd mocht worden dan wij nu doen." »Och, kom, dominé! dat's geen meenens. Ik, die bij eene ouderwetsche grootmoeder ben opgevoed, heb er al het hartige van geproefd, of liever niet geproefd, want ik heb de vragen nooit in mijn hoofd kunnen krijgen en nooit kunnen begrijpen, en ik heb er al mijn leven een tegenzin uit gehouden voor al dat ouderwetsch-orthodoxe in den godsdienst!" »Die uitkomst is niet vreemd, en inderdaad niet aan u te wijten. Ik voor mij heb er kennis mee gemaakt in mijn studententijd, en met vollen vrijen wil, en dat moest natuurlijk van invloed zijn op mijne zienswijze." »Denkt u dan misschien dat Piet Snibs een knap lidmaat zal worden, als hij uit Hellenbroek leert?" »Dat beweer ik volstrekt niet, ik heb zelfs geen plan het te beproeven; ik sprak van 't geschrift alleen naar eigene bevinding en zonder toepassing op anderen, minst op mijne jeugdige leerlingen, en toch zou het kunnen zijn, dat zekere geijkte godsdienstige termen, die Piet in zijn moeders huis in 't gebed en bij den huiselijken godsdienst vermoedelijk bij herhaling gehoord heeft, voor hem eene beteekenis hadden gekregen, zooals hij wel nimmer zal kunnen hechten aan dusgenoemde verstandelijke redeneeringen, die boven zijne bevatting gaan." »Ik denk ook niet dat mijn man zooveel redeneert met zijne catechisanten, vooral niet met een stumpert als Piet. Hij gebruikt het vragenboek van Isaäk Prins, is dat dan ook niet meer goed?" »Wat _eens_ goed _is_, zal het wel altijd blijven," hernam Roestink verstrooid; al sprekende had hij het nommer van de Vaderlandsche Letteroefeningen opgemerkt, en werktuigelijk daarnaar gegrepen, de inhoudsopgave met een oog overzien, even gebladerd, en toen hoorde men een uitroep, die volstrekt geen antwoord was op de vraag van juffrouw Willems. »Ah zoo! daar zijn ze weer bezig, 't is ergerlijk!" en zijne oogen vonkelden, terwijl een misnoegde trek zich om zijn mond plooide. »Wat blieft u?" vroeg juffrouw Willems, verbaasd over die plotselinge heftigheid van den man, wien het niet aan zelfbeheersching scheen te ontbreken. »Daar wordt de grijze dichter Bilderdijk weer uitgelucht of hij een kwajongen waar," hervatte Roestink, terwijl hij nog altijd in het tijdschrift rondbladerde. »Wel zeker! de groote IJ., de voortreffelijke W., de weergalooze S., dát zijn de mannen van het oogenblik, die mogen spreken, zelfs van de zaken, waarvan ze toonen niet het minste te weten! Zal dat Midaskoor dan nooit begrijpen, dat spotten en smalen geen bewijzen is, en dat de critiek niet in schotschrift moet ontaarden, zal zij hare deugd doen bij hem, wien zij terecht wil helpen." Juffrouw Willems luisterde gescherpt, maar begreep er niet veel van. »Waar heeft u het eigenlijk over?" vroeg zij ten laatste hem aanziende, terwijl zij den snuiter opnam en beurt voor beurt de kaarsen snoot, als om meer licht te krijgen. »Over dat grof en hatelijk artikel, dat men weer tegen Bilderdijks Navonkelingen geschreven heeft." »O, zoo! ja, die Bilderdijk moet een onaangenaam mensch en een lastige rustverstoorder zijn, die zich met alles bemoeien en alles veranderen wil, zooals ik Willems heb hooren zeggen, met de kerk, met de politiek, tot met de theologie toe." »Zeker zou hij wijzer doen zijne paarlen niet voor de zwijnen te werpen in een tijd als de onze, die zoo met zich zelf is ingenomen; maar kán een man zwijgen, die bijna in iederen tak van kunst en wetenschap zijne oorspronkelijke zienswijze heeft, gegrond op eene studie even omvangrijk als diep; vooral dán als hij ziet en hoort _wie_ er al spreken en schrijven." »Heeft u ook college bij hem gehouden? Ik heb wel gehoord, dat hij zijne studenten zoo inpakt." »Ik heb niet te Leiden gestudeerd, ik heb Bilderdijk slechts ééns gesproken, maar ik ken hem genoeg door vrienden van mij, die met hem omgaan, en bovenal door alles wat ik van hem heb gelezen, om met volle recht te kunnen zeggen, dat hij een der glories is van ons land, en daarvoor ook zeker door het nageslacht zal erkend worden, en dat daarom deze zich noemende vrienden van vooruitgang en verlichting beter zouden doen met zijne wenken en inzichten op allerlei gebied te rade te gaan, ze althans kalm en ernstig in overweging te nemen, dan hem bespottelijk te maken, het gansche vaderland tegen hem op te hitsen en hem door de smadelijkste bejegening tot verwoedheid te prikkelen, om dan den verwonden leeuw, die den schop van den ezel niet dragen kan, den volke te toonen als een vuur en vlam blazend monster. En dat noemt zich Christenen, vrijzinnige Christenen bij uitnemendheid, dat maakt verhandelingen over de »verdraagzaamheid" dat fabriceert phrase bij phrase, om de voortreffelijkheid van den mensch te bewijzen en dat bijt, en vereert een der treffelijksten die onder hen geboren is met de verslindende woede van hongerige jakhalzen!" En Roestink, die altijd had doorgesproken met klimmende opgewondenheid, zonder zich eigenlijk tot zijne eenige toehoorster te richten, of zich om haar te bekommeren, wierp nu het veroordeelde tijdschrift, dat hij tot hiertoe in de hand had gehouden, met zekere heftigheid verre van zich, vatte daarop zijn hoed en stelde zich tot heengaan, alsof hij de repliek op zijne pleitrede niet verkoos af te wachten. Juffrouw Willems, aan de platte kalmte van haar mans conversatie gewoon, voelde zich wat uit het veld geslagen door dien vuurregen, dien zij op eens zag uitstorten, zij wist niet recht op wiens hoofd; haar was Bilderdijk altijd voorgesteld als een belachelijke snoever, als een uitzinnig poëet, die alles overdreef, die met niets tevreden was, en die kerk en staat naar den afgrond zou voeren, als men hem liet begaan, en zij had voor zich uit het gehoorde geen reden om die voorstelling als eene onjuiste te laten varen, maar zij was in dezen niet zoo terstond gereed met haar antwoord: ook sprak ze wat aarzelend: »Ik heb er natuurlijk geen verstand van, de _recensies_ en de poëterij zijn mijne zaken niet; wat ik er van weet is alleen maar van hooren zeggen." »Juist, zoo gaat het! die 't van hooren zeggen hebben, en dan nog niet eens van goed hooren of van goed verstaan, beoordeelen, veroordeelen, zeggen voort en dragen allerlei leugen en laster verder; op die wijze wordt de publieke opinie gevormd over zaken en personen, op die wijze worden reputaties gemaakt en afgebroken," declameerde Roestink, overweldigd door eene verontwaardiging, waarbij hem de gloed op het voorhoofd steeg. »Wel, wel! dominé Roestink!" viel juffrouw Willems in, zoodra ze kans zag om er tusschen te komen, »ik wist niet, dat uwé zich zoo driftig kon maken, ik wist niet dat ik daar zooveel aan miszegd had." Dit lauwe stortbadje bracht hem tot bezinning. »Verschoon mij, juffrouw! om de waarheid te zeggen ik had het eigenlijk niet tegen u; alleen het gezegde, waarvan gij u toevallig hebt bediend, trof mij en bracht mij op eene gedachtenreeks, die mij verder voerde dan ik in dezen oogenblik had moeten gaan; wat mijne »drift" betreft, het is waar dat ik het nog niet zoo ver heb gebracht in zelfbeheersching als ik wenschte, maar toch wee hem, die zich nooit kan laten vervoeren door verontwaardiging over onrecht dat er geschiedt; wee hem, die nooit door den gloed der geestdrift wordt ontvlamd; wee den flauwhartige, die zich aan niets ergert; wee den lauwen van geest, wien niets ontroert noch ontrust dan 't geen hem persoonlijk treft! Van dezulken, juffrouw Willems! ben ik niet, hoop ik nooit te zijn; en nu nogmaals verschooning, gij zult mij mijn gehaast afscheid wel ten goede houden, want ik heb het u zeker veel te druk gemaakt." En reeds had hij de hand aan de kruk van de deur, toen Willems zelf die binnentrad: nu moest hij teruggaan en nog blijven. VI. De begroeting tusschen de collega's was niet zoo joviaal en hartelijk als zij dat van elkaar gewoon waren. Roestink was niet in de stemming om ditmaal met zijn »ambtsbroeder" de banaliteiten te wisselen, die gemeenlijk het fonds van hunne conversatie uitmaakten, daar de goelijke man te laag stond in zijne schatting, om over belangrijke onderwerpen ernstige discussies met hem aan te vangen, en hij hem tevens te veel hart toedroeg, om hem door tegenspraak te verbitteren of te krenken; hij ware hem dus heden liefst ontgaan, en dat gaf aan zijne houding iets gedwongens, terwijl Willems nog onder den slag van zijn onverklaarbaar verlies kennelijk worstelde met de zucht, om vriendelijk en voorkomend te zijn te midden zijner gedruktheid. »Wel, collega! daar doet gij goed aan; blijf je een pijp rooken: twaalf blaadjes, hè?" »Dank-je, vriend! ik...." »'t Is waar ook, gij rookt niet; nu dan, vrouwlief, maak den theeboel aan kant, Roestink zal wel een glas wijn met mij willen drinken." »Verschoon me ditmaal, ik heb mijn bezoek reeds te lang gemaakt," hernam Roestink wat strak, en onwillekeurig naar juffrouw Willems heenziende, die nog haar breiwerk niet had opgevat, dat zij van verbazing in haar schoot had laten vallen. »Ja! ja! als men met mijn vrouwtje aan de praat raakt, is een uurtje om eer men 't weet," hernam Willems met eene poging tot scherts, die zeer weinig bijval vond. Sanne kneep de lippen samen, en snoot nog eens de kaarsen, _par manière de contenance_. Roestink scheen met strakke aandacht de drie kanten van zijn hoed te bezichtigen. »Gijlieden hebt toch niets samen gehad?" vroeg Willems, getroffen over dat zwijgen en hen beurtelings aanziende. »_Ik_ weet althans geene oorzaak gegeven te hebben," viel juffrouw Willems uit; »dominé Roestink had het over de _recensies_, en.... en...." »Ik kwam informeeren naar Pieter Snibs," viel Roestink in, ras het woord nemende; »ik wilde weten waarom gij hem wegzond vóór ik hem nam." »En toen heb ik als vanzelf spreekt, het geval met de teekening verteld, en toen, hoe het bijgekomen is weet ik niet recht, maar het eene woord haalde het andere uit, toen kwam dominé Roestink op...." »Ja! och ja! dát's een onaangenaam geval van die teekening," viel Willems in, tot Roestink gewend, om den vloed van zijn vrouws woorden te breken, waarvan hij niets goeds duchtte, en tegelijk verheugd dat hij zijne innerlijke kwelling lucht kon geven, »en het verdrietigste van alles is nog, dat ik er niet achter kan komen, wàt er eigenlijk gebeurd is, en wie het gedaan heeft; den ganschen namiddag heb ik rondgeloopen bij de ouders der leerlingen, die in 't laatste leeruur hier waren. Welnu, 't is alles vergeefs; ze vinden het allen heel erg, het spijt hen, dat er zoo iets is voorgevallen; maar niemand schijnt iets van de zaak te weten, ze helpen mij ten minste meer van den weg af dan er op: de welwillendsten vragen mij waarmee ze mij pleizier kunnen doen, om het verlorene te vergoeden. Weet-je Sanne? dat vroeg de tante van Dientje Verburg; mijnheer zelf was niet thuis." »En wat zei vrouw Snibs?" vroeg Roestink levendig, en zijne groote zwarte oogen uitvorschend op hem richtende. »Vrouw Snibs!" herhaalde de goede Willems, verrast en getroffen of hij zelf van een misdrijf overtuigd werd; »om u de waarheid te zeggen, bij vrouw Snibs ben ik niet geweest, ik had daartoe eigenlijk zoo geene aanleiding, en.... en...." Hij zweeg, tot over de ooren kleurend, want hij voelde wel dat hij struikelen ging over zijne eigene woorden. »Nu, goed papa Willems! dan zal ik dat wel voor u waarnemen," hernam Roestink, met moeite een glimlach bedwingende over de flauwheid en menschenvrees van den man, die een beroep had aanvaard, waarbij zedelijke moed een der eerste vereischten was. »Ik zal vrouw Snibs en haar zoon in scherp verhoor nemen, en de zaak tot helderheid brengen, dat beloof ik u." »Wil-je dat voor mij doen?" riep Willems, als verruimd en zijne hand drukkende. »Wel zeker, wil ik. En nu nog ééne vraag," hervatte Roestink, »hecht gij aan uwe Woensdag-avondbeurt voor deze week?" »Hechten.... hm.... hechten, ik ben er natuurlijk op gesteld de plichten van mijn ambt niet te verzuimen, maar om de waarheid te zeggen, ik heb mij nog niet tot eigenlijke studie daartoe kunnen zetten, en nu die onaangename historie mij door het hoofd maalt...." »Voelt gij u ongeschikt om met hart en ziel bij 't werk te zijn, dat begrijp ik; zoo biede ik mij aan om de beurt voor u over te nemen; ik heb juist wat op 't gemoed, dat ik der gemeente wensch voor te houden." »Nu, als gij om zoo te spreken uw schets al klaar hebt, dan doet ge er mij een grooten dienst mee, ik wil het niet ontkennen." »Daarbij blijft het dan. En zie, daar valt me iets in; ik schijn van avond wel niet te kunnen scheiden, nu moet ik u nog eene inlichting vragen, die mij haast vergeten was; het betreft mede een uwer catechisanten, zekeren Frits Rosemeijer." »Frits Millioen bijgenaamd, wat hebt gij daarmee uitstaande?" »Is die hier ook al niet meer tevreden!" verzuchtte juffrouw Willems halfluid en met ergernis. Roestink zag haar even glimlachend aan. »Wees gerust, juffrouw! _ik_ persoonlijk heb niets met hem te maken, maar mijn zwager is hier, zooals gijlieden mogelijk gehoord zult hebben, tot rijks-ontvanger aangesteld en verlangt een jong klerkje, dat hem eenige handreiking kan doen; genoemde Frederik Rosemeijer heeft zich aangemeld, zijne bekwaamheden schijnen voldoende, maar bij een post als dien van mijn zwager zijn eerlijkheid en accuratesse onmisbare voorwaarden, de jonkman dien wij niet kennen, heeft zich op u beroepen als die voor zijne moraliteit zou willen getuigen; wat zegt gij van hem, is hij betrouwbaar, kan mijn zwager hem nemen?" »Wel zeker! wel zeker! laat hij dat doen, 't is een beste jongen waar hij pleizier van zal hebben, wat jolig, wat levendig, ook nog wel wat jong naar 't mij voorkomt, maar toch...." »Hij is de zestien gepasseerd, en al is 't jammer voor hem zelf, de levendigheid en de jool gaan er wel af als zoo'n arme jongen uren lang voor een lessenaar moet zitten tusschen de vier muren van een kantoor. Maar waarom geeft iedereen hem toch dien bijnaam op zulke wijze, dat ik hier en daar onder zijn waren naam van hem sprekende, niet werd verstaan." »Ja, mijn waarde! dat's een lange en droeve geschiedenis, die al van zijn vader dagteekent. Als ik je die vertellen zal, moet gij mij het avondje schenken." »Dan is het beter dat ik mijne nieuwsgierigheid bedwing en op een anderen keer eens bij u kom aankloppen. Ik moet nu naar vrouw Snibs, en gij begrijpt mij: als ik preeken zal, heb ik mij toch ook voor te bereiden!" Willems had geen voegzaam argument om hem tegen te houden en zijne wederhelft slaakte een zucht van verlichting, toen de _fâcheux troisième_ was heengegaan. Die man verwekte bij haar in gelijke mate ontzag en ergernis. »Dat trof nu al wonderlijk dat ik heden juist getuigenis moest geven van Frits," sprak Willems zijne gade wat aarzelend en onrustig aanziende, toen zij alleen waren. »Hoe zoo! dat kondt gij toch in gemoede doen. Frits is immers een beste, eerlijke jongen?" »Daarvoor heb ik hem tot heden toe ten minste gehouden, maar toch zonderling inderdaad." »Welnu! wat is zonderling? Gij maakt mij nieuwsgierig met al die twijfelachtige uitdrukkingen." »In één woord, ik heb nu suspicie gekregen dat Frits...." »De teekening zou gestolen hebben? Dát geloof ik nooit." »Hola vrouwtje, zoo ras moet je niet doorhollen, maar ik kan 't niet helpen, de manier waarop Dientje's tante sprak, heeft mij op het denkbeeld gebracht, dat Frits althans medeplichtig is aan 't gebeurde." »En waarom dan aan Roestink niet ronduit de waarheid gezegd?" »De waarheid? Het kon er wel gansch bezijden zijn; het is niets dan een vermoeden." »En als de heer van Hogenstein hem nu op het kantoor neemt op uwe getuigenis, en als het daar bleek dat hij niet eerlijk was?" »O! als hij meegedaan heeft zal het nu wel uitkomen, daar Roestink zich met de zaak bemoeit, en dan springt het plan met het kantoor vanzelf af, en als hij onschuldig is, dan zou ik niet graag door eene voorbarige beschuldiging oorzaak wezen dat men twijfelachtig over hem dacht en dat hij voor 't hoofd werd gestooten." Juffrouw Willems was het niet geheel met hem eens, maar daar zij haast had haar hart over Roestink lucht te geven, bestreed zij dit punt niet verder. VII. Of het vervullen der avondbeurt door dominé Roestink de meerderheid der E....sche gemeente stichtte dan wel ontstemde, ergernis gaf of voldoening, zal door ons niet nagespoord worden. Het is ons voornemen niet de opkomende geloofsverdeeldheid van dat tijdperk te schetsen in eene vertelling als deze; de stof zou zeker belangrijk genoeg zijn, vooral als zij gecompleteerd werd door eene voorstelling der vervolgingen onder 't vaderlijk bestuur van Koning Willem I tegen de afgescheidenen ingesteld op aandrijving der Synode; vervolgingen waarvan wij, levende onder het régime der volstrekte ongebondenheid in de Gereformeerde Kerk, ons nauwelijks een denkbeeld kunnen vormen; maar wij hebben een ander doel op het oog en zoo wij de vermoedelijke richting van Dr. Roestink even hebben geïndiceerd, is het alleen geweest om zijne persoonlijkheid eenigszins scherper om te trekken en zijne verhouding tot collega Willems daardoor te meer aanschouwelijk te maken. Dit alleen kunnen wij van den jongen predikant getuigen, dat hij dien avond sprak omdat hij wat te zeggen had, omdat hij zelf het eerst overtuigd was van 't geen hij anderen zocht aan te bevelen, wat natuurlijk moest medewerken om zijne toespraak die zekere welsprekendheid te geven, die tot in de harten doordringt als een snijdend zwaard en er de levensdeelen raakt. En dit verschil met den zoetvoerigen, breedsprakigen, goelijk gemoedelijken, maar in de oppervlakkigheid wegdrijvenden preektoon van Willems moest als vanzelve scheiding maken tusschen het gevoelen der hoorders. Wie gewoon waren zich door den laatsten zoetelijk te laten inwiegelen, voelden zich zeker onaangenaam wakker geschud, geprikkeld, verbitterd, ontstemd, maar toch huns ondanks gedwongen om even wakker te blijven en na te denken. Hoe zij dit nadenken gebruikten, of het alleen was om den rustverstoorder te beschuldigen en te hekelen, dan wel om met zekere ongewenschte ontdekkingen hunne winst te doen, dat is niet aan ons om uit te maken. Roestink zelf had wellicht later gelegenheid om zijne waarnemingen te doen, maar hij was niet de man om zulke zegenpralen uit te trompetten en de rustliefde van Willems vond er hare rekening bij, dat de scheuring die er mogelijk bij een afrukken van zekeren blinddoek had kunnen ontstaan, beloken werd door den ruimen mantel der liefde, wier banen hij zoo wijd mogelijk ontplooide om er alle spleten en gaten mee te bedekken, in den waan dat verholen zijn en geheeld zijn synoniem was! Hij zelf had zich dien avond »wat onpasselijk gevoeld" en was dus maar niet onder 't gehoor van Roestink gekomen. Zijne wederhelft daarentegen had _acte de présence_ gedaan, had voor twee geluisterd en zich voor drie geërgerd, »daar was tegen haar man gepreekt," dat liet zij zich niet ontzeggen, maar tevergeefs trachtte zij die overtuiging en hare ergernis in den boezem van haar echtgenoot over te storten. »Gij zult verkeerd verstaan hebben, lieve!" was zijne onveranderlijke uitspraak, »zoo iets zou Roestink nooit zeggen, althans van mij niet," en inderdaad daar was in hare teruggave van het gehoorde genoeg verwarring en onjuistheid om hem in dezen het recht te geven Oost-Indisch doof te zijn, en zich buiten de kwestie te houden. »Het zou wel zoo erg niet gemeend zijn als Santje het voorstelde, en dat Roestink voor zijne opinie uitkwam op den stoel kon niemand hem kwalijk nemen." Meer hinderde het hem, dat er reeds eenige dagen na den bewusten avond verloopen waren zonder dat hij bericht kreeg van het ingestelde onderzoek bij vrouw Snibs en zoon. Eindelijk kreeg hij Zaterdagsavonds een kort en naar het hem voorkwam wat strak briefje, waarin Roestink meldde, dat hij nog niet in staat was voldoende ophelderingen te geven omtrent de bewuste zaak, dat hij desniettemin wel moed had op een eindelijk gunstig resultaat, maar dat hij collega raadde geduld te oefenen en zich zelf niet verder met onderzoek te vermoeien bij zijne catechisanten, daar hij, dus doende, hen in verzoeking zou brengen om listen en uitvluchten te bedenken tot schade van hunne consciëntie. Dit bericht was verre van bevredigend en Willems was er dan ook zeer ontevreden over. Nu eens verdacht hij Roestink van geheime samenspanning met de Snibs die nu zijne cliënten waren geworden, dan weer van onvruchtbare bemoeizucht die zich den schijn gaf veel te zullen doen terwijl zij niets teweegbracht. Hij durfde zijne vrouw zelfs geene deelgenoote maken van dit briefje, uit vreeze door haar gedreven te worden om eene nadere opheldering te vragen aan Roestink zelf, die hij liefst nu vermeed hoe meer hij in 't geheim tegen hem verbitterd was, uit zeker opzien tegen »onmoeite," die intusschen verre was van wezenlijke zucht tot vrede. Hij hoopte wel dat Sanne niet vragen zou als hij zelf zweeg, het was toch immers eene zaak die haar eigenlijk niet schelen kon. Van Zaterdag tot Zondag deze belangrijke vraagstukken met zich zelven overwegend, kwam hij ten laatste tot het besluit om toch maar den raad van Roestink te volgen en aan zijne catechisanten geene vragen te doen die hen òf tot verklikkers òf tot leugenaars zouden maken. Hij verkropte dus zijn leed en zweeg. Ééne wraakoefening moest hij zich gunnen, hij nam alle teekeningen uit de catechisatiekamer weg als een zwijgend verwijt aan den pleger van het feit, als een sprekend bewijs van zijn rechtmatig wantrouwen. Dat het meerendeel der leerlingen zich door dit gemis pijnlijk getroffen voelden, zouden wij niet durven verzekeren, wel dat het niemands aandacht ontging, en bovenal dat ieder voor zich en allen gezamenlijk de opmerking maakten, dat dominé erg uit zijn humeur was en dat hij onder anderen Frits Millioen, die anders nogal een potje breken mocht, ditmaal zoo knorrig aangekeken had, als hij eene vraag tot hem richtte, dat de arme jongen al was hij nog zoo'n hachje, er verlegen onder werd en zulke verwarde antwoorden gaf of hij verkeerd apropos speelde; daarbij bleef het echter van dominé's zijde, en van die der leerlingen lekte er niets uit. Roestink liet verder ook niets van zich hooren en Willems vermeed hem opzettelijk; maar zijn innerlijke wrok, zijn verborgen leed nam toe in die mate, dat zijne gewone opgeruimdheid voor diepe neerslachtigheid plaats maakte; hij verloor den eetlust, zijn slaap werd ongeregeld, het pijpje zelfs smaakte hem niet meer; gelukkig dat juffrouw Willems juist in die dagen een aanvang maakte met het zoogenaamde herfststoffen," eene herhaling in verzachten graad van de »groote schoonmaak," hetgeen haar genoeg bezigheid gaf en te zeer preoccupeerde om oogen te hebben voor haars echtgenoots sombere zielsstemming daarbij te lichter voor haar verborgen, daar deze, staande het tijdperk van zulk eene reinigings-kuur zich meestal als Ajax onder zijne tent, in de studeerkamer terugtrok en overigens zoo zacht en haast zoo onzichtbaar als een schim door het huis sloop om geen oogenblik aanstoot te geven noch te lijden! Daar meldde zich op een voormiddag, terwijl juist de beurt was aan de groote huiskamer en de juffrouw zoo maar staandevoets met haar oude Antje een kopje koffie dronk in de keuken, en dominé zijn twaalf uurtje boven kreeg--daar meldde zich dominé Roestink aan om zijn collega te spreken. Groote desperatie van huisvrouw en dienstbode; de bezoeker moest een gang door die met stoelen en tapijten als gebarricadeerd was, en een trap op die nog niet eens was »gedaan," zooals Antje met leedwezen bekende, maar hij moest worden toegelaten, daar was niets tegen te doen. En de jonge predikant even glimlachend over de ontzetting van Antje, stapte onbekommerd over alle hindernissen heen, scheen zich volstrekt niet te ergeren aan een »ongedanen" trap en trad bij collega binnen die de deur al vast wijd open hield en die, zich zelf niet meer meester, hem verwelkomde met de vraag: »Welnu, welnu! zoo weet gij toch wat, anders zoudt gij niet zijn gekomen?" »Om de waarheid te zeggen, ik kom eigenlijk om iets van u te weten." »Dus nog altijd niets van de teekening, nog altijd geene zekerheid wie 't gedaan heeft?" »Mijn waardige vriend bedwing nog eene wijle uw ongeduld en laat die vragen rusten. Geloof mij dat zal wel terechtkomen, maar ik heb nu noodig om over iets anders te spreken, ik zou zoo graag het naaste weten van dien zoogenaamden Frits Millioen." »Ga zitten, collega!" »Ik ben niet ongezind u de beloofde inlichtingen te geven, maar iets moet gij mij vooraf verzekeren of.... ik.... ik zou niet ten volle oprecht kunnen zijn." »Welke verzekering verlangt gij?" »Deze, dat die Frits mijn Judas niet is." »Uw Judas, in welken zin?" »Niet de verrader, de dief, die mijne teekening...." de stem stokte, tranen blonken den goeden man in de oogen. »Ik geef er u de hand op, mijn vriend! dat de knaap in dezen zin rein is van alle schuld tegen u." »Nu, Gode zij gedankt! Weet gij, ik heb van den jongen gehouden, hij was zoo levendig, zoo vlug, zoo dienstvaardig, en dan te moeten denken, dat hij tot zulk een slechte streek bekwaam was. Het hinderde mij geweldig, meer dan ik zeggen kan, meer dan het verlies van de geheele teekening." »Nu wees dan getroost; zoo hij eenige schuld heeft, is het zeker deze niet." »Zoo is het dan toch Piet Snibs?" »Eilieve collega! dat is tegen de overeenkomst," viel Roestink in, »ik laat me zoo niet bij verrassing overvleugelen." »Dat is uw recht, maar toch zult gij mij wel rondborstig willen antwoorden op eene vraag, die buiten de kwestie omgaat." »Wat wilt gij weten?" »Of gij nu voort kunt komen met dien dommen jongen?" »Piet Snibs is zoo dom niet, hij is zelfs zeer slim en gevat als hij maar eens iets begrijpt." »Precies! hij is sluw en heeft ze achter den mouw." »Daar zal wel iets van aan zijn, vreeze ik, bovenal is hij schuw en gedrukt, maar dat alles is niet te verwonderen, hij heeft zulk eene erbarmelijke opvoeding gehad--als men opvoeding noemen mag, een opgroeien tusschen duwen en stooten in, zonder eenige zedelijke vorming van geest en hart." »Wat vertelt gij mij nu! Die vrouw Snibs, die voor vroom wil doorgaan, die mij met bijbelteksten de les komt lezen; die zal zeker den huiselijken godsdienst wel niet verzuimen." »Dat vertrouw ik met u, Piet zal wel in de gelegenheid zijn dagelijks een kapittel te hooren of te moeten voorlezen en menige preek daarbij; maar wat zegt huiselijke godsdienst zonder heiligen zin, zonder dat men handel en wandel daarnaar regelt. Als Piet zijne moeder de vroomheid ziet aannemen en afleggen als een zondagspak, als hij haar met teksten hoort schermen terwijl zij hem ruwe en onbillijke verwijten doet en klappen uitdeelt in hare onbeteugelde drift, of hare klanten bedriegt voor zijne oogen op den eigen dag dat zij samen gehoord hebben hoe eene bedriegelijke weegschaal den Heere een gruwel is, dan verliezen de uitspraken der Schrift voor hem hunne beteekenis, of erger, ze worden hem valsche munt, waarmee hij op zijne beurt zal betalen, zoo niet onder Gods voorzienige leiding gunstige omstandigheden dezen schadelijken invloed komt veronzijdigen. Dan genoeg, gij hebt mij uitgelokt over Piet te spreken, terwijl gij mij de geschiedenis schuldig zijt waaraan Frits Millioen zijn schitterenden bijnaam heeft te danken, die echter, naar ik hoor, op hem steeds de uitwerking doet eener snijdende ironie." »Ja, hij wordt er altijd boos over als hij dien hoort, nu dat is niet te verwonderen. Luister! Maar gun me eerst eene versche pijp te stoppen." VIII. Nadat dominé Willems met al de nauwkeurigheid waarvan hij het geheim had, voor zijne pijp had gezorgd en er nu gerust op was dat deze in 't eerste half uur geene stoornis zou teweegbrengen en dominé Roestink, die ditmaal geene bijzondere haast scheen te hebben, zich volkomen op zijn gemak had gezet, begon de eerste zijn verhaal op dien eenvoudigen en natuurlijken toon, dien hij helaas! alleen aflegde op den preekstoel voor eene gemaakte deftigheid, welke niet in zijn karakter lag. »Toen ik hier mijne bediening aanvaardde, was Herman Rosemeijer, die later de geheele stad door als met vingers zou worden nagewezen, nog een deftig gezeten burgerman. Men hield hem algemeen voor iemand, die bijzonder knap was; hij genoot achting en vertrouwen, en men zou hem graag in den kerkeraad gehad hebben, zoo hij niet iets bizars en excentrieks over zich had gehad, dat ettelijke leden afschrikte." »Hm! ja! excentriciteit past ook niet in een kerkeraad," stemde Roestink toe, met zijn ironiek glimlachje. »Van welken aard was de zijne?" »Och, die kwam uit zoo wat in alles, geene overdrijving in 't godsdienstige, dat is waar, maar zoo iets eigendunkelijks, dat sommigen hem voor een vrijdenker hielden. Hij was een vroom man, en toch kon hij zich zoo scherp uitlaten over kerkdienaren en kerkelijke toestanden, dat sommigen hem verdachten tot de vrijmetselaars te behooren, en lid te zijn eener loge in de naburige groote stad. Wat daarvan waarheid was, is mij nooit gebleken; de man kwam des ondanks van tijd tot tijd te kerk, vooral bij mij, hoewel mijn toenmalige oudere collega zijn wijkpredikant was, en liet zelfs zijn zoon bij mij doopen, die gelukkig zijn eenige is gebleven." »Ik zie in dit alles nog geene excentriciteit." »Die kwam toen ook nog niet zoo sprekend uit, maar toch iedereen wist dat hij een partijman was, en een plannenmaker. Als hartstochtelijk aanhanger van het huis van Oranje beging hij menige onvoorzichtigheid, die alleen ongestraft bleef omdat er op 't geen er in onze kleine, weinig beduidende stad omging, niet veel werd gelet door de Fransche autoriteit; want zooals gij kunt nagaan wij leefden toen onder de Fransche dwingelandij, terwijl ook niemand van zijne medeburgers trouweloos genoeg was om van zijn Oranjegekraai--veel te ontijdig om van eenig nut te zijn--kennis te geven aan de gehate Fransche ambtenaren. Van ergere gevolgen voor hem en de zijnen was zijne planmakerij. Hij oefende het beroep van horlogemaker, en daar hij de bekwaamste, zoo niet de eenige was in zijn vak, had hij veel te doen, vooral bij den toevloed van landlieden op marktdagen, die hem werk brachten of zich in zijn winkel van horloges en klokken voorzagen. Hij had daarbij eene vrouw getrouwd, die eenig vermogen te wachten had; maar toen hij in het bezit kwam van dit kapitaal, kwam zijne ongelukkige manie eerst recht voor den dag. Instrumentmaker, brillenslijper, natuur- en wiskundige, hij was zoo wat van alles, en had een onverzadelijke lust tot proefnemingen van allerlei aard, en dat zou eene zeer onschuldige liefhebberij zijn geweest, zoo hij niet op die vermeende ervaringen en ontdekkingen allerlei projecten had gebouwd, die hij in 't groot wilde ten uitvoer leggen, en die bijna zonder uitzondering mislukten, zonder dat zij hem ooit ontmoedigden. Ik overdrijf niet zoo ik zeg, dat hij jaarlijks met een dozijn ontwerpen te voorschijn kwam, waarvoor hij deelnemers wenschte, en--niet verkreeg. In een stadje als het onze, waar zoo weinig omging, vooral in dat tijdperk, waar slechts enkele rijke families woonden, en die het waren nog hun vermogen zooveel schuil hielden als slechts eenigszins doenlijk was, waar de overigen, winkeliers en kleine burgers ternauwernood met vlijt en zuinigheid konden rondkomen, daar was, zooals gij denken kunt, geen geld te krijgen voor de ondernemingen van een man als deze, die nog daarenboven altijd omliep met voorstellen tot bevrijding des vaderlands, met complotten ter herstelling van het stadhouderlijke huis! »Waarom ging hij met zulke denkbeelden vervuld, ze niet liever lucht gegeven in den Haag of in Amsterdam; mogelijk had hij daar bescherming, deelneming gevonden onder de voorname Hollandsche families." »Eens is hij werkelijk naar den Haag gereisd, naar men gelooft met zulk een doel; maar het was diens mans ongeluk altijd te vroeg of te laat te komen, de vermogende Oranjevrienden wilden niets van hem weten, hetzij hunne ontwerpen nog niet rijp waren, hetzij ze die niet aan den opgewonden, onvoorzichtigen man wilden toevertrouwen. Wat er van was is mij nooit gebleken; zeker is het, dat hij zeer dof en terneergeslagen terugkeerde, en dat hij zijne politieke luchtkasteelen scheen te hebben opgegeven, zoo zelfs, dat hij niet eens onder hen was, die zich beijverden om de Franschen weg te jagen, toen reeds de Prins in den Haag was teruggekeerd, en onze burgemeester, door de Oranjevlag te laten wapperen, het sein gaf tot de verandering van zaken. Herman Rosemeijer, van wien men verwacht had, dat hij zich onder de eerste en heftigste voorstanders van het herstelde stamhuis zou scharen, bleef stil en werkeloos op dit punt, droeg op zijn best de geliefde Oranjekleur, en liet het aan zijne vrouw over om met de gemeente in de kerk voor de verlossing des vaderlands te danken. Zooals gij wel denken kunt strekten deze gedragingen niet om hem in de gunst zijner medeburgers te doen stijgen, integendeel, zij die hem vroeger om zijne geprononceerde opinies hadden gemeden, om zijne gevaarlijke voorstellen hadden gevreesd, maar die nu met de bovendrijvende partij medejuichten, achtten zijne koelheid verdacht, en het scheelde niet veel of zij betichtten hem van verraad, waar hij hunne geestdrift niet deelde. Zij vergisten zich, hij zelf was geenszins van gevoelen veranderd, maar dat aanbidden van de opkomende zon wekte zijne minachting, en van zijne politieke hersenschimmen ontnuchterd, had hij zich met verdubbelde hartstochtelijkheid overgegeven aan de financieele begoochelingen. Meer dan ooit had hij millioenen in het hoofd en in den mond, terwijl het intusschen niet twijfelachtig was, dat de duizenden, die hij bezeten had, reeds tot honderden waren gesmolten. Hij scheen er zich niet om te bekommeren; met het uitzicht op eene eindelijke winst, hadden de dagelijksche kleine verliezen voor hem geene beteekenis. Zelf volkomen overtuigd van de onomstootelijkheid zijner berekeningen, prees hij zijne ondernemingen aan met al de klem van oprechtheid en goede trouw, wees op de schitterendste uitkomsten als op eene zekerheid, en had de eerlijkheid om de enkele lichtgeloovigen, die hij vond, schadeloos te stellen, als de kansen zich tegen hem keerden, zooals dat doorgaans uitviel. Die edelmoedige handelwijze werd hem niet eens tot deugd gerekend, en redde noch zijn karakter van miskenning, noch veiligde zijn naam tegen bespotting. De schimpende bijnaam, hem eens door den moedwil gegeven, werd hoe langer hoe luider uitgesproken, verving ten laatste bijkans zijn familienaam. Eene ongetrouwe huisgenoote was er de oorzaak van. Op den dag dat de kleine Frits gedoopt werd, had de vader eene portefeuille met papieren vol plannen en berekeningen in de wieg gelegd, en tot zijne vrouw gezegd: »Mina! ziedaar een millioen tot pillegift van uw zoon!" De baker, die in afwachting van al die schatten mogelijk niet al te ruim beloond werd voor hare diensten, had de laaghartigheid in lieden van hare soort niet vreemd, om het kleine huiselijk tooneel over te vertellen in de huizen, waar zij later dienst deed; dit, gevoegd bij de gulheid, waarmee de onvoorzichtige plannenmaker schatten uitdeelde--op het papier--maakte het den spotboeven van ons stadje niet moeielijk, om een bijnaam voor hem uit te denken. Rosemeijer was voor altijd gestempeld als: Herman Millioen, en misschien heeft die spotnaam meer dan iets anders bijgedragen om hem in de achting zijner medeburgers te doen dalen." »En is hij ook in uwe schatting een dwaas, een warhoofd geweest?" »Wat zal ik u zeggen, op het ziekelijke punt na, was hij een braaf, beminnelijk en verstandig man, die eene uitgebreide theorethische kennis had; naar mijne meening lag zijne fout daarin, dat hij in toepassing wilde brengen wat nog niet voor verwezenlijking rijp was, maar zijn eigenlijk hoofdgebrek was.... zijn ongeluk althans...." »Geldzucht?" »Neen, neen! hij was de belangeloosheid in persoon, hoewel hij altijd gouden droomen droomde, zijn ongeluk was: geestdrift, geestdrift, die hem met zooveel gloed voor eene opvatting bezielde, dat hij er de gebrekkelijkheid niet van kon zien; geestdrift, die hem de nuchterheid benam tot uitvoeren; geestdrift, die hem bij de ontnuchtering zoo koud liet, dat hij mat en verslagen neerlag." »Gij hebt gelijk, geestdrift is gevaarlijk en onverstandig, vooral ten onzent," verzuchtte Roestink, en verviel in somber nadenken. »Gij begrijpt, dat onder dit alles de eenige zekere bron van zijn bestaan langzamerhand opdroogde; zich al meer en meer verdiepende in de scheppingen van zijne fantasie, zich voorstellende de groote raderen, die het aanzien der wereld moesten veranderen naar zijn gevoelen, in beweging te brengen, begon hij het meer en meer beneden zich te achten reparaties te doen aan de kleine raderen van de uurwerken hem toebetrouwd. Ook werd hij er ongeschikt voor; een handwerk, dat zoozeer de oplettendheid vordert, dat gezetten arbeid en nauwkeurigheid vraagt, moest lijden onder zijne gedurige verstrooiing, daarbij was hij altijd op de been en zelden meer thuis; de enkele boer of burger, die hem nog zijne klok of horloge vertrouwde, moest er maanden op wachten, en als hij die met geweld terugeischte, bleek het onafgedaan of was de kleine herstelling inderhaast en onvolledig volbracht, tot niet geringe ergernis en teleurstelling van den belanghebbende. Waarheid is, dat Herman Millioen bij zulk eene gelegenheid ook geen geld vorderde, hetgeen de gramschap van den teleurgestelden, zich bedrogen achtenden klant nauwelijks verzachtte; intusschen had zich hier een nieuwe horlogemaker neergezet, een jongmensch, die goed oppaste en geheel voor zijn vak leefde. Gij kent hem wel." »Koenraad Busch?" »Juist deze; zijne stiptheid en ijver deed de treurige achteloosheid van Herman nog te meer uitkomen, en weldra had deze letterlijk niets meer te doen; hij scheen er zich niet over te bekommeren als hij ieder verzekerde wie 't hooren wilde; hij wist zelfs zijne vrouw in zijne gerustheid te doen deelen, eene vrouw, die inderdaad als een toonbeeld van innige teederheid en lijdzame zoowel als werkzame echtelijke liefde mag geroemd worden. In stilte naaide en borduurde zij voor de dames van de stad, en daar haar werk zoowel als haar karakter voorbeeldig was, gelukte het haar armoede en gebrek van haar gezin af te weren. Toch had Herman ter dier dage een plan ontworpen, dat met minder wantrouwen door de menschen van zaken werd begroet; hij won zelfs beloften van deelneming, mits hij de goedkeuring des Konings kon verkrijgen op zijn project. Het betrof de toepassing der stoomkracht, waarmede naar 't gerucht luidde, in Engeland, in Amerika wonderen werden verricht, ook ten onzent in te voeren en er proeven mee te nemen op groote schaal. Bij de herleving van handel en nijverheid was de aandacht van onze fabrikanten en industrieelen ook op dat punt gericht; met benijding, met bekommering staarden zij op de verbazende uitkomsten, die men in het buitenland door het nieuwe middel verkreeg; en daar trad nu Herman Millioen op met de aankondiging, dat hij eene uitvinding had gedaan, die de aanwending van deze kracht nog meer profijtelijk en doeltreffend zou maken. Een ander zou zeker terstond geloof hebben gevonden, hij stuitte op ongeloovigen, maar die toch belangstelling genoeg toonden, om zich bij het eerste bewijs, dat hij leverde, gewonnen te geven. Herman zag in, dat hij zijne uitvinding niet in toepassing kon brengen zonder zich met de Engelsche voorgangers te hebben verstaan; ook moest hij zich van werklieden en werktuigen uit Engeland voorzien, en tot het eene als het andere was het noodzakelijk, dat hij zelf derwaarts ging; maar, hij had op dat oogenblik nauwelijks geld genoeg om naar den Haag te komen en zich daar op te houden tot den dag der gewone openlijke audiëntie van koning Willem, wien hij zijne plannen wilde mededeelen, in de hoop er dezen voor te winnen. Ettelijke gegoeden, bij wien ik mijne voorspraak aanwendde, toonden zich bereid om hem te voorzien van de middelen voor den tocht naar Engeland. Zoo trok hij dan getroost naar de residentie, met de verzekering van veler deelneming, zoo de Koning, de verlichte beschermer van handel en nijverheid, het stempel der echtheid drukte op zijn plan door zijne goedkeuring. Met vernieuwden moed en als met verhoogde levenskracht keerde hij terug. De edelmoedige vorst had zelf zijne deelneming toegezegd voor eene aanzienlijke som, zoo de overeenkomst met het Engelsche huis werd getroffen en Rosemeijer in Holland zelf genoegzame deelneming vond om de zaak tot stand te brengen. Nu scheen onze industrieele don Quichot eindelijk iets degelijkers te hebben nagejaagd dan luchtkasteelen en windmolens. Nu geloofde men aan de werkelijkheid zijner voorstellingen, aan de uitvoerbaarheid zijner theorieën. Hij verkreeg een ongewacht aantal inschrijvers, tot uit de handel- en zeesteden van den tweeden en derden rang toe. In de eerste koopstad alleen aarzelde men. Te Amsterdam is men, zooals gij weet, wat te zeer bevooroordeeld om zoo snel aan te grijpen, wat er van buiten af wordt aangebracht. In onze kleine stad was het een _rage_, een nieuwe Mississippi-maatschappij, waaraan ieder die iets te wagen en te missen had, deel wilde nemen; ik zelf beken u, dat ik mij verlokken liet er zeker sommetje in te leggen buiten weten mijner vrouw, die zulke roekeloosheid zou veroordeeld hebben. »Genoeg, Herman Rosemeijer ondernam de reis naar Engeland, maar reeds terstond had hij met rampspoed te kampen. Tegenwind en noodweer vertraagden den overtocht, en waar de moedige zeelieden ten laatste de stormen trotseerden, om eene veilige haven binnen te loopen, werd hun pogen verijdeld; zij leden schipbreuk op de rotsige kust. De passagiers redden slechts een deel van hun goed. Herman prees zich gelukkig, dat zekere portefeuille, die zijne projecten inhield, onafscheidelijk was van hem zelven, en dat hij met het leven dus, 't geen hem meer dan het leven was had behouden. Maar deze ramp en het oponthoud, dat zij veroorzaakte was hem niettemin noodlottig, daar men mijlen ver van de Engelsche hoofdstad was aangeland en zich van het eene gehuchtje tot het andere moest voortslepen, eer men voor groot geld geschikte vervoermiddelen kon bekomen om Londen te bereiken, waar Herman gewacht werd op een vooraf bepaalden dag; die dag was lang verstreken zooals gij denken kunt, na zooveel hindernissen als hem in den weg waren gekomen. Eindelijk toch had hij daarover gezegevierd, en trad vol goede verwachting binnen bij den vertegenwoordiger der bekende firma. »Men was verbaasd hem nog te zien; men had bericht gekregen van de schipbreuk; na zooveel tijdverloop had men niet meer op hem gerekend; men twijfelde zelfs aan zijne identiteit, en toen hij die met onbetwistbare zekerheid bewezen had, kwam men voor den dag met de bekentenis, dat er daags te voren een contract was gesloten met een Antwerpsch handelshuis, dat in alle groote fabriekssteden der zuidelijke provinciën deelnemers had gevonden, dat met gereed geld, dat met tonnen gouds kon spelen, waar de povere Hollandsche plannenmaker slechts duizenden te bieden had--op het papier! »Wat zijne vermeende uitvinding betrof, ook in Engeland _was_ zij reeds uitgedacht, toegepast en inderdaad van groote belangrijkheid bevonden; men had dus Herman Rosemeijer niet noodig om haar in werking te brengen! De ongelukkige kwam te laat, in ieder opzicht te laat; waar hij voormaals om het te vroeg was uitgelachen, zou hij nu om dit _te laat_ worden uitgefloten! Dit was de genadeslag. Hij voelde het als bij ingeving, dat hij zich van deze misfortuin niet weer zou oprichten in zijn vaderland. Hij bood den Engelschen industrieel zulke diensten aan, als hij nu nog meende te kunnen verleenen. Tevergeefs, men wantrouwde zijne bedoelingen, misschien ware het hem nog gelukt eene overeenkomst te sluiten in de eene of andere groote fabrieksstad van Engeland, waar men de concurrentie met de voorgangers durfde wagen; maar daartoe had hij verschillende graafschappen moeten rondreizen, zou tot een langdurig oponthoud in den vreemde genoodzaakt zijn, en de ongelukkige berekende dat hij nauwelijks geld genoeg overhield voor de terugreis; daarenboven zijne krachten als zijn moed waren uitgeput. Hij geloofde niet meer aan zich zelven; hij durfde niets meer wagen; hij aanvaardde den terugtocht, en toen hij hier weerkwam, was hij als een veranderd mensch. »Had de onspoed hem in den goeden waren zin tot God gedreven?" vroeg Roestink belangstellend. »Helaas! daar zou ik geen ja! op kunnen zeggen. Integendeel, hij was tot eene doffe, morrende neerslachtigheid vervallen, die gansch geen recht gaf aan zulke verandering als waar gij op doelt te denken. De levendige, opgewonden man, altijd vol origineele invallen, vol ingenomenheid met zijn eigen doorzicht en die wat blufachtig viel en volgaarne op eigen kennis en krachten roemde, sloop nu schuw en zwijgend rond, ontweek de menschen, gunde zich zelven nauwelijks de nooddruft en zat dagen lang in een hoek van zijn winkel op zijne papieren te staren, zonder dat vrouw of kind in staat waren hem tot hernieuwden arbeid of aandeel in het gewone leven op te wekken; ten laatste werd hij toch uit die schuwe terughouding opgejaagd door de ijzeren noodzakelijkheid. »De deelnemers aan de zaak dwongen hem zich te verklaren of hij al of niet kon voldoen aan de voorwaarden, waarop de concessie was verleend, en de deelneming des Konings toegezegd. »Bij rechterlijke aanmaning daartoe opgeroepen, moest hij zich openlijk incompetent verklaren om ze te vervullen; hij moest zijn _échec_ bekennen; hij was gedwongen nog weer zich zelf te worden, alle krachten van zijn geest te verzamelen en in te spannen, om het te rechtvaardigen. Hij slaagde er in de lieden te overtuigen, dat hij een eerlijk man was, die het ongeluk had gehad te laat te komen, geenszins een bedrieger, die met het kapitaal van anderen had willen spelen, en die verloor; maar hij kon niemand overtuigen, dat hij geen onhandige was, die de kans had laten verloopen. De Belgische associatie, die zoo luisterrijk kon optreden, verkreeg nu al de voordeelen, die hem waren toegezegd, en in ruimere mate. »Ja! de voorliefde van Sire voor den zuidelijken ondernemingsgeest is bekend," merkte Roestink aan met eenige bitterheid. »Maar, wat Herman aanging, het opgenomen geld kon niet eens worden teruggegeven, hij zelf die bij de schipbreuk nog het weinigje, dat hij bezat had verloren, was meer dan ooit een berooid man, was dùs in discrediet geraakt bij zijne stadgenooten, dat niemand er meer aan denken wilde hem de hand te reiken om zich op te richten." Willems zweeg even, zuchtte en vervolgde daarna: »De menschen kunnen hard zijn, vriend Roestink! zeer hard, als ze in hunne financieele belangen zijn gekrenkt; zelfs in onzen tijd, ondanks alles wat er gedaan wordt voor de beschaving, de verlichting, de veredeling der menschheid." »Ja, vriend! het hart van den natuurlijken mensch is boos en onaandoenlijk, hatende God en zijn evenmensch; vernis het, kleur het, en sier het uiterlijk zooveel gij wilt, het blijft een steen, een steen die op de aarde ligt en daaraan kleven blijft, tenzij Gods genade tusschenbeide komt en het herschept tot een vleeschen hart, door de onweerstandelijke kracht van Zijne Genade." »Gij weet, vriend! ik.... ik trek die koorde zoo strak niet als gij, maar toch.... ja toch heeft de ervaring mij tot mijn leedwezen geleerd, dat de beschaving van sommigen maar niet verder kan komen dan de oppervlakte en dat de liefde, de liefde die zich zelf niet zoekt, die van harte geeft en niet verwijt, dat die ondanks alle genootschappen tot heil des naasten, die wij helpen oprichten, onder de zeldzame planten behoort, die men maar niet kan kweeken in iederen grond. »Alle aanzoeken die ik deed bij de notabelen van de gemeente om er Herman Rosemeijer weer op te helpen, bij de burgers, om hem niet als een _paria_ hunne gemeenschap te ontzeggen, stuitten af op den weerzin om zich op eenige wijze met dat opgewonden warhoofd, dat Herman Millioen was bijgenaamd, te compromitteeren. Voor zijne vrouw en zijn kind wilde men in stilte wel iets doen, maar hij zelf moest zien hoe hij zich er verder doorredde. Men zou hem niet vervolgen om 't geen hij schuldig was, maar daarbij moest het dan ook blijven, niemand wilde iets meer wagen voor en met hem. Het was de uitspraak van het gezond verstand, ik erken het, maar toch dit wantrouwen, dit afstooten bracht den ongelukkige tot vertwijfeling. Door den prikkel van den dwang opgejaagd uit de diepe gebogenheid, waarin hij als versuft neerlag, had hij zich overspannen, om een oogenblik weer zich zelf te zijn; maar de onnatuurlijke poging wreekte zich deerlijk, toen zij geen goeden uitslag had, toen niemand treden wilde in de nieuwe combinatie, die hij gemaakt had om toch op eigene wijze, schoon op kleine schaal, met zijne uitvinding winst te doen, en alzoo het middel te vinden om aan zijne verplichtingen te voldoen; toen was hij wild van drift en spijt, toen bezweek zijne rede onder den last der onoverkomelijke bezwaren, toen werd de exaltatie geestverbijstering, toen was hij, wat reeds menigeen hem schimpend had nagegeven, toen--was hij krankzinnig! Zonder echter in den waanzin zijn _idée fixe_ uit het oog te verliezen, integendeel, er op toe gaande, zonder eenige hindernissen meer te achten, of er zich om te bekommeren, zooals de slaapwandelaar zich heenwendt naar eene bepaalde plaats, zonder zich om licht of duister, om hoogten of laagten, aan vuur of aan water te storen. Hij deed niets meer, zat iederen avond en iederen morgen in het koffiehuis te redeneeren en te bluffen, als ware hij bij machte alles te houden wat hij vroeger of later had beloofd; er haperde altijd maar eene kleinigheid, verzekerde hij met de goelijke trouwhartigheid van den waanzin, een onnoozele tonne gouds of wat, die niemand hem wilde voorschieten op eene verzekerde winst van millioenen! Met één woord, hij werd de _spot_ van de gewone koffiehuisbezoekers, die er pleizier in hadden hem uit te lokken en nog meer op te winden, door hem van tijd tot tijd te onthalen op wijn en sterken drank. Nooit had de ongelukkige zich aan misbruik op dit punt overgegeven, integendeel, zelfs het gebruik had hij zich altijd ontzegd, wetende dat elke prikkel hem nadeelig was. Nu, waar rede en oordeel hem niet meer waarschuwden, weerstond hij zulke aanbiedingen niet meer en geraakte daardoor in zulke opgewondenheid, dat hij naar huis terugkeerende, overluid alleenspraken hield en zijne plannen den voorbijgangers meedeelde; aan de deftige huizen aanschelde, driestweg bij de winkeliers binnentrad, en tot in de geringste buurten toe, de lieden kwam opschrikken met zijne verbijsterende aanbiedingen. De tegenspraak der ongeloovigen, het afweren van dienstboden, die hem niet wilden aanmelden, bracht hem dan in zulke vlagen van woede, dat hij door de straatjongens werd uitgejouwd en maar al te vaak oorzaak en voorwerp werd van wanordelijkheden, waarbij de politie tusschenbeiden moest komen. Van dier wege werd zijne arme vrouw gewaarschuwd haar ongelukkigen echtgenoot thuis te houden of te zorgen dat hij den burgers geen overlast deed, daar er anders vanwege het bestuur in zijne bewaring zou worden voorzien. Dies ondanks kon de edelaardige vrouw niet besluiten den raad harer vrienden te volgen, en den man met wien zij jarenlang lief en leed had gedeeld en die alleen op het ziekelijke punt lastig en onhandelbaar was geworden, nu uit haar huis te verwijderen, en naar een dier gestichten te doen vervoeren, die erger zijn dan kerkerlijke opsluiting.... Er valt niet aan te twijfelen of er zal ook hierin welhaast verbetering komen, bij alles wat er uitgedacht en uitgevoerd wordt tot heil der lijdende menschheid, maar zooals het nu is.... »Ja, ze zijn erbarmelijk ingericht!" stemde Roestink toe, »maar ik heb gehoord dat er zich reeds krachtige stemmen verheffen, die voorziening vragen in dezen treurigen staat van zaken, en er valt niet aan te twijfelen of er zullen doeltreffende maatregelen genomen worden als we een jaar of wat verder zijn." »Ik ben er van overtuigd, maar intusschen had Mina Rosemeijer geen moed om haar man aan de jammeren van zulke opsluiting te wagen. Zij deed het mogelijke om hem tegen zich zelven te beveiligen om te voorkomen, dat hij openlijk aanstoot gaf. Frits, die toen zoo omtrent zijn twaalfde jaar had bereikt, werd de onafscheidelijke metgezel van zijne uitgangen, Frits wist hem terug te houden van de plaatsen waar de verlokking op hem loerde, wist hem af te leiden van zijn _idée fixe_ om zich bij vreemden aan te melden, zocht zooveel mogelijk met hem de vrije natuur, slaagde er in hem smaak te doen vinden in uitgestrekte wandelingen naar de omliggende dorpen, en deed het mogelijke om te beletten dat hij ergernis gaf of leed; dit laatste gelukte hem niet altijd; geen schoolknaap, geen straatjongen, geen bedelaar die ze samen opmerkte, of het klonk nu eens wat luider, dan eens wat meer omzichtig: »Daar gaan de twee Millioentjes," en daar Frits ondanks zijne vreedzame missie niet altijd de noodige lankmoedigheid bezat om den schimp als ongehoord te laten passeeren, viel er van tijd tot tijd wel iets voor dat juffrouw Rosemeijer in moeielijkheden bracht, en haar deed inzien dat de toestand voorziening eischte, bovenal ter wille van Frits, die in zijn beste leerjaren al te veel verzuimde en wiens fiere levendige aard onbeschrijfelijk leed onder 't geen hij met en voor dien vader had te dragen. Toch kon zij niet overgaan tot de smartelijke maatregelen die het verstand haar raadde, maar waaronder haar hart zou breken, dit voelde zij als bij ingeving. Eer zij tot een besluit kon komen, was de strijd geëindigd. Herman Rosemeijer had voorheen tot elks voldoening den post van klokkenist bekleed. Niemand die aan ons fraai klokkespel zulke zuivere, krachtige tonen wist te ontlokken dan hij, vóór zijne rampspoedige reize naar Engeland. Uit humaniteit had de stedelijke regeering hem daarna die betrekking niet ontnomen toen hij er ongeschikt voor was geworden, maar liet hem den naam en het kleine tractement, en had Busch aangesteld om voorloopig het werk te doen met toezegging der _survivance_. Van die schikking was hij onkundig gebleven en toch had hij zich niet meer om zijne verplichtingen in dezen bekommerd, tot op zekeren herfstdag toen hij als met plotselinge herinnering van zijn verzuim werd getroffen, den sleutel van den toren nam en het huis uitliep. Eer zijne vrouw het weten en Frits hem volgen kon, was hij den toren opgeklommen. Het was juist op een marktdag, Koenraad Busch was hem reeds voorgegaan naar boven, en bracht uit alle macht de zware toetsen van het klokkespel in beweging. Nauwelijks had Herman dit punt bereikt en zag hij zijn confrère in zijne plaats getreden, of hij barstte in wilde wanhoop los: »Ik heb mijn post verwaarloosd en ze hebben mij afgezet!" kreet hij op akelig smartvollen toon, »maar ik zal 't goed maken! ik laat mij zóó niet verdringen--weg van hier gij! Ik alleen heb hier recht," en met heftigheid duwde hij Busch van het leeren zitbankje en begon nu zelf zulk een woest en fantastisch spel, dat de burgerij daar beneden hooren en zien verging en niemand begreep wat Busch bewoog zich zelf zoo uit te putten om zulke wanklinkende en oorverscheurende tonen voort te brengen. Dit helsch geraas, waaronder Busch zelf bleek van schrik zich het hoofd voelde draaien, duurde eenige minuten;--trappelend met de voeten, bonzend met de ongeschoeide vuisten [1] op de zware houten pennen, scheen het of de waanzinnige op dezen zijn moed wilde koelen, alsof hij in die heftige wanklanken nog eens wilde uitspreken wat er voor smartelijks en wanluidends in zijn gemoed trilde. Op eens echter werd hij doodsbleek, liet de handen slap neervallen en scheen zijn eigen toestand, zijn eigen ongeluk en dwaasheid te beseffen. Hij vloog op en naar den trans van den toren. Een oogenblik leunde hij met beide armen op de met lood voorziene rollaag, liet het hoofd op de handpalmen rusten, haalde daarop een pakket papieren te voorschijn, waarvan hij zich nooit had willen scheiden, en wierp dat naar beneden onder het volk, uitroepende: »Ziedaar mijne erfenis! mijne beste plannen, mijne zekerste uitkomsten. Gij hebt mij niet willen helpen die uit te voeren, doe er nu zelf uwe winst mee!" Frits door het schrille klokgeklingel op het vermoeden gekomen van 't geen er voorviel, had in allerijl den toren bestegen in heftige onrust voor een conflict met Busch, en nu tot den trans gekomen sloeg hij zacht beide armen om zijn vader heen, met vleiende stem dringende om terug te gaan. »Kom, vader! kom! moeder wil met u wandelen, wat doet gij nu op den toren?" »Ziet gij het dan niet?" riep Herman, met eene stem waarin de verbijstering zijner ziel weerklonk. »Ik werp mijne millioenen onder het volk!" en met een luiden, gillenden lach ging hij voort: »Daar vliegen ze heen! Daar vliegen ze heen! Ik wil ze na!" en plotseling met woeste kracht zich losrukkende uit de omklemming van den knaap, bukte hij over de balustrade heen en stortte zich naar beneden. Snel als de gedachte was de vreeselijke daad volbracht, eer Busch en Frits in de mogelijkheid waren geweest haar te verhinderen. »Welk een eind!" sprak Roestink, bleek van aandoening. »Moge de Heer zich over de ziel van den zondaar ontfermd hebben." »Amen!" hernam Willems, »wat mij betreft, ik houd het er voor dat zulk een rampzalige niet met den gewonen maatstaf kan gemeten worden." »Gode komt het oordeel toe, ons de hoop op Zijne barmhartigheid! Nu verwondert het mij niet meer dat Frits zich zoo driftig maakt en zich zoo gekrenkt voelt als men hem dien bijnaam geeft," hervatte Roestink na eene poos zwijgens, waarin beiden in een ernstig nadenken verzonken bleven. »En toch wordt de arme jongen er nog maar al te vaak mee gekweld, zelfs door hen die het niet met opzet doen om hem te beleedigen; want de naam is hem bijgebleven, en de kracht der gewoonte is sterker dan de goede wil. Ik zelf betrap er mij wel eens op tot mijn groote spijt als het er uit is, vooral wanneer Frits het gehoord heeft; zijn verbleeken, de traan dien hij wegknipt, waarschuwen mij dan te laat. »Overigens schikte het zich vrij wel met dit gezin. Koenraad Busch nam het huis van de weduwe over al was de nering verloopen, daar het eenige waarde had voor hem, als nabij de markt en den toren gelegen. Zij werd daardoor in staat gesteld het bedrijf van modemaakster en wollenaaister op grooter schaal voort te zetten; zij heeft voorspoed, zij geniet het vertrouwen van onze dames en zij heeft ruim haar brood, al moet zij er hard voor werken. Frits heeft in de laatste jaren door vlijt en vlugheid het vroeger verzuimde ingehaald, met Paschen wordt hij lidmaat en daarna zal hij moeten overgaan tot de keuze van een beroep. Daar ik zijn voogd niet ben, heb ik er niet in te spreken tenzij mijn raad wordt gevraagd." »Gij begrijpt dat na al het gehoorde mijne belangstelling in hem is toegenomen en dat ik mijn zwager dringend zal aanraden hem bij zich te nemen; zijne vooruitzichten zijn dan wel ni